Bijbel in Gewone Taal (BGT)
3

Petrus en Johannes doen een wonder

Petrus en Johannes genezen een man

31Op een keer gingen Petrus en Johannes naar de tempel. Het was drie uur, de tijd voor het middaggebed. 2Bij de Mooie Poort van de tempel zat een man die al zijn hele leven niet kon lopen. Elke dag brachten mensen hem naar de poort. Dan kon hij om geld vragen aan iedereen die de tempel in ging.

3De man zag Petrus en Johannes aankomen, en hij vroeg hun om geld. 4Petrus en Johannes keken naar de man en zeiden: ‘Kijk ons aan.’ 5Dat deed de man, want hij dacht dat hij iets zou krijgen. 6Maar Petrus zei: ‘Ik heb geen goud of zilver voor je. Maar ik kan je wel iets anders geven.’ Toen zei hij: ‘Namens Jezus Christus uit Nazaret zeg ik je: Sta op en ga lopen.’

7Daarna pakte Petrus de man bij zijn rechterhand en trok hem overeind. En meteen kreeg de man weer kracht in zijn voeten en zijn benen. 8Hij sprong op en begon te lopen. En samen met Petrus en Johannes ging hij de tempel in. Daar bleef hij rondlopen en springen, en hij dankte God.

De mensen zijn diep onder de indruk

9Alle mensen zagen de man lopen, en ze hoorden hoe hij God dankte. 10Ze waren verbaasd. Want ze herkenden de man die altijd bij de Mooie Poort zat en om geld vroeg. Iedereen was diep onder de indruk van wat er met hem gebeurd was.

11De man bleef maar achter Petrus en Johannes aan lopen. Ze kwamen in een gedeelte van de tempel dat de Zuilengang van Salomo genoemd werd. Daar kwamen steeds meer mensen naar hen toe. Die waren allemaal erg verbaasd.

Petrus vertelt over Jezus

12Toen zei Petrus: ‘Israëlieten, waarom zijn jullie zo verbaasd? En waarom kijken jullie zo naar ons? Het komt niet door onze kracht of door ons geloof dat deze man nu kan lopen. Het komt door Jezus.

13De God van onze voorouders Abraham, Isaak en Jakob, heeft de hoogste eer gegeven aan zijn dienaar Jezus. Maar jullie hebben Jezus aan Pilatus uitgeleverd. En jullie wilden niet dat Pilatus hem weer vrijliet. 14Jezus was goed en eerlijk, en hij hoorde bij God. Maar jullie wilden Jezus niet, jullie vroegen aan Pilatus om een moordenaar vrij te laten in plaats van Jezus! 15Zo hebben jullie de man gedood die ons het eeuwige leven kwam geven. Maar God heeft hem laten opstaan uit de dood. Dat hebben wij gezien, en dat willen we doorvertellen.

16Deze man die jullie hier zien en die jullie goed kennen, geloofde in de kracht van Jezus. Daardoor kan hij nu lopen. Het geloof dat Jezus hem gaf, heeft hem helemaal gezond gemaakt. Dat kunnen jullie allemaal zelf zien.

Jezus is de messias

17Vrienden, jullie begrepen niet wat jullie deden toen jullie Jezus lieten doden. En jullie leiders begrepen ook niet wat ze deden. 18Maar het moest zo gebeuren. De messias moest lijden. Dat heeft God al gezegd in de heilige boeken van de profeten.

19Nu moeten jullie je leven veranderen en weer doen wat God wil. Dan zal hij jullie alles vergeven wat jullie verkeerd gedaan hebben. 20En dan zal hij ervoor zorgen dat er een goede tijd komt. Want hij zal Jezus weer naar jullie toe sturen. Jezus is de messias die voor jullie uitgekozen is.

De profeten vertelden al over Jezus

21Jezus moet in de hemel blijven totdat de tijd komt dat God alles weer in orde maakt. Over die tijd heeft God lang geleden al gesproken. Zijn heilige profeten hebben daar al over verteld.

22Mozes heeft gezegd: «De Heer, jullie God, zal iemand uit jullie eigen volk als profeet naar jullie toe sturen. Dat zal net zo’n profeet zijn als ik. Jullie moeten luisteren naar alles wat hij zal zeggen. 23Als jullie niet doen wat hij zegt, mogen jullie niet meer bij het volk van God horen.» 24Ook Samuel heeft daarover gesproken, net als alle profeten na hem.

25De woorden van de profeten zijn voor jullie bedoeld. En ook Gods belofte aan jullie voorouders is voor jullie bedoeld. God beloofde aan Abraham: «Door een nakomeling van jou zullen alle volken op aarde gelukkig worden.» 26Die nakomeling is Jezus. God heeft hem als zijn dienaar uitgekozen. En hij heeft hem eerst naar jullie toe gestuurd. Jezus moest ervoor zorgen dat jullie ophielden met je slechte gedrag. Dan zouden jullie allemaal gelukkig worden.’

4

Petrus en Johannes in de gevangenis

41Terwijl Petrus en Johannes nog aan het praten waren, kwamen er mensen op hen af. Het waren priesters, sadduceeën en de hoogste tempelofficier. 2Ze waren kwaad. Want Petrus en Johannes gaven het volk uitleg over God. En ze vertelden dat de doden zouden opstaan, net zoals Jezus uit de dood was opgestaan. 3Daarom werden Petrus en Johannes opgepakt en naar de gevangenis gebracht. Omdat het al avond was, moesten ze daar blijven tot de volgende dag.

4Maar veel mensen die naar Petrus en Johannes hadden staan luisteren, gingen geloven. In totaal waren er nu ongeveer vijfduizend gelovigen.

Petrus en Johannes bij de Joodse leiders

5De volgende dag kwamen de leiders van het volk en de wetsleraren bij elkaar in Jeruzalem. 6Ook hogepriester Annas was er. En Kajafas, Johannes en Alexander, en alle andere familieleden van de hogepriester.

7Ze lieten Petrus en Johannes bij zich brengen en vroegen: ‘Hoe komen jullie aan de macht om die zieke man beter te maken? Namens wie hebben jullie dat gedaan?’

8Toen kwam de heilige Geest in Petrus, en Petrus zei: ‘Leiders van het volk, 9wij moeten ons hier vandaag verdedigen omdat we een zieke man geholpen hebben. De man is genezen, en jullie willen weten hoe dat komt. 10Mijn antwoord aan jullie en aan het hele volk van Israël is dit: Deze man, die hier nu staat, is weer gezond door de macht van Jezus Christus uit Nazaret. Jullie hebben Jezus gedood door hem aan het kruis te hangen. Maar God heeft hem uit de dood laten opstaan. 11Jullie dachten dat Jezus niet belangrijk was. Maar hij is belangrijker dan alle andere mensen. 12Hij is de redder die God gestuurd heeft. Er is niemand anders op de wereld die ons kan redden.’

De Joodse leiders zijn verbaasd

13De Joodse leiders zagen dat Petrus en Johannes zonder angst vertelden over hun geloof. Daar waren ze erg verbaasd over. Want Petrus en Johannes waren maar eenvoudige mensen die niet veel geleerd hadden.

De Joodse leiders wisten dat Petrus en Johannes volgelingen van Jezus waren. 14En ze zagen dat de zieke man echt beter geworden was. Ze wisten niet goed hoe ze op Petrus en Johannes moesten reageren.

Petrus en Johannes moeten zwijgen

15De Joodse leiders zeiden dat Petrus en Johannes buiten moesten wachten. Daarna overlegden ze met elkaar. 16Ze zeiden: ‘Wat moeten we met die mannen doen? Alle mensen die in Jeruzalem wonen, weten dat ze een wonder gedaan hebben. Dat is voor iedereen duidelijk. Dus dat moeten we wel toegeven. 17Maar laten we hun verbieden om nog langer over Jezus te spreken. Dan wordt hij in ieder geval niet verder bekend bij het volk.’

Petrus en Johannes gehoorzamen niet

18Toen moesten Petrus en Johannes weer binnenkomen. De Joodse leiders zeiden: ‘Wij verbieden jullie om de mensen dingen te leren over Jezus.’

19Maar Petrus en Johannes zeiden: ‘God zou het niet goed vinden als we wel naar jullie luisteren, maar niet naar hem. Dat zijn jullie toch met ons eens? 20Dus wij moeten wel vertellen over de dingen die we gezien en gehoord hebben.’

21De Joodse leiders verboden Petrus en Johannes opnieuw om over Jezus te spreken. Maar daarna lieten ze hen vrij. Ze durfden hen niet te straffen. Want het volk dankte God om alles wat er gebeurd was. 22De man die door het wonder genezen was, was namelijk meer dan veertig jaar ziek geweest.

De apostelen bidden tot God

23Toen Petrus en Johannes weer vrij waren, gingen ze terug naar de andere apostelen. Ze vertelden hun alles wat de Joodse leiders gezegd hadden. 24Toen de apostelen dat hoorden, begonnen ze samen tot God te bidden: ‘Heer, u hebt de hemel en de aarde en de zee gemaakt. U hebt alles gemaakt wat daar leeft. 25-26U hebt door de heilige Geest tegen onze voorvader David gesproken. Hij was uw dienaar en u liet hem zeggen: «Waarom komen alle volken in opstand? Waarom verzetten hun koningen zich tegen de Heer en tegen de messias die hij uitgekozen heeft? Waarom maken die koningen samen slechte plannen? Dat is allemaal zinloos!»

27Die dingen zijn inderdaad gebeurd. Want koning Herodes en Pontius Pilatus zijn in Jeruzalem bij elkaar gekomen. Ze hebben zich verzet tegen uw heilige dienaar Jezus, die uw messias is. En ook de ongelovigen en het volk van Israël deden mee. 28Zo hebben ze gedaan wat u lang geleden al bepaald had. U had al besloten dat het zou gebeuren.

29Nu bidden wij tot u, Heer: Wij zijn uw dienaren. Bescherm ons tegen onze vijanden, en laat ons zonder angst uw boodschap vertellen. 30Zorg ervoor dat we zieke mensen beter kunnen maken. En laat ons wonderen doen namens Jezus, uw heilige dienaar.’

31Na dat gebed begon de aarde te schudden op de plaats waar ze bij elkaar waren. En de heilige Geest kwam in alle apostelen. Ze begonnen zonder angst het goede nieuws over Jezus te vertellen.

De gelovigen zorgen voor elkaar

De gelovigen delen alles samen

32De groep van gelovigen was een eenheid. Ze waren het over alles met elkaar eens. Niemand wilde zijn bezit alleen voor zichzelf houden. In plaats daarvan deelden ze alles wat ze hadden. 33En de apostelen bleven met grote kracht spreken over de opstanding van de Heer Jezus.

God liet op veel manieren zien hoe goed hij voor de gelovigen was. 34Ze hadden allemaal genoeg te eten. Als iemand een huis had of een stuk land, verkocht hij dat. En het geld dat hij ervoor kreeg, bracht hij naar de apostelen. 35Die deelden het uit aan alle mensen die iets nodig hadden.

36-37Ook een man die Josef heette, verkocht een stuk land. Hij was een Leviet, en hij kwam van het eiland Cyprus. De apostelen noemden hem ook wel Barnabas. Dat betekent: iemand die mensen troost. Josef verkocht zijn stuk land, en bracht het geld naar de apostelen.

5

Ananias is oneerlijk

51Er was een man die Ananias heette. Zijn vrouw heette Saffira. Samen verkochten ze een stuk land, 2en Ananias bracht het geld naar de apostelen. Maar hij hield stiekem een deel van het geld voor zichzelf. Dat had hij zo afgesproken met zijn vrouw.

3-4Maar Petrus zei: ‘Ananias, je hebt geluisterd naar Satan en je hebt de heilige Geest bedrogen. Want je deed alsof je de hele opbrengst gaf. Waarom heb je dat gedaan? Je had je land gewoon voor jezelf kunnen houden. Of je had het geld voor jezelf kunnen gebruiken. Maar nu ben je oneerlijk geweest, en niet tegen de mensen, maar tegen God!’

5-6Toen Ananias de woorden van Petrus hoorde, viel hij dood neer. Een paar jonge mannen wikkelden zijn lichaam in een doek. En ze droegen hem weg om hem te begraven.

Iedereen die hoorde wat er gebeurd was, schrok erg.

Ook Saffira is oneerlijk

7Ongeveer drie uur later kwam Saffira bij Petrus. Zij wist niet wat er gebeurd was. 8Petrus vroeg aan haar: ‘Is dit al het geld dat jullie voor het land gekregen hebben?’ Ze zei: ‘Ja, dat is al het geld.’

9Toen zei Petrus: ‘Waarom hebben jullie afgesproken om je te verzetten tegen de Geest van de Heer? Kijk, daar komen de mannen aan die Ananias begraven hebben. Nu zullen ze ook jou gaan begraven.’ 10En meteen viel Saffira dood neer.

Toen de jonge mannen binnenkwamen, zagen ze haar liggen. Ze droegen haar naar buiten en begroeven haar naast haar man.

11Alle gelovigen schrokken erg, net als alle andere mensen die het hoorden.

De apostelen in de gevangenis

De apostelen maken veel mensen beter

12-13De gelovigen kwamen steeds bij elkaar in de tempel, in de Zuilengang van Salomo. En het volk had veel waardering voor hen. Toch durfde niemand zich bij hen aan te sluiten.

De apostelen deden veel wonderen voor de mensen. 14En er kwamen steeds meer mensen bij die in de Heer geloofden, grote groepen mannen en vrouwen. 15-16Ook uit de steden rondom Jeruzalem kwamen veel mensen naar de apostelen toe. Ze brachten zieken mee, en mensen die een kwade geest in zich hadden. Die werden allemaal beter gemaakt. Er werden zelfs zieken buiten op straat gelegd, op draagbedden en slaapmatten. Ze hoopten dat Petrus voorbij zou lopen, en dat ze dan gezond zouden worden door zijn schaduw.

De apostelen worden gevangengenomen

17Toen werden de hogepriester en de sadduceeën die hem steunden, jaloers op de apostelen. Ze besloten in actie te komen. 18Ze lieten de apostelen oppakken en naar de gevangenis brengen.

19Maar ’s nachts opende een engel van de Heer de deur van de gevangenis. De engel bracht de apostelen naar buiten en zei: 20‘Ga terug naar de tempel en vertel de mensen daar dat Jezus is opgestaan uit de dood.’

21Ze deden wat de engel zei. ’s Ochtends vroeg gingen ze terug naar de tempel en ze begonnen uitleg te geven over Jezus.

De gevangenis is leeg

Diezelfde ochtend vergaderden de hogepriester, de sadduceeën en alle andere Joodse leiders. Ze stuurden dienaren naar de gevangenis om de apostelen te halen. 22Maar de gevangenis was leeg. De dienaren kwamen terug en vertelden: 23‘De gevangenis was goed op slot en de bewakers stonden bij de deur. Maar toen we de deur opendeden, was er niemand!’

24Toen de priesters en de hoogste tempelofficier dat hoorden, schrokken ze heel erg. Ze wisten niet wat ze ervan moesten denken. 25Op dat moment kwam iemand vertellen: ‘De mannen die in de gevangenis zaten, zijn in de tempel. Daar geven ze de mensen uitleg over Jezus!’

26De hoogste tempelofficier ging samen met zijn dienaren de apostelen ophalen. Maar ze gebruikten geen geweld. Want ze waren bang dat ze dan zelf door de mensen gedood zouden worden.

De apostelen bij de Joodse leiders

27De apostelen werden meegenomen en naar de Joodse leiders gebracht. De hogepriester zei tegen hen: 28‘Wij hebben jullie verboden om de mensen dingen te leren over Jezus. Maar jullie zijn daar toch mee doorgegaan. Nu praat de hele stad over hem. En jullie geven ons de schuld van zijn dood.’

29Petrus en de apostelen antwoordden: ‘Het is belangrijker om naar God te luisteren dan naar mensen. 30Jullie hebben Jezus aan het kruis gehangen en hem gedood. Maar de God van onze voorouders heeft hem uit de dood laten opstaan.

31God heeft Jezus de hoogste eer gegeven. Hij heeft hem uitgekozen als onze leider en onze redder. Door Jezus krijgt het volk van Israël de kans om een nieuw leven te beginnen. En om vergeving te krijgen voor al hun zonden. 32Over die dingen vertellen wij, met hulp van de heilige Geest, die in ons is. Want God geeft de heilige Geest aan de mensen die naar hem luisteren.’

Gamaliël houdt een toespraak

33De Joodse leiders hoorden wat de apostelen zeiden. Ze werden woedend, en wilden hen doden. 34Maar één van de leiders stond op. Het was de farizeeër Gamaliël. Hij was een wetsleraar voor wie het hele volk respect had.

Gamaliël zei dat de apostelen buiten moesten wachten. 35Daarna zei hij: ‘Mannen van Israël, denk goed na voordat jullie deze mannen doden! 36Want een tijdje geleden zei Teudas dat hij een bijzonder iemand was en dat hij het volk zou leiden. Hij kreeg ongeveer vierhonderd volgelingen. Maar toen werd hij gedood, en de groep van zijn volgelingen viel uit elkaar. Er bleef niets van over.

37Daarna kwam Judas uit Galilea. Hij begon een opstand tegen de Romeinen. Dat was in de tijd dat de keizer de inwoners van zijn rijk liet tellen. Maar ook Judas ging dood, en zijn volgelingen werden verjaagd.

38Daarom waarschuw ik jullie: Laat de volgelingen van Jezus met rust. Laat ze hun gang maar gaan. Want als hun werk niets met God te maken heeft, dan mislukt het toch wel. 39Maar als het Gods werk is, dan kunnen jullie niets tegen hen doen. Als jullie dat toch proberen, dan vechten jullie tegen God!’

De apostelen worden vrijgelaten

De andere leiders waren het met Gamaliël eens. 40Ze lieten de apostelen weer binnenkomen en zeiden: ‘Wij verbieden jullie om over Jezus te spreken.’ De apostelen werden geslagen, en daarna werden ze vrijgelaten.

41De apostelen gingen weg. Ze waren er trots op dat ze beledigd en geslagen waren vanwege Jezus. 42En ze bleven elke dag uitleg geven, in de tempel of bij iemand thuis. Ze vertelden het goede nieuws dat Jezus de messias is.