Bijbel in Gewone Taal (BGT)
2

De Heer neemt Elia mee

Elisa laat Elia niet alleen

21Op een dag liep Elia de stad Gilgal uit, samen met zijn helper Elisa. Het was de dag waarop de Heer Elia in een stormwind mee zou nemen naar de hemel.

2Elia zei tegen Elisa: ‘De Heer wil dat ik naar Betel ga, maar jij moet hier blijven.’ Elisa antwoordde: ‘Ik laat u niet alleen gaan! Dat is zo zeker als u leeft, en zo zeker als de Heer leeft.’ Toen gingen ze samen naar de stad Betel.

3De profeten die in Betel woonden, kwamen Elisa tegemoet. Ze zeiden tegen hem: ‘Weet je wel dat de Heer vandaag je meester van je zal wegnemen?’ ‘Ja, dat weet ik,’ antwoordde Elisa. ‘Praat daar maar niet over.’

4Daarna zei Elia tegen Elisa: ‘Nu wil de Heer dat ik naar Jericho ga. Maar jij moet hier in Betel blijven, Elisa.’ Elisa antwoordde: ‘Ik laat u niet alleen gaan! Dat is zo zeker als u leeft, en zo zeker als de Heer leeft.’ Toen gingen ze samen naar de stad Jericho.

5De profeten die in Jericho woonden, kwamen naar Elisa toe. Ze zeiden tegen hem: ‘Weet je wel dat de Heer vandaag je meester van je zal wegnemen?’ ‘Ja, dat weet ik,’ antwoordde Elisa. ‘Praat daar maar niet over.’

6Daarna zei Elia tegen Elisa: ‘Nu wil de Heer dat ik naar de Jordaan ga. Maar jij moet hier in Jericho blijven.’ Elisa antwoordde: ‘Ik laat u niet alleen gaan! Dat is zo zeker als u leeft, en zo zeker als de Heer leeft.’ Toen gingen ze samen verder.

Elia neemt afscheid van Elisa

7Toen Elia en Elisa bij de Jordaan aankwamen, bleven ze daar staan. Vijftig profeten uit Jericho waren hen gevolgd. Die bleven op een afstand staan kijken wat er zou gebeuren.

8Elia deed zijn mantel uit, rolde hem op en sloeg ermee op het water. Toen stroomde het water opzij, zodat ze samen de rivier konden oversteken zonder nat te worden.

9Aan de overkant zei Elia: ‘Elisa, de Heer gaat me van je wegnemen. Is er nog iets wat ik voor je kan doen? Dan moet je het me nu vragen.’ Elisa antwoordde: ‘Geef mij alstublieft de kracht die u van de Heer gekregen hebt. Dan kan ik net zo’n machtige profeet worden als u.’ 10Elia zei: ‘Je vraagt me iets wat ik je niet zelf kan geven. Misschien zul je zien hoe ik van je weggenomen word. Dan zul je krijgen wat je vraagt, maar anders niet.’

Elia wordt meegenomen naar de hemel

11Terwijl Elia en Elisa zo liepen te praten, kwam er opeens een wagen van vuur tussen hen in rijden. De wagen werd getrokken door paarden van vuur. En op die wagen ging Elia in een stormwind omhoog naar de hemel. 12Elisa zag het gebeuren en schreeuwde: ‘Vader, vader! U alleen kunt Israël beschermen!’ Dat was de laatste keer dat Elisa zijn meester zag. Hij scheurde zijn kleren als teken van verdriet.

13De mantel van Elia was op de grond gevallen. Elisa raapte die op, en liep ermee terug naar de waterkant. Daar bleef hij staan. 14Hij sloeg met de mantel op het water, net zoals Elia dat gedaan had. En hij riep: ‘Waar is de Heer, de God van Elia?’ Toen stroomde het water opnieuw opzij, zodat Elisa terug kon lopen naar de andere kant van de rivier.

Elia is niet meer te vinden

15De profeten uit Jericho stonden nog steeds aan de andere kant van de rivier. Toen ze zagen wat er gebeurde, zeiden ze: ‘Elisa heeft de kracht van Elia gekregen!’ Ze gingen naar Elisa toe en knielden voor hem op de grond. 16Ze zeiden: ‘We hebben vijftig flinke mannen bij ons. Zij kunnen uw meester Elia gaan zoeken. Misschien heeft de geest van de Heer hem opgetild, en hem neergezet op één van de bergen of in één van de dalen hier.’ Elisa zei: ‘Nee, laat die mannen maar hier blijven.’

17Maar de profeten hielden vol, en uiteindelijk zei Elisa: ‘Doe maar wat jullie willen.’ Toen stuurden ze de vijftig mannen op weg. Die zochten drie dagen naar Elia, maar ze vonden hem niet.

18Ten slotte gingen de mannen terug naar Elisa, die in Jericho logeerde. Elisa zei tegen hen: ‘Ik zei toch al dat jullie beter hier konden blijven?’

Elisa maakt het water in Jericho zuiver

19De inwoners van Jericho zeiden tegen Elisa: ‘U ziet wel dat onze stad op een goede plek ligt. Maar het water is slecht. Daardoor worden de kinderen hier veel te vroeg geboren en sterven ze.’

20Elisa zei tegen hen: ‘Breng me een nieuwe, ongebruikte schaal, met zout erin.’ Dat deden ze. 21Toen ging Elisa naar de bron waar het water van de stad uit kwam. Hij gooide het zout erin en zei: ‘Vanaf nu is dit water zuiver. Niemand zal meer door dit water sterven, en alle kinderen worden gezond geboren. Dat zegt de Heer.’

22Vanaf die dag was het water in Jericho zuiver, zoals Elisa gezegd had.

Elisa krijgt niet genoeg respect

23Van Jericho ging Elisa naar de stad Betel. Terwijl hij naar de stad omhoogliep, kwam er een groep jongens uit de stad achter hem aan. Ze lachten hem uit en riepen: ‘Klimmen maar, kale! Klimmen maar, kale!’

24Elisa draaide zich om, en toen hij de jongens zag, riep hij: ‘De Heer zal jullie straffen!’ Op dat moment kwamen er twee beren uit het bos. En die aten 42 van de jongens op.

25Vanuit Betel ging Elisa eerst naar de berg Karmel. Daarna ging hij weer naar de stad Samaria.

3

Oorlog tussen Israël en Moab

Joram wordt koning van Israël

31Joram, de zoon van Achab, werd koning van Israël in de stad Samaria. Dat gebeurde toen Josafat achttien jaar koning van Juda was. Joram regeerde twaalf jaar.

Joram is een slechte koning

2Joram deed dingen die de Heer slecht vond. Toch was hij niet zo slecht als zijn vader en moeder, want hij haalde de heilige steen weg die zijn vader voor de god Baäl had laten maken. 3Maar verder deed hij net zulke slechte dingen als Jerobeam, de zoon van Nebat. Door Jerobeam waren de Israëlieten ontrouw geworden aan de Heer.

Koning Mesa van Moab komt in opstand

4Koning Mesa van Moab had grote kuddes schapen. Hij moest aan de koning van Israël elk jaar honderdduizend jonge rammen geven om te slachten, en nog eens honderdduizend rammen voor de wol.

5Na de dood van Achab kwam Mesa in opstand tegen koning Joram van Israël. 6Daarom riep Joram het leger van Israël bij elkaar en vertrok uit Samaria. 7Hij stuurde het volgende bericht naar koning Josafat van Juda: ‘De koning van Moab is tegen mij in opstand gekomen. Wilt u mij helpen om hem aan te vallen?’

Josafat antwoordde: ‘Ik doe mee. Want u en ik, wij horen bij elkaar. Mijn soldaten zijn ook uw soldaten, mijn paarden zijn ook uw paarden.’

Joram krijgt hulp

8Joram vroeg aan Josafat hoe het leger het beste naar Moab kon gaan. Volgens Josafat kon dat het beste via de woestijn van Edom.

9Samen met Josafat ging Joram op weg. Ook de koning van Edom ging met hen mee. Maar de tocht duurde langer dan ze gedacht hadden. Toen ze zeven dagen onderweg waren, was het drinkwater op. Er was geen water meer voor de soldaten, en ook niet voor de dieren die ze bij zich hadden.

10Toen riep koning Joram van Israël: ‘Wat een ellende! Straks worden we nog verslagen door de koning van Moab. Heeft de Heer ons daarvoor bij elkaar gebracht?’

De koningen vragen de Heer om raad

11Maar Josafat vroeg: ‘Is hier misschien ergens een profeet van de Heer? Dan kan hij voor ons de Heer om raad vragen.’ Eén van de dienaren van Joram antwoordde: ‘Elisa, de zoon van Safat, is hier. Hij was altijd bij Elia om hem te helpen.’ 12Josafat zei: ‘Dan kan hij zeker namens de Heer spreken!’

Toen ging Joram samen met Josafat en de koning van Edom naar Elisa toe. 13Maar Elisa zei tegen Joram: ‘Wat wilt u van mij? Gaat u maar naar de profeten van uw vader en uw moeder!’ ‘Nee,’ antwoordde Joram. ‘Want wij zijn bij elkaar gebracht door de Heer. Wil hij soms dat wij door de koning van Moab verslagen worden?’

14Toen zei Elisa: ‘Joram, met u wil ik niets te maken hebben! Maar voor koning Josafat van Juda heb ik respect, zo zeker als de machtige Heer leeft. En ik doe wat de Heer zegt.

15Haal nu maar iemand om voor mij op de harp te spelen.’

Elisa spreekt namens de Heer

Terwijl er voor Elisa op de harp gespeeld werd, voelde hij de kracht van de Heer in zich komen.

16Elisa zei tegen de koningen: ‘De Heer zegt dat jullie overal in dit dal kuilen moeten graven. 17Het zal niet gaan stormen en regenen, maar toch zal er in al die kuilen water komen te staan. Dan kunnen jullie weer drinken, jullie zelf en ook jullie dieren.

18Maar dat is nog maar het begin. De Heer zal er ook voor zorgen dat jullie de Moabieten verslaan. 19Jullie zullen al hun prachtige, sterke steden veroveren. Jullie zullen al hun fruitbomen omhakken en hun waterbronnen dichtgooien. En jullie zullen hun akkers volgooien met stenen.’

20De volgende ochtend vroeg kwam er plotseling water naar beneden van de bergen van Edom. Het hele dal stroomde vol.

De Moabieten denken dat de koningen dood zijn

21De Moabieten hadden intussen gehoord dat de drie koningen op weg waren om hen aan te vallen. Alle Moabieten die oud genoeg waren om te vechten, werden bij elkaar geroepen. Ze werden opgesteld bij de grens met Edom.

22Toen ze ’s ochtends opstonden, scheen de opgaande zon over het water in het dal. Daardoor leek het water zo rood als bloed. Toen de Moabieten dat zagen, 23riepen ze: ‘Dat is bloed! Die koningen zijn gaan vechten en ze hebben elkaar gedood. Laten we erheen gaan om hun spullen te verdelen!’

De Moabieten worden verslagen

24Maar toen de Moabieten vlak bij het legerkamp van de Israëlieten waren, vielen de Israëlieten hen aan. De Moabieten vluchtten weg. De Israëlieten achtervolgden hen tot in Moab en versloegen hen. 25Ze verwoestten hun steden. Ze gooiden stenen op alle akkers, ze gooiden de waterbronnen dicht en ze hakten de fruitbomen om.

De Israëlieten hadden alleen de stad Kir-Chareset nog niet veroverd. Maar nu vielen ze ook die stad aan.

De koning van Moab offert zijn zoon

26Toen zag de koning van Moab dat hij de strijd ging verliezen. Hij probeerde nog met zevenhonderd soldaten bij de koning van Edom te komen, maar dat lukte niet. 27Toen liet hij zijn oudste zoon halen, die hem had moeten opvolgen. Hij offerde hem op de stadsmuur.

Daar schrokken de Israëlieten zo van, dat ze stopten met de aanval en teruggingen naar huis.

4

Elisa helpt een weduwe

Elisa helpt de weduwe van een profeet

41De vrouw van één van de profeten vroeg hulp aan Elisa. Ze zei tegen hem: ‘U weet dat mijn man altijd veel eerbied had voor de Heer. Nu is hij gestorven, maar hij had nog schulden. En straks komt de man aan wie hij die schulden moest betalen. Die wil nu mijn twee kinderen meenemen als slaven.’

2Elisa antwoordde: ‘Ik wil u graag helpen. Wat hebt u nog in huis?’ ‘Alleen nog maar een kruikje olijfolie,’ zei de vrouw. ‘Dat is alles.’

3Toen zei Elisa: ‘U moet naar uw buren gaan en vragen of u van hen lege kruiken kunt lenen. Probeer er zo veel mogelijk te krijgen. 4Als u weer thuis bent, moet u de deur dichtdoen. Zorg dat alleen uw kinderen bij u zijn. Giet dan uw olie in die kruiken. Telkens als er één kruik vol is, moet u de volgende pakken.’

Het wonder van de olie

5De vrouw deed wat Elisa zei. Toen ze weer thuis was, deed ze de deur achter zich dicht. Haar kinderen gaven haar steeds de lege kruiken aan, en dan goot zij de olie erin. 6Op het laatst waren alle kruiken vol. Toen ze haar zoon om de volgende kruik vroeg, zei die: ‘Er zijn geen lege kruiken meer.’ Daarna kwam er geen olie meer uit haar kruik.

7De vrouw ging terug naar de profeet en vertelde hem wat er gebeurd was. Hij zei: ‘Verkoop die olijfolie, en betaal dan eerst uw schulden. Daarna kunt u de rest van het geld gebruiken om van te leven.’

Elisa en de vrouw uit Sunem

Een rijke vrouw nodigt Elisa uit

8Op een dag kwam Elisa door de stad Sunem. Daar woonde een rijke vrouw, die hem uitnodigde om bij haar te komen eten. Vanaf dat moment ging Elisa steeds bij haar eten als hij in Sunem was. 9De vrouw zei tegen haar man: ‘Die profeet die steeds bij ons langskomt, is een heilige man. Dat weet ik zeker. 10Laten we een kamertje voor hem maken op het platte dak van ons huis. Daar zetten we een bed, een tafel, een stoel en een olielamp neer. Dan heeft hij een plek voor zichzelf als hij ons bezoekt.’

Elisa zegt dat de vrouw een kind zal krijgen

11Op een dag kwam Elisa weer door Sunem. Hij ging uitrusten in het huis van de vrouw, in de dakkamer die ze voor hem gemaakt hadden. 12En hij zei tegen zijn knecht Gechazi: ‘Vraag aan de vrouw die hier woont, of ze boven wil komen.’ Gechazi riep de vrouw, en ze kwam naar boven.

13Namens Elisa vroeg Gechazi aan de vrouw: ‘U hebt heel veel moeite voor ons gedaan. Is er iets wat wij voor u kunnen doen? Kunnen we iets voor u vragen aan de koning, of aan de leider van het leger?’ ‘Dat is niet nodig,’ antwoordde de vrouw. ‘Want ik heb familie die me altijd kan helpen.’

14Elisa vroeg aan Gechazi: ‘Kunnen we misschien iets anders voor haar doen?’ ‘Jawel,’ antwoordde Gechazi. ‘Ze heeft geen zoon, en haar man is al oud.’ 15Elisa zei: ‘Laat haar hier komen.’ Gechazi riep de vrouw, en ze kwam bij de ingang van de kamer staan.

16Toen zei Elisa: ‘Precies over een jaar zult u een zoon in uw armen houden.’ ‘Ach, meneer,’ antwoordde de vrouw. ‘U bent een profeet, maar u moet mij niet voor de gek houden.’

17Maar de vrouw werd inderdaad zwanger, en een jaar later had ze een zoon. Precies zoals Elisa tegen haar gezegd had.

Het kind van de vrouw sterft

18Op een dag, toen de jongen wat groter was, ging hij bij zijn vader kijken. Die was met andere mannen op het land aan het maaien.

19Plotseling schreeuwde de jongen: ‘Au, mijn hoofd! Mijn hoofd!’ Zijn vader zei tegen één van de knechten: ‘Breng hem naar zijn moeder!’ 20De knecht tilde de jongen op en bracht hem naar zijn moeder. De jongen zat nog een tijd bij haar op schoot, maar aan het eind van de ochtend stierf hij.

De vrouw gaat naar Elisa toe

21Toen droeg de moeder de jongen naar boven en legde hem op het bed van de profeet. Daarna deed ze de deur van de kamer dicht en ging het huis uit. 22Ze riep tegen haar man: ‘Laat één van de knechten een ezel voor me halen, ik wil zo snel mogelijk naar de profeet toe! Maar ik kom meteen terug.’

23Haar man zei: ‘Waarom wil je naar de profeet? Het is toch geen bijzondere dag, geen sabbat of nieuwe maan?’ ‘Maak je maar geen zorgen,’ zei de vrouw. 24Ze legde een zadel op de ezel, ging erop zitten en zei tegen de knecht: ‘Zorg dat de ezel zo snel mogelijk loopt, en sta niet stil voordat ik het zeg!’

De vrouw vraagt Elisa om hulp

25Zo ging de vrouw op weg naar de profeet Elisa, die op de berg Karmel was. Toen Elisa haar in de verte zag aankomen, zei hij tegen zijn knecht Gechazi: ‘Daar komt die vrouw uit Sunem aan! 26Ga haar gauw tegemoet. En vraag hoe het met haar gaat, en met haar man en haar kind.’

27De vrouw zei tegen Gechazi dat alles goed was. Maar toen ze bij Elisa aankwam, greep ze zijn voeten vast. Gechazi wilde haar wegjagen, maar Elisa zei: ‘Laat haar maar, ze heeft verdriet. Maar ik weet niet waarom. Dat heeft de Heer me niet gezegd.’

28Toen zei de vrouw: ‘Ach, profeet, ik heb u toch niet om een zoon gevraagd? Ik heb toch gezegd dat u mij geen valse hoop moest geven?’

29Elisa zei tegen Gechazi: ‘Pak mijn stok en loop zo snel mogelijk naar het huis van deze vrouw. Als je iemand tegenkomt, groet hem dan niet. En als iemand jou groet, zeg dan niets terug. Als je in het huis bent, moet je mijn stok op het gezicht van de jongen leggen.’

30Maar de moeder van de jongen zei tegen Elisa: ‘Ik ga niet weg zonder u. Dat is zo zeker als u leeft, en zo zeker als de Heer leeft.’ Toen stond Elisa op en ging met haar mee.

De vrouw krijgt haar zoon levend terug

31Gechazi was al naar het huis van de vrouw gegaan. Hij legde de stok op het gezicht van de jongen. Maar die bewoog niet, en hij zei ook niets. Gechazi ging terug en vertelde aan Elisa dat de jongen niet wakker was geworden.

32Toen Elisa zelf het huis in kwam en naar zijn kamer ging, zag hij dat de jongen daar dood op het bed lag. 33Hij deed de deur achter zich dicht, zodat hij alleen was met de jongen. Toen bad hij tot de Heer.

34Hij liep naar het bed en ging boven op de jongen liggen, met zijn mond op de mond van de jongen, met zijn ogen op zijn ogen en met zijn handen op zijn handen. Zo bleef hij languit liggen totdat het lichaam van de jongen weer warm werd. 35Toen stond hij op en liep één keer de kamer door. Daarna ging hij opnieuw boven op de jongen liggen. Toen nieste de jongen zeven keer en deed zijn ogen open.

36Elisa riep Gechazi en zei tegen hem dat hij de vrouw moest gaan halen. Dat deed Gechazi. Toen zij boven was, zei Elisa: ‘U kunt uw zoon meenemen.’ 37De vrouw kwam de kamer in. Ze knielde op de grond en boog diep voor Elisa. Toen droeg ze haar zoon de kamer uit.

Elisa zorgt voor voedsel

Elisa maakt bittere soep eetbaar

38Elisa ging terug naar de stad Gilgal. Er was in die tijd hongersnood in het land.

Op een dag zaten de profeten van Gilgal bij elkaar met Elisa. Elisa zei tegen zijn knecht: ‘Zet een grote pot op het vuur en maak soep klaar voor deze profeten.’

39Eén van de profeten ging op zoek naar eetbare planten. Hij vond een plant met ronde gele vruchten. Hij plukte er zo veel van als hij kon dragen. Hij nam de vruchten mee terug, sneed ze in stukjes en gooide die in de pot met soep. Niemand wist precies wat het was.

40De soep werd aan de mannen uitgedeeld. Maar zodra ze ervan proefden, schreeuwden ze: ‘Profeet, van dit eten gaan we dood!’ Ze konden geen hap door hun keel krijgen.

41Toen zei Elisa: ‘Breng me wat meel.’ Dat strooide hij in de pot. Daarna zei hij: ‘Deel de soep nu opnieuw uit.’ Toen was de bittere smaak helemaal weg.

Elisa geeft honderd profeten te eten

42Op een dag kwam er iemand uit de stad Baäl-Salisa bij de profeet Elisa op bezoek. Hij bracht twintig broden voor hem mee. De broden waren gebakken met gerst van de nieuwe oogst. De man had ook nog wat vers graan bij zich.

Elisa zei tegen zijn knecht: ‘Geef dit brood aan de profeten te eten.’ 43De knecht vroeg: ‘Is dit genoeg voor honderd mensen?’ ‘Jazeker,’ antwoordde Elisa. ‘Want de Heer zegt: ‘Ze kunnen allemaal van deze broden eten, en ze zullen nog overhouden ook.’’

44Toen deelde de knecht het brood uit. Iedereen at ervan, en er bleef nog brood over ook. Precies zoals de Heer gezegd had.