Bijbel in Gewone Taal (BGT)
2

De komst van de heilige Geest

De gelovigen krijgen de heilige Geest

21Toen het Joodse Pinksterfeest begon, waren alle gelovigen bij elkaar in een huis. 2Opeens kwam er uit de hemel een vreemd geluid. Het klonk alsof het hard begon te waaien. Het was overal in huis te horen. 3Ook zagen de gelovigen iets dat op vuur leek. Dat vuur verdeelde zich in vlammen, en op iedereen kwam een vlam neer.

4Zo kwam de heilige Geest in alle gelovigen. Daardoor begonnen ze te spreken in vreemde talen.

De gelovigen spreken vreemde talen

5Op dat moment waren er in Jeruzalem veel Joden uit alle delen van de wereld. Ze waren gekomen om het Pinksterfeest te vieren. 6Toen het geluid uit de hemel klonk, kwamen ze er allemaal op af. Ze begrepen er niets van. Want iedereen hoorde de gelovigen spreken in zijn eigen taal.

7Iedereen was erg verbaasd en zei: ‘De mensen die daar praten, komen allemaal uit Galilea. 8Hoe kan het dan dat we ze allemaal horen spreken in onze eigen taal? 9-11Wij komen allemaal ergens anders vandaan. Sommigen van ons komen uit landen in het oosten. Anderen komen uit landen in het noorden, het zuiden of het westen. Sommigen komen uit de grote stad Rome zelf. Weer anderen komen van het eiland Kreta, of uit de woestijn van Arabië. Er zijn hier Joden uit alle delen van de wereld. Er zijn ook mensen die uit andere volken komen en Joods geworden zijn. En toch horen we allemaal onze eigen taal! We horen dat er verteld wordt over de geweldige dingen die God doet.’

12De mensen snapten er helemaal niets van, en ze wisten niet wat ze ervan moesten denken. Ze vroegen aan elkaar: ‘Wat betekent dit toch allemaal?’ 13Maar anderen lachten om de gelovigen en zeiden: ‘Die mensen zijn gewoon dronken!’

Petrus vertelt over de profeet Joël

14Toen kwam Petrus naar voren. Hij begon de mensen toe te spreken en zei: ‘Beste mensen in Jeruzalem, ik zal jullie vertellen wat dit allemaal betekent. Luister goed naar mijn woorden. 15Jullie denken dat wij dronken zijn. Maar dat is niet zo, want het is nog maar negen uur in de ochtend!

16Nee, vandaag gebeurt er iets waarover de profeet Joël al gesproken heeft. In zijn boek staat: 17«God zegt: Als het einde van de tijd dichtbij is, zal ik mijn Geest geven aan de mensen. Aan mannen en vrouwen, aan oude en jonge mensen. Dan zullen ze dromen krijgen en als profeten spreken. 18Ja, ik zal mijn Geest geven aan alle mensen die mij dienen. Dan zullen ze mijn boodschap bekendmaken.

19Ik zal wonderen doen in de hemel, en bijzondere dingen laten zien op aarde. Jullie zullen bloed zien, en vuur en rookwolken. 20De zon zal zwart worden, en de maan zo rood als bloed. Als dat allemaal gebeurt, dan is de grote en geweldige dag dat ik kom, dichtbij. 21Op die dag zal iedereen gered worden die mij om hulp vraagt.»

Jezus is uit de dood opgestaan

22Luister naar wat ik jullie vertel over Jezus uit Nazaret. Jezus is door God gestuurd. Hij heeft machtige wonderen gedaan en bijzondere dingen laten zien. Dat kon hij doen omdat God hem de kracht daarvoor gaf. Dat weten jullie. 23Toch hebben jullie Jezus laten doden. Jullie hebben hem aan ongelovigen uitgeleverd en die hebben hem aan het kruis gehangen. Dat had God allemaal van tevoren bepaald.

24Maar Jezus is uit de dood opgestaan, God heeft hem uit de dood teruggehaald. De dood kon hem niet vasthouden. 25David zegt daarover in de heilige boeken: «Ik denk altijd aan God. Er kan mij niets ergs gebeuren, want hij is dicht bij mij. 26Daarom ben ik blij. Ik juich en zing. Ik blijf op God vertrouwen, zelfs als ik sterf. 27Want God zal mij terughalen uit de dood. Hij zal ervoor zorgen dat mijn lichaam bewaard blijft. 28God leert mij hoe ik moet leven. En hij maakt me gelukkig, omdat hij dicht bij mij is.»

David heeft over de messias gesproken

29Vrienden, onze voorvader David is dood en begraven. Jullie zullen niet verbaasd zijn als ik dat zeg. Want zijn graf is hier vlakbij. 30-31David zei die dingen dus niet over zichzelf. Hij sprak over de messias.

David was een profeet, hij wist wat er zou gaan gebeuren. God had hem plechtig beloofd: ‘De messias zal uit jouw familie komen.’ En David zei dat de messias zou opstaan uit de dood. Hij zei: ‘God zal hem terughalen uit de dood. Hij zal ervoor zorgen dat zijn lichaam bewaard blijft.’

32Al die dingen zijn nu gebeurd. Want God heeft Jezus laten opstaan uit de dood. Wij hebben Jezus zelf gezien.

Jezus is de messias

33Nu is Jezus in de hemel. Hij zit aan de rechterkant van God. Hij heeft de heilige Geest gekregen, zoals God beloofd had. En Jezus heeft die heilige Geest aan ons gegeven. Dat hebben jullie zelf kunnen zien en horen!

34David is niet omhooggegaan naar de hemel. En toch heeft hij gezegd: «God zei tegen mijn Heer: Kom naast mij zitten, aan de rechterkant. 35Ik zal je vijanden diep voor jou laten buigen.» Ook die woorden gaan dus niet over David zelf, maar over Jezus.

36Iedereen in Israël moet weten dat deze Jezus de Heer is. Iedereen moet weten dat God deze Jezus uitgekozen heeft als messias. Dat is dus de man die jullie aan het kruis gehangen hebben!’

De mensen moeten hun leven veranderen

37Toen de mensen de woorden van Petrus hoorden, werden ze ongerust. Ze vroegen aan hem en aan de andere apostelen: ‘Vrienden, wat moeten we doen?’

38-39Petrus zei: ‘Jullie moeten allemaal je leven veranderen, en je laten dopen in de naam van Jezus Christus. Dan zal de Heer, onze God, jullie zonden vergeven. En hij zal de heilige Geest aan jullie geven. Want dat heeft hij beloofd aan jullie en aan jullie nakomelingen. En ook aan alle andere mensen, overal op aarde. Alle mensen die God uitkiest, zullen worden gered.’

40Petrus zei nog veel meer over Jezus. En hij waarschuwde iedereen met deze woorden: ‘Zorg dat je gered wordt! Doe niet mee met de mensen die zich verzetten tegen God.’

Veel mensen laten zich dopen

41Veel mensen geloofden Petrus en lieten zich dopen. Er kwamen die dag ongeveer drieduizend gelovigen bij. 42Alle gelovigen gingen met elkaar om als mensen van één familie. Ze kregen van de apostelen uitleg over Jezus. En ze kwamen steeds bij elkaar om te bidden en om met elkaar het brood te delen.

43De apostelen deden veel wonderen, en iedereen was diep onder de indruk.

De gelovigen delen alles samen

44Alle gelovigen kwamen steeds bij elkaar. Ze deelden alles wat ze hadden. 45Ze verkochten hun bezittingen, en het geld gaven ze aan iedereen die het nodig had. 46Elke dag kwamen ze naar de tempel om samen te zijn. Bij elkaar thuis deelden ze het brood. Vol vreugde aten ze samen, en iedereen was even belangrijk. 47Ze eerden God, en het hele volk had veel waardering voor hen.

Elke dag kwamen er meer mensen bij die door God gered waren.

3

Petrus en Johannes doen een wonder

Petrus en Johannes genezen een man

31Op een keer gingen Petrus en Johannes naar de tempel. Het was drie uur, de tijd voor het middaggebed. 2Bij de Mooie Poort van de tempel zat een man die al zijn hele leven niet kon lopen. Elke dag brachten mensen hem naar de poort. Dan kon hij om geld vragen aan iedereen die de tempel in ging.

3De man zag Petrus en Johannes aankomen, en hij vroeg hun om geld. 4Petrus en Johannes keken naar de man en zeiden: ‘Kijk ons aan.’ 5Dat deed de man, want hij dacht dat hij iets zou krijgen. 6Maar Petrus zei: ‘Ik heb geen goud of zilver voor je. Maar ik kan je wel iets anders geven.’ Toen zei hij: ‘Namens Jezus Christus uit Nazaret zeg ik je: Sta op en ga lopen.’

7Daarna pakte Petrus de man bij zijn rechterhand en trok hem overeind. En meteen kreeg de man weer kracht in zijn voeten en zijn benen. 8Hij sprong op en begon te lopen. En samen met Petrus en Johannes ging hij de tempel in. Daar bleef hij rondlopen en springen, en hij dankte God.

De mensen zijn diep onder de indruk

9Alle mensen zagen de man lopen, en ze hoorden hoe hij God dankte. 10Ze waren verbaasd. Want ze herkenden de man die altijd bij de Mooie Poort zat en om geld vroeg. Iedereen was diep onder de indruk van wat er met hem gebeurd was.

11De man bleef maar achter Petrus en Johannes aan lopen. Ze kwamen in een gedeelte van de tempel dat de Zuilengang van Salomo genoemd werd. Daar kwamen steeds meer mensen naar hen toe. Die waren allemaal erg verbaasd.

Petrus vertelt over Jezus

12Toen zei Petrus: ‘Israëlieten, waarom zijn jullie zo verbaasd? En waarom kijken jullie zo naar ons? Het komt niet door onze kracht of door ons geloof dat deze man nu kan lopen. Het komt door Jezus.

13De God van onze voorouders Abraham, Isaak en Jakob, heeft de hoogste eer gegeven aan zijn dienaar Jezus. Maar jullie hebben Jezus aan Pilatus uitgeleverd. En jullie wilden niet dat Pilatus hem weer vrijliet. 14Jezus was goed en eerlijk, en hij hoorde bij God. Maar jullie wilden Jezus niet, jullie vroegen aan Pilatus om een moordenaar vrij te laten in plaats van Jezus! 15Zo hebben jullie de man gedood die ons het eeuwige leven kwam geven. Maar God heeft hem laten opstaan uit de dood. Dat hebben wij gezien, en dat willen we doorvertellen.

16Deze man die jullie hier zien en die jullie goed kennen, geloofde in de kracht van Jezus. Daardoor kan hij nu lopen. Het geloof dat Jezus hem gaf, heeft hem helemaal gezond gemaakt. Dat kunnen jullie allemaal zelf zien.

Jezus is de messias

17Vrienden, jullie begrepen niet wat jullie deden toen jullie Jezus lieten doden. En jullie leiders begrepen ook niet wat ze deden. 18Maar het moest zo gebeuren. De messias moest lijden. Dat heeft God al gezegd in de heilige boeken van de profeten.

19Nu moeten jullie je leven veranderen en weer doen wat God wil. Dan zal hij jullie alles vergeven wat jullie verkeerd gedaan hebben. 20En dan zal hij ervoor zorgen dat er een goede tijd komt. Want hij zal Jezus weer naar jullie toe sturen. Jezus is de messias die voor jullie uitgekozen is.

De profeten vertelden al over Jezus

21Jezus moet in de hemel blijven totdat de tijd komt dat God alles weer in orde maakt. Over die tijd heeft God lang geleden al gesproken. Zijn heilige profeten hebben daar al over verteld.

22Mozes heeft gezegd: «De Heer, jullie God, zal iemand uit jullie eigen volk als profeet naar jullie toe sturen. Dat zal net zo’n profeet zijn als ik. Jullie moeten luisteren naar alles wat hij zal zeggen. 23Als jullie niet doen wat hij zegt, mogen jullie niet meer bij het volk van God horen.» 24Ook Samuel heeft daarover gesproken, net als alle profeten na hem.

25De woorden van de profeten zijn voor jullie bedoeld. En ook Gods belofte aan jullie voorouders is voor jullie bedoeld. God beloofde aan Abraham: «Door een nakomeling van jou zullen alle volken op aarde gelukkig worden.» 26Die nakomeling is Jezus. God heeft hem als zijn dienaar uitgekozen. En hij heeft hem eerst naar jullie toe gestuurd. Jezus moest ervoor zorgen dat jullie ophielden met je slechte gedrag. Dan zouden jullie allemaal gelukkig worden.’

4

Petrus en Johannes in de gevangenis

41Terwijl Petrus en Johannes nog aan het praten waren, kwamen er mensen op hen af. Het waren priesters, sadduceeën en de hoogste tempelofficier. 2Ze waren kwaad. Want Petrus en Johannes gaven het volk uitleg over God. En ze vertelden dat de doden zouden opstaan, net zoals Jezus uit de dood was opgestaan. 3Daarom werden Petrus en Johannes opgepakt en naar de gevangenis gebracht. Omdat het al avond was, moesten ze daar blijven tot de volgende dag.

4Maar veel mensen die naar Petrus en Johannes hadden staan luisteren, gingen geloven. In totaal waren er nu ongeveer vijfduizend gelovigen.

Petrus en Johannes bij de Joodse leiders

5De volgende dag kwamen de leiders van het volk en de wetsleraren bij elkaar in Jeruzalem. 6Ook hogepriester Annas was er. En Kajafas, Johannes en Alexander, en alle andere familieleden van de hogepriester.

7Ze lieten Petrus en Johannes bij zich brengen en vroegen: ‘Hoe komen jullie aan de macht om die zieke man beter te maken? Namens wie hebben jullie dat gedaan?’

8Toen kwam de heilige Geest in Petrus, en Petrus zei: ‘Leiders van het volk, 9wij moeten ons hier vandaag verdedigen omdat we een zieke man geholpen hebben. De man is genezen, en jullie willen weten hoe dat komt. 10Mijn antwoord aan jullie en aan het hele volk van Israël is dit: Deze man, die hier nu staat, is weer gezond door de macht van Jezus Christus uit Nazaret. Jullie hebben Jezus gedood door hem aan het kruis te hangen. Maar God heeft hem uit de dood laten opstaan. 11Jullie dachten dat Jezus niet belangrijk was. Maar hij is belangrijker dan alle andere mensen. 12Hij is de redder die God gestuurd heeft. Er is niemand anders op de wereld die ons kan redden.’

De Joodse leiders zijn verbaasd

13De Joodse leiders zagen dat Petrus en Johannes zonder angst vertelden over hun geloof. Daar waren ze erg verbaasd over. Want Petrus en Johannes waren maar eenvoudige mensen die niet veel geleerd hadden.

De Joodse leiders wisten dat Petrus en Johannes volgelingen van Jezus waren. 14En ze zagen dat de zieke man echt beter geworden was. Ze wisten niet goed hoe ze op Petrus en Johannes moesten reageren.

Petrus en Johannes moeten zwijgen

15De Joodse leiders zeiden dat Petrus en Johannes buiten moesten wachten. Daarna overlegden ze met elkaar. 16Ze zeiden: ‘Wat moeten we met die mannen doen? Alle mensen die in Jeruzalem wonen, weten dat ze een wonder gedaan hebben. Dat is voor iedereen duidelijk. Dus dat moeten we wel toegeven. 17Maar laten we hun verbieden om nog langer over Jezus te spreken. Dan wordt hij in ieder geval niet verder bekend bij het volk.’

Petrus en Johannes gehoorzamen niet

18Toen moesten Petrus en Johannes weer binnenkomen. De Joodse leiders zeiden: ‘Wij verbieden jullie om de mensen dingen te leren over Jezus.’

19Maar Petrus en Johannes zeiden: ‘God zou het niet goed vinden als we wel naar jullie luisteren, maar niet naar hem. Dat zijn jullie toch met ons eens? 20Dus wij moeten wel vertellen over de dingen die we gezien en gehoord hebben.’

21De Joodse leiders verboden Petrus en Johannes opnieuw om over Jezus te spreken. Maar daarna lieten ze hen vrij. Ze durfden hen niet te straffen. Want het volk dankte God om alles wat er gebeurd was. 22De man die door het wonder genezen was, was namelijk meer dan veertig jaar ziek geweest.

De apostelen bidden tot God

23Toen Petrus en Johannes weer vrij waren, gingen ze terug naar de andere apostelen. Ze vertelden hun alles wat de Joodse leiders gezegd hadden. 24Toen de apostelen dat hoorden, begonnen ze samen tot God te bidden: ‘Heer, u hebt de hemel en de aarde en de zee gemaakt. U hebt alles gemaakt wat daar leeft. 25-26U hebt door de heilige Geest tegen onze voorvader David gesproken. Hij was uw dienaar en u liet hem zeggen: «Waarom komen alle volken in opstand? Waarom verzetten hun koningen zich tegen de Heer en tegen de messias die hij uitgekozen heeft? Waarom maken die koningen samen slechte plannen? Dat is allemaal zinloos!»

27Die dingen zijn inderdaad gebeurd. Want koning Herodes en Pontius Pilatus zijn in Jeruzalem bij elkaar gekomen. Ze hebben zich verzet tegen uw heilige dienaar Jezus, die uw messias is. En ook de ongelovigen en het volk van Israël deden mee. 28Zo hebben ze gedaan wat u lang geleden al bepaald had. U had al besloten dat het zou gebeuren.

29Nu bidden wij tot u, Heer: Wij zijn uw dienaren. Bescherm ons tegen onze vijanden, en laat ons zonder angst uw boodschap vertellen. 30Zorg ervoor dat we zieke mensen beter kunnen maken. En laat ons wonderen doen namens Jezus, uw heilige dienaar.’

31Na dat gebed begon de aarde te schudden op de plaats waar ze bij elkaar waren. En de heilige Geest kwam in alle apostelen. Ze begonnen zonder angst het goede nieuws over Jezus te vertellen.

De gelovigen zorgen voor elkaar

De gelovigen delen alles samen

32De groep van gelovigen was een eenheid. Ze waren het over alles met elkaar eens. Niemand wilde zijn bezit alleen voor zichzelf houden. In plaats daarvan deelden ze alles wat ze hadden. 33En de apostelen bleven met grote kracht spreken over de opstanding van de Heer Jezus.

God liet op veel manieren zien hoe goed hij voor de gelovigen was. 34Ze hadden allemaal genoeg te eten. Als iemand een huis had of een stuk land, verkocht hij dat. En het geld dat hij ervoor kreeg, bracht hij naar de apostelen. 35Die deelden het uit aan alle mensen die iets nodig hadden.

36-37Ook een man die Josef heette, verkocht een stuk land. Hij was een Leviet, en hij kwam van het eiland Cyprus. De apostelen noemden hem ook wel Barnabas. Dat betekent: iemand die mensen troost. Josef verkocht zijn stuk land, en bracht het geld naar de apostelen.