Bijbel in Gewone Taal (BGT)
3

Israël heeft veel misdaden gepleegd

31Volk van Israël, luister goed. De Heer zegt tegen jullie: ‘Jullie zijn het volk dat ik uit Egypte bevrijd heb. 2Er zijn veel volken in de wereld, maar alleen jullie heb ik uitgekozen. Toch hebben jullie veel misdaden gepleegd. Daarom zal ik jullie straffen.’

Niets gebeurt zomaar

3Twee mensen kunnen pas samen op reis gaan, als ze elkaar eerst ontmoet hebben. 4Een leeuw die op jacht is, brult alleen als hij iets gevangen heeft. En een leeuw in zijn hol brult pas als hij iets te eten heeft. 5Je kunt alleen een vogel in een net vangen, als je er eerst voer in hebt gelegd. En een val klapt pas dicht als er een dier in zit. 6De inwoners van een stad worden pas bang als het alarm klinkt. En er gebeurt alleen een ramp in een stad als de Heer dat wil.

7Zo is het met alles wat God, de Heer, doet: hij doet niets zomaar, zonder een plan. Dat plan heeft hij bekendgemaakt aan zijn profeten. 8En als God spreekt, moet een profeet zijn woorden wel doorgeven. Net zoals iedereen wel bang moet zijn voor een brullende leeuw.

In Samaria worden mensen onderdrukt

9-11Dit zegt God, de Heer: ‘Ga naar de paleizen van de stad Asdod en ga naar Egypte. Stuur de mensen van Asdod en Egypte naar de bergen bij de stad Samaria. Dan zien ze hoe verschrikkelijk het is in die stad. De mensen worden er onderdrukt. Van eerlijke rechtspraak hebben ze daar nog nooit gehoord. En in de paleizen van de stad zijn ze altijd aan het stelen en moorden.’

Daarom zegt de Heer: ‘Samaria, de vijanden zullen van alle kanten op je afkomen. Dan worden je muren verwoest en je paleizen leeggeroofd.’

De Israëlieten worden niet gered

12Dit zegt de Heer: ‘Als een leeuw een schaap gepakt heeft, wat blijft er dan van over? De herder kan het dier niet redden. Hij vindt alleen een paar botjes en een stuk van een oor terug.

Zo zal het ook gaan met de Israëlieten in Samaria. Nu liggen ze nog lui op hun bed. Ze zakken lekker achterover in de kussens. Maar ze zullen niet gered worden.’

De Israëlieten worden gestraft

13God, de Heer, de machtige God, zegt: ‘Luister naar mijn woorden. Waarschuw de Israëlieten, het volk van Jakob. 14De dag komt dat ik de Israëlieten zal straffen voor hun misdaden. Ik zal hun altaren in Betel vernielen, ik zal die altaren aan stukken slaan. 15Ik zal hun huizen verwoesten, hun zomerhuizen en de huizen waar ze in de winter wonen. En ook alle prachtige paleizen worden verwoest.’ Dat zegt de Heer.

4

De vrouwen van Samaria zijn slecht

41-3De Heer zegt tegen de vrouwen in Samaria: ‘Luister naar mijn woorden. Jullie lijken op vette koeien, die de berg van Samaria kaalvreten. Jullie vertrappen zwakke mensen. Jullie mishandelen arme mensen. En intussen zeggen jullie tegen je man: ‘Haal eens iets te drinken voor me!’

Maar dat gaat snel veranderen. Dat staat vast, zo zeker als ik de heilige God ben. Ik haal jullie daar weg, één voor één. Zoals iemand met een hengel vissen uit het water haalt, de één na de ander. Eén voor één worden jullie door de gaten in de muren van de stad naar buiten getrokken. En dan worden jullie meegenomen naar een onbekende plaats.’

Offers brengen is niet genoeg

4-5De Heer zegt: ‘Volk van Israël, kom naar de stad Betel, kom naar de stad Gilgal. Laat daar je slechte gedrag maar eens zien! Geef mij maar geschenken en breng mij offers. Laat iedereen maar weten hoe dankbaar jullie zijn. En vergeet niet overal te vertellen welke offers je vrijwillig brengt. Want jullie offeren toch zo graag?’

Israël heeft niet naar God geluisterd

6De Heer zegt: ‘Ikzelf heb ervoor gezorgd dat jullie honger hadden. Nergens was er nog brood te krijgen, in geen enkele stad. Daar heb ik voor gezorgd. Maar jullie zijn niet bij mij teruggekomen!

7Ikzelf heb ervoor gezorgd dat het niet meer regende. Er viel geen regen toen het graan moest groeien. In de ene stad liet ik het wel regenen, maar in de andere stad niet. Op het ene veld viel wel regen, op het andere niet. En daar groeide ook niets meer. 8De mensen liepen van stad naar stad, op zoek naar water. En ze bleven dorst hebben. Daar heb ik voor gezorgd. Maar jullie zijn niet bij mij teruggekomen!

9Ik heb ervoor gezorgd dat jullie koren niet kon groeien. Jullie tuinen en wijngaarden verdroogden. En sprinkhanen aten alle vruchten van de bomen op. Er was geen vijg of olijf meer te vinden. Daar heb ik voor gezorgd. Maar jullie zijn niet bij mij teruggekomen!

10Ik stuurde jullie een dodelijke ziekte, dezelfde ziekte die ik ooit naar de Egyptenaren stuurde. Jullie zonen werden door de vijand gedood, en jullie paarden werden gestolen. De stank van de doden in jullie leger was overal te ruiken. Daar heb ik voor gezorgd. Maar jullie zijn niet bij mij teruggekomen!

11Ik heb jullie steden verwoest, zoals ik vroeger Sodom en Gomorra verwoest heb. Wat er overbleef, leek op een stuk zwart hout dat uit het vuur gehaald is. Daar heb ik voor gezorgd. Maar jullie zijn niet bij mij teruggekomen!

12Daarom zal ik jullie straffen, volk van Israël. Dat gaat zeker gebeuren. Bereid je er maar op voor. Jullie zullen tegenover mij komen te staan, tegenover jullie God!’

God heeft alles gemaakt

13God heeft de bergen gemaakt en de wind.

Hij heeft de mensen zijn plannen verteld.

Hij kan het ochtendlicht weer donker maken.

Hij verschijnt op de hoogste bergen.

Zijn naam is: Heer, machtige God.

5

Amos maakt een klaaglied over Israël

51Volk van Israël, luister naar het lied dat ik gemaakt heb. Het is een klaaglied, en het gaat over jullie:

2‘Israël, je ligt verslagen op de grond,

je kunt niet meer opstaan.

Je ligt op de grond,

en niemand helpt je overeind.’

3God, de Heer, zegt tegen Israël: ‘Zo zullen jullie verslagen worden. Als er uit een stad duizend mannen oorlog gaan voeren, komen er maar honderd terug. En als er honderd mannen oorlog gaan voeren, komen er maar tien terug.’

Wie God zoekt, zal leven

4Dit zegt God, de Heer, tegen het volk van Israël: ‘Als jullie mij zoeken, zullen jullie leven. 5Maar zoek mij niet in de heilige plaatsen. Niet in Betel, niet in Gilgal, en ook niet in Berseba. Want de inwoners van Gilgal worden weggehaald, en Betel wordt een plaats vol ongeluk.

6Alleen als jullie mij zoeken, zullen jullie leven. Maar als jullie mij niet zoeken, dan zal ik komen met een vuur. Dat vuur zal jullie land verwoesten en het zal Betel verwoesten. Er is niemand die dat vuur kan doven.

7Ik straf jullie, want jullie veranderen recht in onrecht. En jullie haten eerlijke rechters.’

God heeft alles gemaakt

8-9God heeft de sterren gemaakt,

alle sterrenbeelden heeft hij gevormd.

Het donker van de nacht verandert hij in ochtendlicht,

en ’s avonds maakt hij van de dag weer nacht.

Uit het water van de zee maakt hij de regen,

en hij laat die neerkomen op de aarde.

Onverwachts stuurt hij de bliksem,

hij treft daarmee de sterke steden.

Zijn naam is: Heer.

Israël onderdrukt arme mensen

10De Heer zegt: ‘Er zijn eerlijke mensen in de stad. Maar jullie hebben geen respect voor hen. Er zijn mensen die de waarheid spreken. Maar jullie hebben een hekel aan hen. 11Jullie onderdrukken arme mensen, en pakken hun koren af.

Daarom straf ik jullie. Jullie hebben huizen gebouwd, maar jullie zullen er niet in wonen. Jullie hebben mooie wijngaarden aangelegd, maar jullie zullen er geen wijn van drinken. 12Ik weet hoe slecht jullie je gedragen hebben. Jullie misdaden zijn niet te tellen. Jullie maken het leven voor eerlijke mensen onmogelijk. Jullie laten je omkopen. En jullie geven arme mensen geen eerlijk proces.’

13Ja, het is een slechte tijd. Wie dat begrijpt, die kan maar beter zwijgen.

Israël moet doen wat goed is

14Doe wat goed is, en niet wat slecht is. Want dan zullen jullie echt leven. Jullie zeggen vaak: ‘God is bij ons.’ Maar alleen als jullie doen wat goed is, zal de Heer, de machtige God, echt bij jullie zijn.

15Je moet haten wat slecht, en je moet liefhebben wat goed is. Zorg dat er weer eerlijke rechters zijn. Misschien zal de Heer, de machtige God, dan medelijden hebben met de kleine groep die er van jullie nog over is.

Israël zal klagen en jammeren

16-17Dit zegt God, de Heer, de machtige God: ‘Als ik door het land ga om jullie te straffen, zal er overal verdriet zijn. Jullie zullen klagen en jammeren op alle pleinen en in alle straten. De boeren worden van het land gehaald om te klagen over hun doden. Mensen die een klaaglied kennen, worden gehaald om te komen rouwen. Ook in de wijngaarden zal niemand meer vrolijk zijn, iedereen heeft verdriet.’

18Jullie verlangen naar de dag dat de Heer komt. Maar wat zal die dag brengen? Alleen donker en geen licht. 19Het is een verschrikkelijke dag! Alsof je op de vlucht bent voor een leeuw en dan aangevallen wordt door een beer. En als je dan aan de beer ontsnapt bent, word je in je huis gebeten door een giftige slang. 20De dag van de Heer zal donker zijn, zonder licht. Donker als de nacht, zonder enige glans.

De Heer haat de feesten van Israël

21De Heer zegt: ‘Ik haat jullie feesten. Ik wil er niets mee te maken hebben. 22De offers die jullie brengen, wil ik niet. Al jullie offers, ik kijk er niet naar. 23Val me niet lastig met muziek en liedjes. Ik wil jullie harpen niet horen. 24Zorg liever dat er weer eerlijke rechters komen. Dat moet net zo gewoon zijn als dat er water door een rivier stroomt.’

25De Heer zegt: ‘Volk van Israël, veertig jaar lang hebben jullie mij offers gebracht in de woestijn. 26Maar toen liepen jullie nog niet rond met zelfgemaakte beelden van afgoden. Met het beeld van de god Sakkut, die jullie vereren als koning. Of met het beeld van Kewan, de ster die jullie als een god vereren.

27Wacht maar! Ik zal jullie uit Israël weghalen en naar een plaats brengen ver voorbij de stad Damascus.’

Dat zegt de Heer. Zijn naam is: Machtige God.