Bijbel in Gewone Taal (BGT)
25

251Toen viel Nebukadnessar met zijn hele leger Jeruzalem aan. Dat gebeurde toen Sedekia negen jaar koning was, op de tiende dag van de tiende maand. De soldaten van Nebukadnessar zetten hun tenten neer en omsingelden de stad.

Sedekia vlucht uit Jeruzalem

2-4Zo bleef het totdat Sedekia elf jaar koning was. Er kwam steeds meer honger in Jeruzalem, de mensen hadden niets meer te eten. Op de negende dag van de vierde maand van dat jaar sloegen de Babyloniërs een groot gat in de stadsmuur. Zo wilden ze de stad binnenkomen.

De stad was nog steeds aan alle kanten omsingeld. Maar toch konden alle soldaten van Sedekia de stad uit komen. Ze ontsnapten ’s nachts via de koninklijke tuinen door de poort tussen de twee stadsmuren. Samen met koning Sedekia vluchtten ze in de richting van de Jordaan.

Sedekia wordt gevangengenomen

5Maar het leger van de Babyloniërs ging achter Sedekia aan. In de buurt van Jericho haalden ze hem in. De soldaten van Sedekia vluchtten alle kanten op, 6maar Sedekia zelf werd gevangengenomen. Hij werd naar de stad Ribla gebracht, naar koning Nebukadnessar. Daar werd bepaald welke straf hij zou krijgen.

7Eerst moest Sedekia zien hoe zijn eigen zonen vermoord werden. Toen werden zijn ogen uitgestoken. Daarna werd hij vastgebonden met kettingen, en naar Babel gebracht.

Jeruzalem wordt verwoest

8Op de zevende dag van de vijfde maand trok Nebuzaradan, de hoogste generaal van Nebukadnessar, de stad Jeruzalem binnen. Nebukadnessar was toen negentien jaar koning van Babylonië.

9Nebuzaradan stak de tempel van de Heer in brand. En ook het koninklijk paleis, de grote gebouwen en alle huizen in Jeruzalem. 10Daarna liet hij zijn soldaten de stadsmuren afbreken.

11Alle inwoners van de stad die nog in leven waren, werden door Nebuzaradan als gevangenen meegenomen. Ook de Judeeërs die de kant van de Babyloniërs gekozen hadden, moesten mee. 12Alleen de armste mensen mochten in het land blijven. Zij moesten voor de wijngaarden en de akkers zorgen.

De tempel wordt leeggehaald

13-17De Babyloniërs wilden al het brons uit de tempel van de Heer meenemen. Daarom sloegen ze de twee bronzen zuilen kapot die bij de tempel stonden. De zuilen waren allebei 9 meter hoog. Boven op elke zuil stond een bronzen sierstuk dat 1,5 meter hoog was. Om de sierstukken heen zat een bronzen vlechtwerk dat met appels van brons versierd was.

De Babyloniërs sloegen ook de bronzen waskarren kapot, en de grote bronzen waterbak die ‘de Zee’ genoemd werd. Salomo had die waskarren, de waterbak en ook de zuilen vroeger voor de tempel laten maken. Al dat brons was zo zwaar dat het niet te wegen was.

De Babyloniërs namen alles mee naar Babel. Ook de bronzen potten, scheppen, messen, kommen en alle andere voorwerpen van brons die in de tempel gebruikt werden. En ook de voorwerpen die van goud of zilver waren, zoals de schalen voor de offers en de vuurbakken. Generaal Nebuzaradan nam alles mee.

De belangrijkste mensen worden gedood

18Nebuzaradan nam een aantal belangrijke mensen gevangen: Seraja, die toen hogepriester was, Sefanja, de priester die hem moest vervangen, en de drie priesters die de ingang van de tempel moesten bewaken. 19Verder nam hij de volgende mensen uit de stad gevangen: een hoge legerleider, vijf raadgevers van de koning, de officier die het leger bij elkaar moest roepen, en zestig mannen uit belangrijke families.

20Die mensen werden door generaal Nebuzaradan naar koning Nebukadnessar gebracht, in de stad Ribla. 21De koning liet hen daar doden, in Ribla in het land Hamat.

Gedalja wordt bestuurder van Juda

De meeste inwoners van Juda moesten dus als gevangenen hun land verlaten. 22Een klein deel van hen mocht in het land blijven. Koning Nebukadnessar van Babylonië stelde Gedalja als bestuurder voor hen aan. Gedalja was een zoon van Achikam en een kleinzoon van Safan.

23Enkele Judese legerleiders en hun soldaten waren in het land achtergebleven. Ze hoorden dat Gedalja bestuurder van Juda geworden was. Ze gingen naar hem toe in de stad Mispa. Dit waren de legerleiders: Jismaël, de zoon van Netanja. Jochanan, de zoon van Kareach. Seraja, de zoon van Tanchumet uit Netofa. En ten slotte Jaäzanja, de zoon van een man uit Maächa.

24Gedalja zei tegen de legerleiders en hun soldaten: ‘Jullie kunnen allemaal rustig in dit land blijven wonen. Wees niet bang voor de ambtenaren van de Babyloniërs. Dien hun koning, dan zal het goed met jullie gaan. Dat beloof ik.’

De dood van Gedalja

25In de zevende maand van dat jaar kwam Jismaël naar Mispa. Jismaël was een zoon van Netanja en een kleinzoon van Elisama. Hij kwam uit de koninklijke familie van Juda.

Jismaël kwam met tien andere mannen bij Gedalja. Ze doodden Gedalja, en ook de Judeeërs en Babyloniërs die bij hem in Mispa waren.

26Daarna vluchtte het hele volk naar Egypte, iedereen van jong tot oud, samen met alle legerleiders. Want ze waren bang voor de Babyloniërs.

Jojachin wordt vrijgelaten

Jojachin gaat naar het koninklijk paleis

27Koning Jojachin van Juda zat 37 jaar gevangen in Babel. Toen werd Ewil-Merodach koning van Babylonië. Op de 27ste dag van de twaalfde maand liet hij Jojachin vrij uit de gevangenis.

28Koning Ewil-Merodach was vriendelijk tegen Jojachin, en gaf hem een hoge plaats in zijn paleis. Jojachin werd belangrijker dan de andere koningen die als gevangenen naar Babel gebracht waren. 29Hij hoefde niet langer de kleren aan die hij in de gevangenis droeg. En hij mocht voortaan eten in het koninklijk paleis. Dat bleef verder zijn hele leven zo. 30De koning van Babylonië zorgde ervoor dat Jojachin elke dag kreeg wat hij nodig had, zijn hele leven lang.