Bijbel in Gewone Taal (BGT)

David rouwt om Saul en Jonatan

Saul en Jonatan zijn gedood

11-2David had de Amalekieten verslagen, en hij was teruggegaan naar de stad Siklag. Toen hij daar drie dagen was, kwam er een man bij hem. De man was gevlucht uit het kamp van Saul. Hij had zijn kleren gescheurd en zand over zijn hoofd gegooid, als teken van rouw.

De man maakte een diepe buiging. 3David vroeg: ‘Waar kom je vandaan?’ De man antwoordde: ‘Ik was in het legerkamp van de Israëlieten toen ze tegen de Filistijnen vochten. Ik kon nog net wegvluchten.’ 4‘Wat is er dan gebeurd?’ vroeg David. De man zei: ‘Alle soldaten moesten vluchten voor de Filistijnen. Er zijn veel Israëlieten gedood, ook Saul en zijn zoon Jonatan.’

De man zegt dat hij Saul gedood heeft

5David vroeg: ‘Hoe weet je dat Saul en Jonatan dood zijn?’ 6De man zei: ‘Ik was toevallig in de Gilboa-bergen. En daar zag ik Saul, die op zijn speer leunde. Hij was doodmoe. De Filistijnen op hun paarden en wagens hadden hem al bijna te pakken. 7Toen keek Saul om. Hij zag mij en riep dat ik moest komen. 8Hij vroeg: ‘Wie ben jij?’ ‘Ik ben een Amalekiet,’ antwoordde ik. 9Toen zei hij: ‘Kom hier en steek me dood. Ik ben toch al bijna dood.’

10Dus ik ging naar hem toe en stak hem dood. Want ik wist dat hij niet lang meer zou leven. Hij had de strijd toch al verloren. Daarna pakte ik zijn kroon en zijn armband. Ik heb ze voor u meegenomen.’

David laat de man doden

11-12Toen scheurde David zijn kleren, en al zijn dienaren deden hetzelfde. Ze rouwden en ze huilden. Ze hadden verdriet om het leger van Israël en om het volk van de Heer. Ze wilden de hele dag niets eten of drinken. Want Saul en Jonatan en hun soldaten waren gedood in de strijd.

13David vroeg aan de man: ‘Waar kom je vandaan?’ De man zei: ‘Mijn familie komt uit Amalek. Maar mijn vader woont hier al heel lang.’ 14Toen zei David: ‘Saul was de koning van de Heer. Hij was door God uitgekozen. En jij hebt hem gedood. Hoe kon je dat doen!’

15-16David riep één van zijn dienaren en zei: ‘Kom hier en dood deze man.’ En voordat de man doodgestoken werd, zei David: ‘Het is je eigen schuld dat je nu sterft. Want je hebt zelf gezegd dat je de koning van de Heer gedood hebt. Daarom ben je schuldig!’

David zingt een klaaglied

17-18Toen zong David een lied over Saul en zijn zoon Jonatan. Hij gaf alle inwoners van Juda de opdracht om dat lied te leren. Het heet het Lied van de Boog. Het staat in het Boek van Jasar.

19‘Volk van Israël!

Je sterke soldaten zijn gedood,

ze liggen op de heuvels.

Je was trots op hen,

zij waren je helden.

Waarom moesten ze sterven?

20Vertel het niet in Askelon

en maak het niet bekend in Gat.

Anders zijn de Filistijnen blij,

en dan zingen en dansen hun vrouwen.

21Laat het niet regenen op de Gilboa-bergen,

want daarboven op de velden ligt het schild van Saul.

Het is vertrapt, vergeten en verlaten.

22De boog van Jonatan schoot altijd raak,

aan het zwaard van Saul zat altijd bloed.

Niemand kon hen verslaan!

23Ze waren sneller dan de snelste vogel,

ze waren sterker dan de sterkste leeuw.

Saul en Jonatan hielden van elkaar.

Ze waren altijd samen.

Toen ze nog leefden,

maar ook nu ze dood zijn.

24Vrouwen van Israël, huil om Saul!

Hij gaf jullie prachtige kleding,

en sieraden van goud.

25Waarom moesten de helden sterven?

Waarom zijn ze gedood in de strijd?

Jonatan, je bent gedood op de heuvels.

26Ik heb verdriet om jou,

ik hield zo veel van jou.

Je was mijn broer, mijn beste vriend.

Jij hield meer van mij

dan een vrouw ooit van me gehouden heeft.

27Waarom moesten de helden sterven?

Waarom zijn ze gedood in de strijd?’