Bijbel in Gewone Taal (BGT)
6

De heilige kist van de Heer

David haalt de heilige kist op

61David liet alle sterke mannen van Israël bij elkaar komen. Het waren er 30.000. 2Hij reisde met hen naar de plaats Baäla in Juda om de heilige kist van God op te halen. Dat was de troon van de machtige Heer, de troon met de twee engelen met vleugels.

3-4De heilige kist stond in het huis van Abinadab, dat op een heuvel lag. De kist werd opgehaald en op een nieuwe wagen gezet. Uzza en Achio, twee zonen van Abinadab, liepen met de wagen mee. Achio liep voorop.

De Heer doodt Uzza

5Onderweg maakten David en de Israëlieten muziek voor de Heer. Ze speelden op trommels, harpen en andere instrumenten.

6Toen kwamen ze bij het veld van Nachon, waar veel graan lag. De dieren die de wagen trokken, gleden plotseling uit. Uzza stak zijn hand uit, want hij wilde de heilige kist van God tegenhouden. 7Maar de Heer werd woedend en hij doodde Uzza meteen. Want Uzza had de heilige kist aangeraakt.

David is bang

8David werd kwaad omdat de Heer Uzza gedood had. David noemde die plaats Peres-Uzza. Die plaats heet nog steeds zo.

9-10Maar David werd ook bang voor de Heer. Want hij wist niet hoe hij de heilige kist veilig in het oude deel van Jeruzalem kon krijgen. Daarom bracht hij de kist niet naar Jeruzalem, maar naar het huis van Obed-Edom, een man uit de stad Gat.

David brengt de heilige kist naar Jeruzalem

11De heilige kist van de Heer bleef drie maanden in het huis van Obed-Edom. En de Heer maakte Obed-Edom en zijn hele familie gelukkig.

12Toen David dat hoorde, ging hij naar het huis van Obed-Edom om de heilige kist op te halen. Hij bracht de kist op een feestelijke manier naar het oude deel van Jeruzalem. 13De dragers van de kist bleven na zes stappen stilstaan. Toen offerde David een stier en een koe, 14en daarna begon hij wild te dansen bij de heilige kist van de Heer. Tijdens het dansen had David alleen een priesterhemd aan, verder niets.

De heilige kist komt aan in Jeruzalem

15-16Zo kwam de heilige kist van de Heer aan in het oude deel van Jeruzalem. Alle Israëlieten juichten, en ze speelden op trompetten. Op dat moment stond Davids vrouw Michal, de dochter van Saul, bij het raam. Ze zag David dansen en springen bij de heilige kist van de Heer. Toen had ze geen respect meer voor David.

17David had een tent laten maken voor de heilige kist van de Heer. De kist werd in de tent gezet, en David bracht allerlei offers aan de Heer. 18Daarna zegende hij het volk, namens de machtige Heer. 19Toen werden er broden en vruchten uitgedeeld aan alle Israëlieten. Iedereen kreeg te eten, alle mannen en vrouwen. Daarna gingen ze allemaal naar huis.

Michal is boos op David

20David ging naar huis om zijn familie te zien. Toen liep Michal, de dochter van Saul, naar hem toe. Ze zei boos: ‘Je hebt je vandaag niet gedragen als een koning! Je hebt je uitgekleed als een vieze vent. Al je slavinnen konden het zien!’

21Maar David antwoordde: ‘Dat deed ik voor de Heer. Hij vindt mij belangrijker dan jouw vader en zijn hele familie. Want de Heer heeft mij koning gemaakt van zijn volk Israël. Ik danste om de Heer te eren! 22En die slavinnen zullen altijd respect voor me hebben. Zelfs als ik me nog gekker zou gedragen, of als ik me zou schamen voor mezelf.’

23Michal heeft nooit kinderen gekregen.

7

De macht van Davids familie

David wil een huis bouwen voor de Heer

71David kon nu rustig in zijn paleis wonen, want hij had geen vijanden meer. Daar had de Heer voor gezorgd. 2Toen zei David tegen de profeet Natan: ‘Moet je zien! Ik woon in een paleis van cederhout, maar de heilige kist van God staat in een tent.’ 3En Natan antwoordde: ‘U kunt alles doen wat u wilt, want de Heer helpt u.’

4Maar die nacht sprak de Heer tegen Natan. 5Natan moest tegen David zeggen: ‘Dit zegt de Heer: ‘Wil jij voor mij een huis bouwen waarin ik kan wonen? 6Maar ik heb toch nooit in een huis gewoond? Vanaf het moment dat ik de Israëlieten uit Egypte heb bevrijd, heb ik in een tent gewoond. En dat doe ik nog steeds. 7Ik ben altijd met de Israëlieten meegereisd. En ik heb hun leiders nooit om een huis van cederhout gevraagd.’’

De Heer beschermt David en zijn volk

8Daarna moest Natan tegen David zeggen: ‘Dit zegt de machtige Heer: ‘Ik heb je weggehaald bij de schapen, omdat ik wil dat jij mijn volk leidt. 9Ik heb je altijd geholpen. Ik heb al je vijanden gedood. En ik heb je net zo beroemd gemaakt als de belangrijkste mensen op aarde.

10-11Ik heb mijn volk Israël een gebied gegeven waar ze kunnen wonen. Niemand hoeft meer bang te zijn. Toen mijn volk er pas woonde, heb ik rechters uitgekozen. Zij moesten de Israëlieten leiden. Dat was in de tijd dat de Israëlieten nog door slechte volken onderdrukt werden. Maar dat gebeurt nu niet meer, David. Want dankzij mij heb jij geen vijanden meer. Ik heb voor rust gezorgd.

Davids familie zal altijd regeren

Ik beloof dat er in jouw familie altijd iemand koning zal zijn. 12Ooit zal jouw leven voorbij zijn. En als jij gestorven bent, zal ik je zoon koning maken. 13Ik zal ervoor zorgen dat hij lang koning blijft. En hij zal voor mij een tempel bouwen.

14Ik zal voor hem een vader zijn, en hij zal voor mij een zoon zijn. Als een zoon iets verkeerds doet, dan straft zijn vader hem. Dus als jouw zoon iets verkeerds doet, zal ik hem straffen. 15Maar ik zal hem nooit verlaten. Saul heb ik wel verlaten, omdat ik wilde dat jij koning werd in zijn plaats. 16Maar jouw familie zal altijd machtig zijn. Want in jouw familie zal altijd iemand koning zijn.’’

David is verbaasd dat hij gekozen is

17Natan vertelde David alles wat hij van God gehoord had. 18Daarna ging David de tent van de Heer binnen om te bidden. Hij zei: ‘Heer, mijn God, waarom hebt u mij uitgekozen om koning te zijn? Ik ben helemaal niet belangrijk, en mijn familie is dat ook niet. 19En u hebt zelfs nog meer beloofd, Heer, mijn God. U hebt gezegd dat er altijd iemand uit mijn familie koning zal zijn. En wat u zegt, staat voor altijd vast.

God is machtig

20Wat kan ik verder nog tegen u zeggen? U kent mij, Heer, mijn God. Ik ben uw dienaar. 21U doet alles wat u wilt en wat u belooft. U doet geweldige dingen, en u maakt ze aan mij bekend. 22U bent machtig, Heer, mijn God. Er is niemand zoals u. Er bestaat geen andere god. Alles wat we over u gehoord hebben, is waar.

23-24En geen volk is zo bijzonder als uw volk Israël. Israël is het enige volk op aarde dat door u bevrijd is, toen u hen weghaalde uit Egypte. Iedereen kent u. U hebt geweldige wonderen gedaan voor uw volk. U hebt andere volken en hun goden weggejaagd. Israël is uw volk en u bent hun God, voor altijd.

David vraagt God om steun

25Heer, mijn God, doe wat u aan mij en mijn nakomelingen beloofd hebt. 26Dan zal iedereen u altijd kennen. En de mensen zullen zeggen: ‘De machtige Heer is de God van Israël.’ Als u doet wat u beloofd hebt, zal er in mijn familie altijd iemand koning zijn.

27Machtige Heer, God van Israël, ik durf nu tot u te bidden. Want u hebt tegen mij gezegd dat er in mijn familie altijd iemand koning zal zijn. 28Heer, mijn God, u alleen bent God. Dus wat u gezegd hebt, zal zeker gebeuren. 29Ik vraag u om mij en mijn familie altijd te steunen, zodat er altijd iemand uit onze familie koning zal zijn. Dat hebt u toch beloofd, Heer, mijn God?’

8

David krijgt steeds meer macht

David verslaat de Filistijnen en de Moabieten

81Korte tijd later vocht David met zijn leger tegen de Filistijnen. David versloeg hen en hij ging het land van de Filistijnen besturen. Vanaf toen moesten de Filistijnen doen wat David wilde.

2David versloeg ook de Moabieten. Zij moesten in een rij op de grond gaan liggen. Daarna telde David alle soldaten in de rij. Twee derde van hen liet hij doden, en de rest mocht blijven leven. Vanaf toen moesten de Moabieten doen wat David wilde. Ook moesten ze hem belasting betalen.

David verslaat Hadadezer en de Arameeërs

3Hadadezer, de zoon van Rechob, was koning van Soba. Hij wilde het gebied langs de Eufraat veroveren. Maar David versloeg het leger van Hadadezer. 4Hij nam veel soldaten gevangen: 20.000 gewone soldaten en 1700 soldaten die op wagens reden. En hij sneed de pezen door bij hun paarden, zodat ze niet meer konden lopen. Maar hij liet honderd paarden met rust.

5Toen kwamen de Arameeërs om Hadadezer te helpen. Maar David versloeg 22.000 van hun soldaten. 6Daarna veroverde hij de belangrijkste plaatsen in het gebied van de Arameeërs. Vanaf toen moesten de Arameeërs doen wat David wilde. Ook moesten ze hem belasting betalen. De Heer steunde David bij elk gevecht.

7De soldaten in het paleis van Hadadezer hadden gouden schilden. Die nam David mee naar Jeruzalem. 8Ook nam hij veel brons mee uit de steden Betach en Berotai.

David krijgt geschenken

9-10Toï was koning van de stad Hamat. Hij was een vijand van Hadadezer. Toen koning Toï hoorde dat David gewonnen had van Hadadezer, wilde hij David feliciteren. Hij stuurde zijn zoon Joram naar hem toe met geschenken van goud, zilver en koper.

11David gaf al die geschenken als offer aan de Heer. Dat deed hij ook met het goud en zilver van de andere volken die hij verslagen had. 12Dat waren de Arameeërs, de Moabieten, de Ammonieten, de Filistijnen, de Amalekieten en het volk van koning Hadadezer.

David verslaat de Edomieten

13Nadat David de Arameeërs verslagen had, ging hij naar het Zoutdal. Daar versloeg hij 18.000 Edomieten.

David werd steeds beroemder. 14In heel Edom veroverde hij belangrijke plaatsen. Vanaf toen moesten de Edomieten doen wat David wilde. De Heer steunde hem bij elk gevecht.

Davids belangrijkste ambtenaren

15David was koning van heel Israël. Hij sprak eerlijk recht, en hij behandelde zijn volk goed en rechtvaardig.

16Joab, de zoon van Seruja, was Davids belangrijkste legerleider. Josafat, de zoon van Achilud, was de secretaris van koning David. 17Sadok en Abjatar waren allebei priester. Sadok was een zoon van Achitub, en Abjatar was een zoon van Achimelech. Seraja was de schrijver van koning David. 18Benaja, de zoon van Jojada, had de leiding over de koninklijke lijfwacht. En de zonen van David waren priester.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]