Bijbel in Gewone Taal (BGT)
1

Jezus gaat naar de hemel

Lucas begint aan zijn tweede boek

11-2Beste Theofilus,

In mijn eerste boek heb ik geschreven over alles wat Jezus gezegd en gedaan heeft. Het eind van dat boek gaat over de dag dat Jezus naar de hemel ging. Op die dag sprak hij met de apostelen, die hij uitgekozen had met hulp van de heilige Geest. Jezus vertelde hun wat ze moesten doen. Daarna ging hij naar de hemel.

3De apostelen hebben gezien dat Jezus na zijn dood weer leefde. Hij heeft hun dat op allerlei manieren bewezen, veertig dagen lang. Hij kwam vaak bij hen, en dan sprak hij met hen over Gods nieuwe wereld.

Jezus geeft de apostelen een opdracht

4Op de dag dat Jezus naar de hemel ging, zei hij tegen de apostelen: ‘Jullie moeten in Jeruzalem blijven. Blijf daar wachten. Want mijn Vader heeft beloofd om jullie de heilige Geest te geven. Dat heb ik jullie al verteld. 5Het zal over een paar dagen gebeuren: dan zullen jullie met de heilige Geest gedoopt worden. Dat is anders dan toen Johannes mensen doopte, want Johannes doopte met water.’

6Toen vroegen de apostelen aan Jezus: ‘Heer, is dat dan het moment waarop u koning van Israël zult worden?’ 7Jezus antwoordde: ‘Jullie hoeven niet te weten wanneer dat zal gebeuren. Dat weet alleen mijn Vader. 8Maar jullie zullen kracht krijgen van de heilige Geest. En daarna moeten jullie overal in Jeruzalem over mij vertellen. En in heel Judea en Samaria, en overal op aarde.’

Jezus gaat naar de hemel

9Toen Jezus dat gezegd had, zagen de apostelen hem naar de hemel gaan. Een wolk nam hem mee, zodat ze hem niet meer konden zien.

10Terwijl de apostelen nog omhoog stonden te kijken, waren er opeens twee engelen bij hen. Ze hadden witte kleren aan. 11Ze zeiden: ‘Mannen uit Galilea, jullie moeten niet naar de lucht blijven kijken. Jezus is naar de hemel gegaan, maar hij zal terugkomen op de wolken.’

De apostelen gaan terug naar de stad

12Toen gingen de apostelen van de Olijfberg terug naar Jeruzalem. Die berg ligt vlak bij Jeruzalem, het is niet meer dan een kwartier lopen.

13In Jeruzalem gingen de apostelen naar het huis waar ze steeds bij elkaar kwamen. De apostelen waren: Petrus, Johannes, Jakobus en Andreas. Verder nog Filippus, Tomas, Bartolomeüs, Matteüs, en Jakobus, de zoon van Alfeüs. En ook Simon de Zeloot. Ten slotte nog Judas, de zoon van Jakobus.

14In het huis waren ook de vrouwen die met Jezus meegegaan waren naar Jeruzalem. En ook Maria, de moeder van Jezus, en zijn broers waren er. Ze waren voortdurend aan het bidden, samen met de apostelen.

Mattias komt in de plaats van Judas

Petrus vertelt over de dood van Judas

15Op een dag waren de volgelingen van Jezus weer bij elkaar. Het was een groep van ongeveer 120 gelovigen. Toen ging Petrus staan en zei: 16-20‘Beste vrienden, jullie weten wat er met Judas gebeurd is. Judas was een leerling van Jezus. Hij hoorde bij ons en deed hetzelfde werk als wij. Maar hij heeft Jezus verraden. Hij hielp de mensen die Jezus gevangen wilden nemen. En hij kreeg daar geld voor.

Met dat geld heeft Judas een stuk land gekocht. En daar, op dat land, is hij gevallen. Hij viel zo hard dat zijn buik openscheurde en zijn ingewanden naar buiten kwamen.

Iedereen in Jeruzalem heeft gehoord wat er gebeurd is. Ze noemen dat stuk land nu Akeldama. Dat betekent: bloedland.’

Er moet een nieuwe apostel komen

Petrus zei verder: ‘Het moest wel zo aflopen met Judas. Dat staat al in de heilige boeken. In het boek Psalmen zegt David: «Laat zijn huis leeg zijn, laat er niemand meer wonen.» Dat zijn woorden van de heilige Geest, die over Judas gaan.

Maar in het boek Psalmen staat ook dit: «Laat een ander zijn werk gaan doen.» 21-22Dat betekent dat er iemand anders in de plaats van Judas moet komen. Die kan dan samen met ons gaan vertellen dat Jezus is opgestaan uit de dood.

Het moet iemand zijn die vanaf het begin steeds bij ons geweest is. Iemand die er al bij was toen de Heer Jezus gedoopt werd door Johannes. En die er ook bij was toen Jezus naar de hemel ging.’

Mattias wordt uitgekozen

23Toen noemden de gelovigen twee namen: Mattias en Josef Barsabbas, die ze ook wel Justus noemden. 24-25En iedereen begon te bidden tot God: ‘Heer, u kent de harten van de mensen. Laat ons dus zien wie u gekozen hebt in de plaats van Judas. Judas is gestraft voor zijn verraad, en gestorven. Wie moet nu het werk gaan doen dat Judas niet meer wilde doen? Wie moet apostel worden in zijn plaats?’

26Toen moesten Mattias en Justus met elkaar loten. En God wees Mattias aan. Mattias werd de twaalfde apostel.

2

De komst van de heilige Geest

De gelovigen krijgen de heilige Geest

21Toen het Joodse Pinksterfeest begon, waren alle gelovigen bij elkaar in een huis. 2Opeens kwam er uit de hemel een vreemd geluid. Het klonk alsof het hard begon te waaien. Het was overal in huis te horen. 3Ook zagen de gelovigen iets dat op vuur leek. Dat vuur verdeelde zich in vlammen, en op iedereen kwam een vlam neer.

4Zo kwam de heilige Geest in alle gelovigen. Daardoor begonnen ze te spreken in vreemde talen.

De gelovigen spreken vreemde talen

5Op dat moment waren er in Jeruzalem veel Joden uit alle delen van de wereld. Ze waren gekomen om het Pinksterfeest te vieren. 6Toen het geluid uit de hemel klonk, kwamen ze er allemaal op af. Ze begrepen er niets van. Want iedereen hoorde de gelovigen spreken in zijn eigen taal.

7Iedereen was erg verbaasd en zei: ‘De mensen die daar praten, komen allemaal uit Galilea. 8Hoe kan het dan dat we ze allemaal horen spreken in onze eigen taal? 9-11Wij komen allemaal ergens anders vandaan. Sommigen van ons komen uit landen in het oosten. Anderen komen uit landen in het noorden, het zuiden of het westen. Sommigen komen uit de grote stad Rome zelf. Weer anderen komen van het eiland Kreta, of uit de woestijn van Arabië. Er zijn hier Joden uit alle delen van de wereld. Er zijn ook mensen die uit andere volken komen en Joods geworden zijn. En toch horen we allemaal onze eigen taal! We horen dat er verteld wordt over de geweldige dingen die God doet.’

12De mensen snapten er helemaal niets van, en ze wisten niet wat ze ervan moesten denken. Ze vroegen aan elkaar: ‘Wat betekent dit toch allemaal?’ 13Maar anderen lachten om de gelovigen en zeiden: ‘Die mensen zijn gewoon dronken!’

Petrus vertelt over de profeet Joël

14Toen kwam Petrus naar voren. Hij begon de mensen toe te spreken en zei: ‘Beste mensen in Jeruzalem, ik zal jullie vertellen wat dit allemaal betekent. Luister goed naar mijn woorden. 15Jullie denken dat wij dronken zijn. Maar dat is niet zo, want het is nog maar negen uur in de ochtend!

16Nee, vandaag gebeurt er iets waarover de profeet Joël al gesproken heeft. In zijn boek staat: 17«God zegt: Als het einde van de tijd dichtbij is, zal ik mijn Geest geven aan de mensen. Aan mannen en vrouwen, aan oude en jonge mensen. Dan zullen ze dromen krijgen en als profeten spreken. 18Ja, ik zal mijn Geest geven aan alle mensen die mij dienen. Dan zullen ze mijn boodschap bekendmaken.

19Ik zal wonderen doen in de hemel, en bijzondere dingen laten zien op aarde. Jullie zullen bloed zien, en vuur en rookwolken. 20De zon zal zwart worden, en de maan zo rood als bloed. Als dat allemaal gebeurt, dan is de grote en geweldige dag dat ik kom, dichtbij. 21Op die dag zal iedereen gered worden die mij om hulp vraagt.»

Jezus is uit de dood opgestaan

22Luister naar wat ik jullie vertel over Jezus uit Nazaret. Jezus is door God gestuurd. Hij heeft machtige wonderen gedaan en bijzondere dingen laten zien. Dat kon hij doen omdat God hem de kracht daarvoor gaf. Dat weten jullie. 23Toch hebben jullie Jezus laten doden. Jullie hebben hem aan ongelovigen uitgeleverd en die hebben hem aan het kruis gehangen. Dat had God allemaal van tevoren bepaald.

24Maar Jezus is uit de dood opgestaan, God heeft hem uit de dood teruggehaald. De dood kon hem niet vasthouden. 25David zegt daarover in de heilige boeken: «Ik denk altijd aan God. Er kan mij niets ergs gebeuren, want hij is dicht bij mij. 26Daarom ben ik blij. Ik juich en zing. Ik blijf op God vertrouwen, zelfs als ik sterf. 27Want God zal mij terughalen uit de dood. Hij zal ervoor zorgen dat mijn lichaam bewaard blijft. 28God leert mij hoe ik moet leven. En hij maakt me gelukkig, omdat hij dicht bij mij is.»

David heeft over de messias gesproken

29Vrienden, onze voorvader David is dood en begraven. Jullie zullen niet verbaasd zijn als ik dat zeg. Want zijn graf is hier vlakbij. 30-31David zei die dingen dus niet over zichzelf. Hij sprak over de messias.

David was een profeet, hij wist wat er zou gaan gebeuren. God had hem plechtig beloofd: ‘De messias zal uit jouw familie komen.’ En David zei dat de messias zou opstaan uit de dood. Hij zei: ‘God zal hem terughalen uit de dood. Hij zal ervoor zorgen dat zijn lichaam bewaard blijft.’

32Al die dingen zijn nu gebeurd. Want God heeft Jezus laten opstaan uit de dood. Wij hebben Jezus zelf gezien.

Jezus is de messias

33Nu is Jezus in de hemel. Hij zit aan de rechterkant van God. Hij heeft de heilige Geest gekregen, zoals God beloofd had. En Jezus heeft die heilige Geest aan ons gegeven. Dat hebben jullie zelf kunnen zien en horen!

34David is niet omhooggegaan naar de hemel. En toch heeft hij gezegd: «God zei tegen mijn Heer: Kom naast mij zitten, aan de rechterkant. 35Ik zal je vijanden diep voor jou laten buigen.» Ook die woorden gaan dus niet over David zelf, maar over Jezus.

36Iedereen in Israël moet weten dat deze Jezus de Heer is. Iedereen moet weten dat God deze Jezus uitgekozen heeft als messias. Dat is dus de man die jullie aan het kruis gehangen hebben!’

De mensen moeten hun leven veranderen

37Toen de mensen de woorden van Petrus hoorden, werden ze ongerust. Ze vroegen aan hem en aan de andere apostelen: ‘Vrienden, wat moeten we doen?’

38-39Petrus zei: ‘Jullie moeten allemaal je leven veranderen, en je laten dopen in de naam van Jezus Christus. Dan zal de Heer, onze God, jullie zonden vergeven. En hij zal de heilige Geest aan jullie geven. Want dat heeft hij beloofd aan jullie en aan jullie nakomelingen. En ook aan alle andere mensen, overal op aarde. Alle mensen die God uitkiest, zullen worden gered.’

40Petrus zei nog veel meer over Jezus. En hij waarschuwde iedereen met deze woorden: ‘Zorg dat je gered wordt! Doe niet mee met de mensen die zich verzetten tegen God.’

Veel mensen laten zich dopen

41Veel mensen geloofden Petrus en lieten zich dopen. Er kwamen die dag ongeveer drieduizend gelovigen bij. 42Alle gelovigen gingen met elkaar om als mensen van één familie. Ze kregen van de apostelen uitleg over Jezus. En ze kwamen steeds bij elkaar om te bidden en om met elkaar het brood te delen.

43De apostelen deden veel wonderen, en iedereen was diep onder de indruk.

De gelovigen delen alles samen

44Alle gelovigen kwamen steeds bij elkaar. Ze deelden alles wat ze hadden. 45Ze verkochten hun bezittingen, en het geld gaven ze aan iedereen die het nodig had. 46Elke dag kwamen ze naar de tempel om samen te zijn. Bij elkaar thuis deelden ze het brood. Vol vreugde aten ze samen, en iedereen was even belangrijk. 47Ze eerden God, en het hele volk had veel waardering voor hen.

Elke dag kwamen er meer mensen bij die door God gered waren.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]