Bijbel in Gewone Taal (BGT)
12

Vereer geen andere goden

Vernietig alle afgodsbeelden

121Mozes zei verder tegen de Israëlieten: ‘Straks komen jullie in het land dat de Heer, de God van je voorouders, jullie zal geven. Nu volgen de wetten en regels die daar gelden. Jullie moeten je altijd aan die regels houden, je hele leven lang.

2In dat land wonen nu volken die hun goden op allerlei plaatsen vereren, op elke heuvel en onder iedere groene boom. Als jullie die volken verjaagd hebben, moeten jullie al hun heilige plaatsen vernietigen. 3Breek hun altaren af, sla alle heilige stenen kapot! Verbrand de heilige palen van de godin Asjera, maak alle beelden stuk! Er mag niets overblijven dat met hun goden te maken heeft.

Je mag de Heer op één plaats vereren

4Doe niet zoals die volken! Vereer de Heer, jullie God, niet zomaar op allerlei plaatsen. 5De Heer zal zelf een plaats aanwijzen in één van de gebieden van jullie stammen. Daar zal hij wonen. Alleen daar mogen jullie hem vereren.

Als jullie naar die plaats gaan, 6neem dan dieren mee om te offeren. Die zijn bestemd voor de volgende offers: offers die helemaal verbrand moeten worden, offers voor een feestmaal, offers die je brengt als je iets belooft aan de Heer, en andere offers. Neem ook een tiende deel van de opbrengst van je oogst mee. En breng ook alle kalfjes, lammetjes en geitjes mee die het eerst geboren zijn.

7Op die plaats kunnen jullie een feestmaal klaarmaken, ter ere van de Heer, jullie God. Vier feest, samen met je hele familie. En geniet van alles waar je hard voor gewerkt hebt. Zo beloont de Heer jullie.

Nieuwe regels voor het offeren

8Daar in dat land moeten jullie het anders doen dan hier. Want hier brengt iedereen offers op zijn eigen manier. 9Nu zijn jullie nog niet in het land dat de Heer zal geven, en waar jullie veilig kunnen wonen. 10Maar straks steken jullie de Jordaan over en gaan jullie in dat land wonen. De Heer zal ervoor zorgen dat jullie daar geen last meer hebben van vijanden.

Als jullie daar veilig wonen, 11dan mag je de Heer maar op één plaats vereren. Alleen op de plaats die hij aanwijst, de plaats waar hij zelf zal wonen.

Als jullie naar die ene plaats gaan, neem dan alle dieren mee voor de offers die ik al eerder genoemd heb: offers die helemaal verbrand moeten worden, offers voor een feestmaal, offers die je brengt als je iets belooft aan de Heer en offers die je vrijwillig brengt. Neem ook een tiende deel van de opbrengst van je oogst mee, en wat je verder nog wilt offeren.

12Dan kun je daar feestvieren ter ere van de Heer, samen met je kinderen en je slaven. En nodig ook de Levieten uit die bij je in de stad wonen, want zij hebben geen eigen grond.

Je mag niet overal offeren

13Jullie mogen in dat land niet zomaar ergens een offer brengen. 14Dat mag alleen op de plaats die de Heer uitkiest. Jullie moeten alles doen zoals ik het zeg.

15Je mag wel dieren slachten om het vlees op te eten. Dat mag overal waar jullie wonen. Je mag alle dieren slachten die de Heer, jullie God, je geeft. Iedereen mag dat doen, ook mensen die onrein zijn. Net zoals ook iedereen, rein of onrein, het vlees van herten mag eten. 16Maar jullie mogen geen vlees eten waar nog bloed in zit. Je moet het bloed eerst laten wegstromen in de grond.

17Je mag geen offers brengen in je eigen woonplaats. Geen offers van een tiende deel van je oogst, zoals graan, druiven of olijfolie. Geen offers van kalfjes, lammetjes en geitjes die het eerst geboren zijn. En ook geen andere offers, zoals offers die je brengt als je iets beloofd hebt aan de Heer, en offers die je vrijwillig brengt. 18Je mag alleen offers brengen op de plaats die de Heer, je God, uitgekozen heeft.

Alleen daar, op de plaats waar de Heer woont, mag je een offerfeest houden. Daar mag je eten van alles waar je hard voor gewerkt hebt. Houd daar een feestmaal, samen met je kinderen en je slaven. En ook met de Levieten die dan in jullie stad wonen. 19Vergeet hen vooral niet.

Dieren mogen overal geslacht worden

20-21De Heer, jullie God, zal een groot gebied aan jullie geven. Dat heeft hij beloofd. Dus misschien ligt de plaats die hij als zijn woonplaats kiest, ver bij je vandaan. Dan mag je je dieren gewoon in je eigen woonplaats slachten. Als je graag vlees wilt eten, kun je dat dus gewoon doen.

De koeien, schapen of geiten die de Heer je gegeven heeft, moet je slachten zoals ik het jullie geleerd heb. 22Iedereen mag van die dieren eten, ook mensen die onrein zijn. Net zoals ook iedereen, rein of onrein, het vlees van herten mag eten. 23-24Maar jullie mogen geen vlees eten waar nog bloed in zit. Want bloed betekent leven. En iets waar leven in zit, mag je niet eten. Je moet het bloed eerst laten wegstromen in de grond.

25Als jullie je daaraan houden, dan zal het goed gaan met jullie en je nakomelingen. Want dan doen jullie wat de Heer graag wil.

Offeren mag alleen op Gods altaar

26Jullie mogen dus overal slachten. Maar de offers en geschenken voor de Heer moet je meenemen naar de plaats die hij uitkiest. 27Stel dat je op het altaar van de Heer, je God, een dier offert dat helemaal verbrand moet worden. Dan moet je ook het bloed offeren. En als je een offer brengt voor een feestmaal, dan moet je het bloed langs de zijkanten van het altaar gieten. Het vlees mag je daarna opeten.

28Houd je precies aan alles wat ik nu tegen jullie zeg. Als jullie goed naar mijn woorden luisteren, zal het goed gaan met jullie en je nakomelingen. Want dan doen jullie wat de Heer graag wil.

Vereer geen andere goden

29In het land waar jullie gaan wonen, wonen nu nog andere volken. De Heer zal die volken voor jullie vernietigen. En dan zullen jullie het land bezitten, en er wonen.

30Maar denk niet: Hoe zouden die volken hun goden vereerd hebben? Misschien kunnen wij het ook op die manier doen!

Als jullie dat denken, loopt het slecht met jullie af. 31Want de Heer, jullie God, wil niet dat jullie die volken nadoen. Zij hebben voor hun goden dingen gedaan die de Heer afschuwelijk vindt. Ze hebben zelfs hun eigen kinderen aan die goden geofferd!

13

131Nee, jullie moeten je precies houden aan alles wat ik tegen jullie zeg. Jullie moeten niets veranderen aan de regels die ik jullie geef.

Luister niet naar slechte profeten

2-4Luister niet naar profeten die zeggen dat je andere goden moet vereren! Ook al doet zo’n profeet een wonder, en ook al komen zijn voorspellingen uit.

De Heer, jullie God, stuurt die profeten naar jullie toe. Zo wil hij te weten komen of jullie echt van hem houden, met je hele hart. 5Jullie moeten alleen voor de Heer eerbied hebben, jullie moeten alleen hem dienen.

6Zorg ervoor dat zulke profeten gedood worden. Want ze willen dat jullie de Heer niet langer vereren. Ze willen dat jullie je verzetten tegen de Heer, jullie God, die jullie uit de slavernij in Egypte bevrijd heeft!

Door die profeten te doden, maken jullie in één keer een eind aan het kwaad.

Luister niet naar slechte raad

7-9Stel dat iemand jou in het geheim probeert over te halen om andere goden te vereren. Goden die je niet kent en die ook je voorouders niet gekend hebben. Goden van volken uit de buurt of goden van volken uit verre landen. Luister dan niet naar zo iemand! Ook niet als het je broer is, of één van je kinderen, of je vrouw, of je beste vriend.

10-11Nee, als zo iemand wil dat je andere goden gaat vereren, moet je hem doden! Je mag geen medelijden met hem hebben. Samen met de andere mensen van je volk moet je hem met stenen doodgooien. Jij moet zelf de eerste steen gooien.

Zo iemand moet sterven omdat hij jou wil weghalen bij de Heer, je God. De God die jullie bevrijd heeft uit de slavernij in Egypte! 12Alle Israëlieten moeten weten hoe zo iemand gestraft wordt. Dan zullen ze bang zijn, en ervoor zorgen dat er nooit meer zoiets slechts gebeurt.

Verwoest steden met ontrouwe inwoners

13Jullie zullen in allerlei steden wonen in het land dat de Heer jullie zal geven. Stel dat er over een stad gezegd wordt: 14‘Daar lopen mannen rond met een slechte invloed op het volk. Zij proberen de inwoners over te halen om andere, onbekende goden te vereren.’ 15Als dat gezegd wordt, dan moeten jullie uitzoeken of het echt waar is.

Als het waar is, 16moeten jullie de inwoners doden. Alle mensen die in de stad leven, moeten gedood worden, en ook de dieren. 17En alle bezittingen van de inwoners moeten naar het plein gebracht worden. Daarna moeten jullie de stad en al die bezittingen in brand steken. Dat is een offer voor de Heer, jullie God.

De stad moet door brand verwoest worden, en mag nooit meer opgebouwd worden. 18-19Jullie mogen niets meenemen van de bezittingen in die stad. Want de stad, en ook alles in de stad, is van de Heer.

Als jullie je aan die regels houden, zal de Heer niet kwaad op jullie zijn. Als jullie naar hem luisteren, zal hij goed voor jullie zijn en medelijden met jullie hebben. Houd je aan de regels die ik jullie vandaag leer, en doe wat de Heer wil. Dan zal jullie volk groot worden, zoals de Heer plechtig beloofd heeft aan jullie voorouders.’

14

Regels over het eten van vlees

Israël is een heilig volk

141-2Mozes zei verder tegen de Israëlieten: ‘Jullie zijn kinderen van de Heer, jullie God. Jullie zijn een heilig volk, het volk van de Heer. Hij heeft jullie uitgekozen. Jullie zijn bijzonder voor hem, meer dan alle volken op aarde. Jullie zijn voor hem een kostbaar bezit.

Daarom mogen jullie niet op dezelfde manier rouwen als de andere volken. Zij snijden in hun huid, en scheren het haar boven op hun voorhoofd weg. Jullie mogen dat niet doen.

Dieren die op het land leven

3Sommige dieren mogen jullie absoluut niet eten van de Heer. 4-6Je mag alleen dieren eten die hun voedsel herkauwen en gespleten hoeven hebben. Dat zijn hoeven die helemaal in tweeën gedeeld zijn. De volgende dieren mag je dus eten: koeien, schapen, geiten, wilde schapen en alle soorten herten.

7Jullie mogen geen dieren eten die alleen herkauwen of alleen gespleten hoeven hebben. Dat betekent dat kamelen, hazen en klipdassen voor jullie verboden zijn. Die dieren zijn onrein. Want zij herkauwen hun voedsel wel, maar ze hebben geen gespleten hoeven. 8Ook varkens zijn onrein. Want ze hebben wel gespleten hoeven, maar ze herkauwen niet. Al die dieren mag je niet eten. Je mag ze ook niet aanraken als ze dood zijn.

Dieren die in het water leven

9Jullie mogen alle dieren eten die in het water leven, als ze maar vinnen en schubben hebben. 10Waterdieren zonder vinnen of schubben mag je niet eten. Die dieren zijn onrein voor jullie.

Vogels

11-18Jullie mogen alleen vogels eten die rein zijn. De volgende vogels mag je niet eten: de rode wouw, de struisvogel, de visarend, de ooievaar, de hop, alle soorten gieren, buizerds, kraaien, valken, uilen en reigers. En je mag ook geen vleermuizen eten.

Insecten

19Jullie mogen geen insecten met vleugels eten. Dat zijn onreine dieren. 20Maar er zijn een paar soorten die wel rein zijn, en die mogen jullie wel eten.

Dode dieren

21Jullie mogen geen vlees eten van dieren die dood gevonden zijn. Je mag dat vlees wel geven aan een vreemdeling die in de stad woont, of verkopen aan iemand uit het buitenland. Maar zelf mogen jullie die dode dieren niet eten, want jullie zijn het heilige volk van de Heer.

Geitjes

Je mag het vlees van een geitje niet koken in melk van de moedergeit.’

Geef een deel van de oogst weg

Een deel van de oogst is voor de Heer

22Mozes zei verder: ‘Volk van Israël, jullie moeten elk jaar een tiende deel van je oogst weggeven. 23Geef een tiende deel weg van jullie graan, wijn en olie. Gebruik dat voor een feestmaal ter ere van de Heer, jullie God. Neem ook de kalfjes, lammetjes en geitjes mee die het eerst geboren zijn.

De Heer zal de plaats uitkiezen waar hij wil wonen. Daar moeten jullie hem vereren, en daar moet het feestmaal gehouden worden. Op die manier leren jullie om steeds eerbied te hebben voor de Heer, jullie God.

24Maar misschien lukt het niet om het tiende deel van je oogst mee te nemen naar de plaats die de Heer uitgekozen heeft. Bijvoorbeeld omdat je te ver weg woont, of omdat het te veel is om mee te nemen. 25Dan mag je het tiende deel van je oogst ook verkopen, en het geld meenemen naar de plaats die de Heer uitgekozen heeft. 26Voor dat geld kun je dan koeien, schapen, geiten, wijn of bier kopen, en alles wat je maar wilt. En dan kun je toch feestvieren ter ere van de Heer, je God, samen met je hele familie.

27En denk dan ook aan de Levieten die bij jullie in de stad wonen. Nodig hen ook uit voor het feest. Want zij hebben geen eigen grond, en dus ook geen eigen oogst.

Een deel van de oogst is voor andere mensen

28Elk derde jaar moeten jullie een tiende deel van je oogst bewaren in jullie eigen steden. 29Dat deel is bestemd voor de Levieten, omdat zij geen eigen grond hebben. En het is ook bestemd voor de weduwen, de kinderen zonder vader, en de vreemdelingen die bij jullie in de stad wonen. Zij mogen er net zo veel van nemen als ze nodig hebben.

Als jullie je aan die regel houden, zal de Heer, jullie God, jullie rijk en gelukkig maken.’