Bijbel in Gewone Taal (BGT)
7

Stefanus vertelt over Abraham

71De hogepriester vroeg aan Stefanus: ‘Is het waar wat de mensen over je vertellen?’

2Toen begon Stefanus aan een lange toespraak. Hij zei: ‘Vrienden en leiders van het volk, luister! Voordat onze voorvader Abraham in Charan woonde, woonde hij in Mesopotamië. Daar heeft de machtige God zich aan hem laten zien. 3God zei tegen hem: ‘Ga weg uit je land en ga weg van je familie. Ik zal je zeggen naar welk land je moet gaan.’ 4Toen ging Abraham weg uit Mesopotamië, en hij ging in Charan wonen. Na de dood van zijn vader liet God hem weer verhuizen. En hij bracht hem naar dit land, waar jullie nu wonen.

5Abraham had toen nog geen kinderen. Toch beloofde God dat hij en zijn nakomelingen dit land zouden krijgen. Maar in het begin kreeg Abraham helemaal niets van het land. Zelfs geen klein stukje. 6God zei tegen hem: ‘Je nakomelingen zullen eerst in een ander land wonen. Daar zullen ze vreemdelingen en slaven zijn. Ze zullen er onderdrukt worden, vierhonderd jaar lang. 7Als die tijd voorbij is, zal ik de onderdrukkers straffen. En dan zullen je nakomelingen daar weggaan en mij hier in dit land vereren.’

8Dat zijn de beloftes die God aan Abraham deed. Als teken van die beloftes moesten alle mannen en jongens besneden worden. Toen Abrahams zoon Isaak geboren was, liet Abraham zijn zoon dus besnijden. Dat gebeurde toen Isaak acht dagen oud was. En Isaak deed hetzelfde met zijn zoon Jakob. En Jakob deed hetzelfde met zijn twaalf zonen.

Stefanus vertelt over Jozef

9De zonen van Jakob waren jaloers op hun broer Jozef. Daarom verkochten ze hem als slaaf. Zo kwam Jozef in Egypte.

Maar God hielp Jozef 10en redde hem uit alle moeilijkheden. Want God maakte Jozef heel wijs. Daardoor was de farao, de koning van Egypte, diep onder de indruk van Jozef. Hij gaf hem zelfs de leiding over Egypte en over zijn hele paleis.

11Toen kwam er een grote hongersnood in heel Egypte en Kanaän. Ook onze voorouders hadden niets meer te eten. 12Maar Jakob hoorde dat er nog graan was in Egypte. Daarom stuurde hij zijn zonen daarheen. Dat was het eerste bezoek van Jakobs zonen aan Egypte. 13Bij hun tweede bezoek vertelde Jozef aan zijn broers wie hij was. Toen leerde de farao de familie van Jozef kennen.

14Daarna haalde Jozef zijn vader Jakob naar Egypte, samen met zijn hele familie, in totaal 75 mensen. 15Zo kwam Jakob in Egypte. Hij is daar gestorven, net als al zijn zonen. 16Hun lichamen zijn naar de stad Sichem gebracht. Ze zijn in het graf gelegd dat Abraham gekocht had van de zonen van Chamor.

Stefanus vertelt over Mozes

17Toen kwam de tijd dat God ging doen wat hij aan Abraham beloofd had. In Egypte was het volk van Israël steeds groter geworden. 18Maar toen kwam er een andere farao, die niets wist over Jozef. 19Hij behandelde onze voorouders slecht. Hij bedacht een verschrikkelijk plan om ervoor te zorgen dat het volk niet groter werd: De mensen moesten hun pasgeboren baby’s buiten de stad neerleggen en achterlaten. Zo zouden alle baby’s sterven.

20In die tijd werd Mozes geboren. Het was een prachtig kind. De eerste drie maanden zorgden zijn ouders thuis voor hem. 21Maar toen legden ze hem buiten ergens neer, alleen. Hij werd gevonden door de dochter van de farao. Zij nam hem mee, en zorgde voor hem alsof hij haar eigen kind was.

Mozes doodde een Egyptenaar

22Mozes leerde veel van de Egyptenaren. Hij kreeg al hun kennis en wijsheid. Iedereen had respect voor hem, voor alles wat hij zei en deed.

23Toen Mozes veertig jaar oud was, besloot hij om de Israëlieten te gaan helpen. Want dat was zijn eigen volk. 24Op een keer zag hij hoe een Israëliet mishandeld werd door een Egyptenaar. Mozes ging eropaf om de Egyptenaar te straffen, en sloeg hem dood. 25Hij dacht: De Israëlieten zullen wel begrijpen dat God mij gebruikt om hen te bevrijden!

Maar de Israëlieten begrepen dat helemaal niet. 26De volgende dag zag Mozes dat er twee Israëlieten met elkaar aan het vechten waren. Hij ging erheen en zei: ‘Waarom mishandelen jullie elkaar? Houd daarmee op! Jullie zijn toch van hetzelfde volk?’ 27Maar de man die het gevecht begonnen was, duwde Mozes weg. Hij zei: ‘Waar bemoei jij je mee? Wie zegt dat jij de baas over ons bent? 28Wil je mij soms ook doodslaan, net als die Egyptenaar gisteren?’

29Toen Mozes dat hoorde, vluchtte hij weg. Hij ging als vreemdeling wonen in het land Midjan. Daar kreeg hij twee zonen.

Mozes kreeg een boodschap van God

30Er gingen veertig jaren voorbij. Toen kwam er een engel naar Mozes toe, als een vuur in een struik. Dat gebeurde in de woestijn bij de berg Sinai. 31Mozes zag het en was erg verbaasd. Toen hij dichterbij kwam om de brandende struik goed te bekijken, hoorde hij de stem van de Heer. De Heer zei: 32‘Ik ben de God van je voorouders, de God van Abraham, Isaak en Jakob.’ Toen begon Mozes te beven, en hij durfde niet meer te kijken.

33Maar de Heer zei tegen hem: ‘Trek je schoenen uit, want je staat op heilige grond. 34Ik heb gezien hoe mijn volk onderdrukt wordt in Egypte. Ik heb gehoord hoe ze om hulp roepen. Nu ben ik gekomen om hen te bevrijden. En ik heb besloten om jou naar Egypte te sturen.’

Het volk wilde Mozes niet als leider

35De Israëlieten hadden tegen Mozes gezegd: ‘Wie zegt dat jij de baas over ons bent? Waar bemoei jij je mee?’ Ze wilden niet dat Mozes hun leider was. Toch had God juist Mozes als leider en bevrijder van zijn volk uitgekozen. De engel in de brandende struik vertelde hem dat.

36Mozes heeft toen het volk uit Egypte weggehaald, terwijl hij veel wonderen deed. Hij deed die wonderen niet alleen in Egypte, maar ook bij de Rode Zee. En in de woestijn, waar ze veertig jaar lang waren.

37Mozes heeft tegen de Israëlieten gezegd: ‘God zal iemand uit jullie eigen volk als profeet naar jullie toe sturen. Dat zal net zo’n profeet zijn als ik.’ 38En hij heeft met de engel gesproken op de berg Sinai, terwijl het hele volk verzameld was in de woestijn. De engel gaf toen de wet aan Mozes, zodat Mozes die weer aan onze voorouders kon geven.

39Maar terwijl Mozes op de berg was, deden onze voorouders niet wat hij hun gezegd had. Ze wilden hem niet meer als hun leider, en ze verlangden terug naar Egypte. 40Ze zeiden tegen Aäron: ‘Je moet beelden van goden voor ons maken. Dan kunnen die goden ons door de woestijn leiden. Want Mozes is nu al zo lang weg. Hij heeft ons wel uit Egypte weggehaald, maar we weten niet wat er op de berg Sinai met hem gebeurd is.’

41Toen maakten ze een beeld van een stier. En ze brachten een offer aan het beeld, alsof het een god was.

God liet het volk achter

Het volk was erg tevreden over het beeld dat ze gemaakt hadden. 42Maar God niet. Hij ging weg en liet het volk alleen achter met hun afgoden.

Dat staat in het boek van de profeten. Daar zegt God: «Volk van Israël, hebben jullie soms offers aan mij gebracht toen jullie veertig jaar in de woestijn waren? 43Nee! Jullie liepen rond met beelden van afgoden die jullie zelf gemaakt hadden. Met het beeld van Refan, de god van de sterren. En met de tent van de god Moloch. Wacht maar! Ik zal jullie uit Israël weghalen en naar een plaats brengen ver voorbij de stad Babylon.»

Mozes maakte de heilige tent

44God zei tegen Mozes dat hij een tent moest maken. En God liet hem zien hoe die tent eruit moest zien. Die heilige tent hadden onze voorouders bij zich in de woestijn. 45Ze namen hem ook mee naar het land Kanaän. Dat land veroverden ze onder leiding van Jozua. De volken die daar woonden, werden door God verjaagd.

De tent bleef bij het volk tot aan de tijd van David.

Salomo bouwde een tempel

46God hield veel van David. David wilde een tempel bouwen waar het volk God kon vereren. 47Maar het was uiteindelijk Salomo die de tempel bouwde. Het was een tempel waarin God moest wonen. 48-49Maar God woont helemaal niet in een tempel die door mensen gemaakt is!

God zegt zelf in het boek van de profeet Jesaja: «Jullie willen een tempel voor mij bouwen waar ik kan wonen. Maar dat kan niet, want ik ben groter dan jullie denken! Ik ben koning van de hemel, ik heers over de aarde. 50Ik heb alles zelf gemaakt. Door mij zijn de hemel en de aarde ontstaan.»’

Stefanus waarschuwt de Joodse leiders

51Toen Stefanus dat allemaal gezegd had, zei hij tegen de Joodse leiders: ‘Jullie zijn eigenwijs en ongelovig! Jullie willen niet luisteren naar God. En jullie verzetten je tegen de heilige Geest. Jullie zijn net zo ongehoorzaam als jullie voorouders!

52Jullie voorouders hebben alle profeten slecht behandeld. Ze hebben de profeten die lang geleden al over de messias vertelden, zelfs gedood. Toch is de messias gekomen. En toen hebben jullie de messias verraden en vermoord!

53Lang geleden hebben jullie de wet van God gekregen via de engelen. Maar jullie hebben je niet aan de wet gehouden.’

De Joodse leiders doden Stefanus

54Toen de Joodse leiders dat hoorden, werden ze vreselijk kwaad op Stefanus. Ze kwamen dreigend op hem af. 55Maar Stefanus werd geleid door de heilige Geest. Hij keek omhoog naar de hemel. Daar zag hij het schitterende licht van God. En rechts van God zag hij Jezus staan.

56Stefanus zei: ‘Ik zie dat de hemel open is. En ik zie de Mensenzoon staan naast God.’ 57Maar de vijanden van Stefanus wilden niet luisteren, ze schreeuwden en vielen hem met z’n allen aan. 58En ze sleepten hem de stad uit om hem te doden.

De mannen die Stefanus hadden beschuldigd, legden hun jassen neer bij een jonge man. Hij heette Saulus. 59Toen begonnen ze stenen te gooien naar Stefanus. Die riep: ‘Heer Jezus, mijn leven is in uw handen!’

60Daarna knielde hij en riep: ‘Heer, straf hen niet voor deze misdaad.’ Dat waren zijn laatste woorden. Zo stierf hij.

8

Saulus gaat de gelovigen vervolgen

81-3Stefanus werd begraven door mannen die trouw waren aan God. Zij klaagden en rouwden om zijn dood.

Maar Saulus rouwde niet, want hij was het eens met de moord op Stefanus. Hij begon de gelovigen in Jeruzalem te vervolgen. Hij ging hun huizen langs, sleepte mannen en vrouwen naar buiten en bracht ze naar de gevangenis.

Zo werden de gelovigen vervolgd, vanaf de dag dat Stefanus vermoord werd. Daarom vluchtten ze allemaal naar Judea of Samaria. Alleen de apostelen bleven in Jeruzalem.

Het werk van Filippus

Filippus vertelt over Jezus

4De gelovigen uit Jeruzalem vluchtten naar allerlei plaatsen. Overal vertelden ze het goede nieuws over Jezus.

5Filippus ging naar de stad Samaria. Daar vertelde hij dat Jezus de messias is. 6Alle mensen luisterden goed naar wat Filippus vertelde. Want ze zagen dat hij wonderen deed. 7Veel mensen werden bevrijd van kwade geesten, die schreeuwend uit hen weggingen. En veel mensen die niet konden lopen, werden beter gemaakt. 8Iedereen in de stad was blij om wat er gebeurde.

Simon de tovenaar laat zich dopen

9In Samaria woonde al heel lang een man die toverkunsten kon doen. Die man heette Simon. Hij zei van zichzelf dat hij heel bijzonder was. De inwoners van Samaria waren diep onder de indruk van hem. 10Ze dachten: ‘Dit is de man die Gods kracht in zich heeft.’ Daarom luisterde iedereen goed naar hem.

11Ze luisterden zo goed naar Simon omdat ze steeds weer onder de indruk waren van zijn toverkunsten. 12Maar toen Filippus vertelde over Gods nieuwe wereld en over Jezus Christus, gingen de mensen daarin geloven. Mannen en vrouwen lieten zich dopen.

13Ook Simon ging geloven en liet zich dopen. Hij bleef steeds bij Filippus in de buurt. Hij was diep onder de indruk van alle wonderen die Filippus deed.

Petrus en Johannes komen naar Samaria

14De apostelen in Jeruzalem hoorden dat de inwoners van Samaria waren gaan geloven in het goede nieuws over Jezus. Daarom stuurden ze Petrus en Johannes naar hen toe.

15-16De inwoners van Samaria waren gedoopt in de naam van Jezus Christus. Maar de heilige Geest was nog niet in hen gekomen. Daarom begonnen Petrus en Johannes te bidden. Ze vroegen aan God of hij de heilige Geest wilde sturen. 17Na het gebed legden Petrus en Johannes hun handen op de mensen. En zo kregen de inwoners van Samaria de heilige Geest.

De heilige Geest is niet te koop

18-19De mensen in Samaria kregen de heilige Geest doordat Petrus en Johannes hun handen op hen legden. Toen Simon dat zag, zei hij tegen Petrus en Johannes: ‘Geef die macht ook aan mij! Dan kan iemand ook de heilige Geest krijgen als ik mijn handen op hem leg. Ik betaal jullie ervoor. Hier is het geld.’

20Maar toen zei Petrus tegen hem: ‘Jij en je geld horen in de hel! Jij denkt dat Gods heilige Geest te koop is! 21Jij hoort niet bij ons, want je wilt niet God dienen, maar jezelf.

22-23Ik zie dat je hart vol kwaad zit, en dat je ontzettend jaloers op ons bent. Misschien zal God je vergeven. Maar dan moet je bidden, en laten zien dat je spijt hebt van je slechte gedachten.’ 24Toen zei Simon: ‘Willen jullie voor mij bidden? Vraag aan de Heer of hij me niet straft.’

25Petrus en Johannes vertelden over de Heer Jezus en zijn boodschap. Daarna gingen ze terug naar Jeruzalem. Onderweg vertelden ze het goede nieuws in veel dorpen in het gebied Samaria.

Filippus ontmoet een man uit Ethiopië

26-27Een engel van de Heer zei tegen Filippus: ‘Je moet op reis gaan. Ga naar de weg die van Jeruzalem naar de stad Gaza loopt. Zorg dat je daar midden op de dag bent.’

Filippus deed wat de engel zei. De weg was verlaten. Maar opeens kwam er iemand aan. Het was een man uit Ethiopië, een belangrijke ambtenaar van de koningin van dat land. Hij was het hoofd van de koninklijke schatkamers. De man was in Jeruzalem geweest om de God van Israël te eren. 28En nu was hij op de terugweg. Hij zat in zijn reiswagen te lezen in het boek van de profeet Jesaja.

29De heilige Geest zei tegen Filippus: ‘Ga naar de man in die wagen toe.’ 30Filippus liep er snel heen. Hij hoorde de man hardop lezen en vroeg: ‘Begrijpt u wat u leest?’ 31De man antwoordde: ‘Nee, want niemand legt het mij uit.’ Toen vroeg hij Filippus om in de wagen te stappen en naast hem te komen zitten.

Filippus legt uit wat Jesaja bedoelt

32De man las het volgende voor uit het boek Jesaja: «Hij zweeg, hij deed zijn mond niet open. Hij was zo stil als een lam dat geschoren wordt. Hij werd meegenomen als een schaap dat geslacht gaat worden. 33De mensen hebben hem slecht behandeld, maar God heeft hem gered. Nu is zijn leven op aarde voorbij. Wie zal er nog over hem vertellen?»

34De man vroeg aan Filippus: ‘Over wie zegt de profeet dat? Gaat het over hemzelf of over iemand anders?’ 35Toen vertelde Filippus hem dat het over Jezus ging. En hij legde hem de tekst uit. Zo vertelde hij hem het goede nieuws.

Filippus doopt de man uit Ethiopië

36-37Onderweg kwamen ze bij een plaats waar water was. De man zei tegen Filippus: ‘Kijk, ik zie daar water. Mag ik gedoopt worden?’ 38Toen liet Filippus de wagen stoppen, en ze gingen samen het water in. Daar doopte Filippus de man.

39Toen ze uit het water kwamen, werd Filippus meegenomen door de Geest van de Heer. De man uit Ethiopië zag hem niet meer. Daarna reisde de man verder, blij en gelukkig.

40Intussen was Filippus in de stad Azotus gekomen. Daarvandaan reisde hij naar de stad Caesarea. Onderweg vertelde hij in alle steden het goede nieuws over Jezus.

9

Saulus gaat geloven

Saulus blijft de gelovigen vervolgen

91-2Saulus was nog steeds een gevaar voor de volgelingen van de Heer Jezus. Hij wilde naar de stad Damascus om ook daar naar gelovigen te zoeken. Maar eerst ging hij naar de hogepriester. Hij vroeg of die hem brieven wilde meegeven voor de synagogen in Damascus. Want hij wilde toestemming hebben om alle gelovigen gevangen te nemen en hen naar Jeruzalem te brengen.

Saulus hoort de stem van Jezus

3Saulus vertrok naar Damascus. Toen hij daar bijna was, straalde er plotseling een licht uit de hemel om hem heen. 4Saulus viel op de grond en hoorde een stem zeggen: ‘Saulus, Saulus, waarom vervolg je mij?’ 5Saulus vroeg: ‘Heer, wie bent u?’ De stem zei: ‘Ik ben Jezus. Ik ben degene die jij vervolgt. 6Sta op en ga de stad in. Daar zal iemand je vertellen wat je moet doen.’

7De mannen die met Saulus meereisden, hoorden wel een stem, maar ze zagen niemand. Ze waren zo verbaasd, dat ze niets wisten te zeggen.

8Saulus stond op van de grond. Zijn ogen waren open, maar toch kon hij niets zien. De mannen die bij hem waren, pakten zijn hand en brachten hem naar Damascus.

9Drie dagen lang kon Saulus niets zien. En al die tijd at en dronk hij niet.

Jezus stuurt Ananias naar Saulus toe

10In Damascus woonde een gelovige die Ananias heette. In een droom zei de Heer tegen hem: ‘Ananias!’ Ananias antwoordde: ‘Ik luister, Heer.’

11Toen zei de Heer tegen hem: ‘Ga naar het huis van Judas, in de Rechte Straat. Vraag daar naar een man die Saulus heet, en uit de stad Tarsus komt. Hij is aan het bidden, 12en hij heeft een droom gehad. In die droom heeft hij gezien dat er een man naar hem toe komt die Ananias heet. En die man zorgt ervoor dat hij weer kan zien.’

Ananias maakt Saulus beter

13Ananias zei: ‘Heer, Saulus heeft uw volgelingen in Jeruzalem veel kwaad gedaan. Dat heb ik van veel mensen gehoord. 14En hij is naar Damascus gekomen om iedereen die in u gelooft, gevangen te nemen. Hij heeft toestemming van de hogepriesters.’

15Maar de Heer zei: ‘Toch moet je gaan. Want ik heb Saulus uitgekozen om voor mij te werken. Hij moet over mij vertellen aan alle volken, aan koningen en aan de Israëlieten. 16Als dienaar van mij zal hij veel moeten lijden. Dat zal ik hem laten zien.’

17Toen ging Ananias op weg. Hij ging het huis in waar Saulus was, en legde zijn handen op hem. Hij zei: ‘Saulus, vriend, op de weg naar Damascus heb je de Heer Jezus gezien. Nu heeft hij mij naar jou toe gestuurd. Want hij wil dat je weer kunt zien, en dat de heilige Geest in je komt.’

18Meteen kon Saulus weer zien. Het was alsof er een blinddoek voor zijn ogen weggehaald werd. Saulus stond op en liet zich dopen. 19En toen hij gegeten had, kreeg hij zijn kracht terug.

Saulus vertelt dat Jezus de messias is

Saulus bleef nog een paar dagen bij de gelovigen in Damascus. 20Hij ging meteen in de synagogen vertellen dat Jezus de Zoon van God is.

21Iedereen die hem hoorde, was erg verbaasd. De mensen zeiden: ‘Dat is toch de man die in Jeruzalem de gelovigen vervolgde? Hij wilde alle volgelingen van Jezus gevangennemen en naar de hogepriesters brengen. Daarvoor is hij toch ook hierheen gekomen?’

22Saulus voelde zich steeds sterker. Hij bleef over Jezus vertellen, en hij maakte duidelijk dat Jezus de messias is. De Joden in Damascus wisten niet hoe ze op hem moesten reageren.

Saulus vlucht weg uit Damascus

23Na een tijdje namen de Joden het besluit om Saulus te doden. 24Dag en nacht bewaakten ze de poorten van de stad om hem te kunnen vermoorden. Maar Saulus hoorde van het plan. 25Op een nacht namen de gelovigen hem daarom mee naar de stadsmuur. En ze lieten hem in een mand over de muur naar beneden zakken.

Saulus gaat naar Jeruzalem

26Toen ging Saulus naar Jeruzalem. Daar zocht hij contact met de gelovigen, maar die waren bang voor hem. Ze geloofden niet dat hij een volgeling van Jezus was geworden.

27Maar Barnabas hielp Saulus, en bracht hem bij de apostelen. Saulus vertelde aan de apostelen hoe hij op de weg naar Damascus de Heer gezien had. En dat de Heer toen met hem gesproken had. Hij vertelde ook dat hij in Damascus zonder angst het goede nieuws over Jezus verteld had.

28Daarna bleef Saulus bij de apostelen. Samen met hen liep hij overal in Jeruzalem rond. En zonder angst vertelden ze aan iedereen het goede nieuws over de Heer Jezus.

Saulus gaat weg uit Jeruzalem

29Saulus had in Jeruzalem felle discussies met de Griekse Joden. Die maakten toen plannen om hem te doden. 30Toen de gelovigen dat hoorden, brachten ze Saulus naar de stad Caesarea. Daarvandaan stuurden ze hem naar de stad Tarsus.

31Overal in Judea, Galilea en Samaria konden de volgelingen van Jezus nu in vrede leven. Met hulp van de heilige Geest gingen er steeds meer mensen geloven. De kerk groeide, en alle gelovigen leefden zoals de Heer het wilde.

Petrus doet wonderen

Petrus geneest een man

32Petrus reisde intussen van de ene plek naar de andere. Hij kwam ook bij de gelovigen in Lydda. 33Daar zag hij een man die Eneas heette. Eneas kon niet lopen en lag al acht jaar op bed. 34Petrus zei tegen hem: ‘Eneas, Jezus Christus maakt je beter. Ga staan en maak je bed op.’ Meteen stond Eneas op.

35Alle inwoners van Lydda en de Saron-vlakte zagen Eneas lopen. En zij gingen in de Heer geloven.

Petrus maakt een vrouw weer levend

36In Joppe woonde een vrouw die een volgeling van Jezus was. Haar naam was Tabita, en in het Grieks heette ze Dorkas. Ze deed veel goede dingen en gaf vaak geld aan arme mensen. 37Maar ze werd ziek, en stierf. Haar lichaam werd gewassen en neergelegd in een kamer boven in haar huis.

38De gelovigen in Joppe hadden gehoord dat Petrus in Lydda was. Lydda is niet ver van Joppe. Daarom stuurden ze twee mannen naar Petrus om tegen hem te zeggen: ‘Kom meteen naar ons toe!’ 39Petrus ging met de mannen mee.

In Joppe brachten ze Petrus naar de kamer waar Tabita lag. Daar stonden een paar arme vrouwen te huilen. Ze kwamen naar Petrus toe. En ze lieten hem alle kleren zien die Tabita pas nog voor hen gemaakt had.

40Toen stuurde Petrus iedereen de kamer uit. Hij knielde en bad. Daarna ging hij bij het lichaam staan. Hij zei: ‘Tabita, sta op!’ De vrouw deed haar ogen open. En toen ze Petrus zag, ging ze rechtop zitten. 41Petrus pakte haar hand en liet haar opstaan. Hij riep de vrouwen en de andere gelovigen, en bracht Tabita levend naar hen toe.

42Iedereen in Joppe hoorde wat er gebeurd was. En veel mensen gingen in de Heer geloven.

43Petrus bleef nog een tijd in Joppe. Hij logeerde bij iemand die Simon heette. Simon maakte leer van dierenhuiden.