Bijbel in Gewone Taal (BGT)
23

Josia leest het boek voor

231De koning liet alle leiders van Juda en Jeruzalem bij zich komen. 2Toen ging hij naar de tempel van de Heer, met alle inwoners van Juda en Jeruzalem, en met de priesters en de profeten. Iedereen ging mee, van jong tot oud. De koning las hun het hele boek voor dat in de tempel gevonden was, het boek met de wetten van de Heer.

Josia en het volk doen een belofte

3Daarna ging de koning op het podium bij de tempel staan. Hij deed een plechtige belofte aan de Heer. Hij beloofde dat hij de Heer zou dienen, en dat hij zich met hart en ziel aan al zijn wetten en regels zou houden. Hij beloofde dat hij alles zou doen wat er in het boek stond. En het volk beloofde dat ook.

Geen offers meer voor de afgoden

4Toen gaf de koning een opdracht aan hogepriester Chilkia, aan de andere priesters, en aan de bewakers van de ingang van de tempel. Zij moesten alle voorwerpen uit de tempel weghalen die gemaakt waren voor de afgoden: voor de god Baäl, voor de godin Asjera en voor de sterren. En ze moesten al die voorwerpen verbranden buiten Jeruzalem, in de velden bij de rivier de Kidron. De as moesten ze naar de stad Betel brengen.

5Daarna stuurde koning Josia de priesters weg die waren aangesteld door de vorige koningen van Juda. Dat waren de priesters van de offerplaatsen bij Jeruzalem en de andere steden van Juda. Zij brachten offers aan de god Baäl, en aan de zon, de maan, de sterren en de planeten.

6Verder liet de koning het beeld van de godin Asjera weghalen uit de tempel van de Heer. Hij liet het verbranden buiten Jeruzalem, in het Kidron-dal. De resten werden kapotgeslagen, tot er alleen nog maar stof over was. Dat stof werd uitgestrooid op de begraafplaats van het gewone volk.

7De koning liet ook een aantal gebouwen bij de tempel afbreken. In die gebouwen woonden de dienaren van andere goden. En vrouwen maakten daar mantels voor het beeld van de godin Asjera.

Josia laat de offerplaatsen verwoesten

8Daarna liet de koning alle priesters uit de steden van Juda naar Jeruzalem komen. Hij liet alle offerplaatsen onrein maken waar die priesters offers gebracht hadden. Dat waren offerplaatsen in heel Juda, van noord tot zuid. De koning liet ook de offerplaatsen bij de poort van stadsbestuurder Josua verwoesten. Die poort was vlak bij de grote stadspoort, aan de linkerkant.

9De priesters van de offerplaatsen mochten geen offers brengen op het altaar van de Heer in de tempel van Jeruzalem. Maar op het Paasfeest mochten ze wel met de andere priesters mee-eten van het brood zonder gist.

10Koning Josia liet ook de offerplaats Tofet in het Hinnom-dal onrein maken. Zo kon niemand daar meer zijn zoon of dochter offeren aan de god Moloch.

De zon mag niet meer vereerd worden

11Verder liet de koning de paarden weghalen die gebruikt werden om de zon te vereren. Die stonden op het binnenplein van de tempel, tussen de ingang en de kamers van Netanmelech, een dienaar van de koning. De wagens die erbij hoorden, werden verbrand. De paarden en wagens waren daar neergezet door eerdere koningen van Juda.

12Die koningen hadden ook altaren voor de sterren gebouwd op het dak van het paleis. En koning Manasse had altaren laten neerzetten op allebei de pleinen van de tempel. Koning Josia liet al die altaren afbreken. De stukken steen liet hij zo snel mogelijk naar het Kidron-dal brengen.

Josia laat nog meer offerplaatsen verwoesten

13Ook koning Salomo had vroeger offerplaatsen laten bouwen, buiten Jeruzalem, aan de zuidkant van de Olijfberg. Het waren offerplaatsen voor Astarte, de afschuwelijke godin van de Sidoniërs, voor Kemos, de afschuwelijke god van de Moabieten, en voor Milkom, de afschuwelijke god van de Ammonieten. Koning Josia liet ook die offerplaatsen onrein maken. 14En hij liet de heilige stenen en de palen voor de godin Asjera verwoesten. De plek waar ze gestaan hadden, liet hij volgooien met botten van mensen.

Het altaar in Betel wordt verwoest

15Koning Josia verwoestte ook het altaar in Betel. Dat stond op de offerplaats die gebouwd was door Jerobeam, de zoon van Nebat. Door Jerobeam waren de Israëlieten ontrouw geworden aan de Heer.

Koning Josia verwoestte niet alleen het altaar, hij stak de hele offerplaats in brand. Wat er overbleef, liet hij kapotslaan. Ook stak hij de heilige paal voor de godin Asjera in brand.

16Toevallig zag hij ook de graven die daar op de heuvel waren. Hij liet de botten eruit halen en op het altaar verbranden. Zo maakte hij het altaar onrein. En zo gebeurde er wat de Heer gezegd had en wat door één van zijn profeten voorspeld was.

17Daarna vroeg Josia: ‘Wat is dat daar voor een steen?’ De mensen uit Betel zeiden: ‘Daar is het graf van een profeet die vroeger uit Juda hierheen gekomen is. Hij heeft toen voorspeld wat u nu met het altaar in Betel gedaan hebt.’

18Toen zei Josia: ‘Laat zijn graf met rust, niemand mag zijn botten aanraken.’ Daarom lieten ze de botten van die profeet met rust, en ook de botten van de profeet uit Betel die in hetzelfde graf lag.

Josia laat de tempels in Israël afbreken

19Josia liet alle tempels afbreken die de koningen van Israël gebouwd hadden op de offerplaatsen in de steden van Israël. Daarmee hadden ze de Heer beledigd.

Josia deed met die tempels hetzelfde als hij met de offerplaats in Betel gedaan had. 20Op de altaren van die tempels offerde hij bovendien alle priesters van de offerplaatsen. En hij verbrandde er ook botten van mensen.

Een Paasfeest volgens de regels

Daarna ging koning Josia terug naar Jeruzalem. 21Daar gaf hij een opdracht aan het hele volk. Hij zei: ‘Jullie moeten het Paasfeest vieren voor de Heer, jullie God. Doe dat precies volgens het boek met de wetten van de Heer.’

22Zo’n Paasfeest was er niet meer geweest sinds de tijd dat Israël bestuurd werd door de rechters. Ook niet in de tijd van de eerdere koningen van Israël en Juda. 23Pas toen Josia achttien jaar koning van Juda was, werd in Jeruzalem dit Paasfeest weer voor de Heer gevierd.

Josia doet altijd wat de Heer wil

24Josia maakte ook een eind aan het werk van waarzeggers en voorspellers. En aan het gebruik van godenbeeldjes en het vereren van afgoden. Hij maakte een eind aan alle afschuwelijke dingen die in Juda en Jeruzalem gebeurden. Zo hield hij zich aan de regels uit het boek dat hogepriester Chilkia in de tempel van de Heer gevonden had.

25Nooit eerder is er zo’n koning geweest als Josia. En ook na hem is er nooit meer zo’n koning geweest. Josia deed altijd wat de Heer wilde. Hij leefde volgens de wet van Mozes, met zijn hele hart, met zijn hele ziel en met al zijn kracht.

De Heer blijft boos op zijn volk

26Maar toch bleef de Heer boos op het volk van Juda. Dat kwam door alle dingen waarmee koning Manasse hem beledigd had. 27De Heer zei: ‘Ik heb de Israëlieten weggestuurd uit hun land, en zo zal ik ook de mensen uit Juda wegsturen. Ik wil niets meer te maken hebben met deze stad, die ik ooit uitgekozen heb. En ook niet met de tempel waar ik wilde wonen.’

De dood van Josia

28-30In de tijd dat Josia koning was, ging farao Necho van Egypte met zijn leger naar de rivier de Eufraat toe. Daar wilde hij samen met de koning van Assyrië oorlog gaan voeren. Josia viel met zijn leger de farao aan om hem tegen te houden. Maar al bij het eerste gevecht werd Josia door de farao gedood. Dat gebeurde in de stad Megiddo.

De dienaren van Josia brachten zijn dode lichaam op een wagen terug naar Jeruzalem. Daar begroeven ze hem in het graf dat voor hem bestemd was.

Het volk van Juda koos Josia’s zoon Joachaz uit om zijn vader op te volgen, en ze maakten hem koning.

Alle andere verhalen over Josia staan opgeschreven in de boeken over de koningen van Juda.

Koning Joachaz van Juda

Joachaz wordt koning van Juda

31Joachaz werd koning van Juda toen hij 23 jaar oud was. Hij regeerde drie maanden vanuit Jeruzalem. Zijn moeder heette Chamutal. Zij was een dochter van Jirmeja, en ze kwam uit de stad Libna.

Joachaz is een slechte koning

32Joachaz deed dingen die de Heer slecht vond, precies zoals zijn voorouders.

De dood van Joachaz

33-34Joachaz werd door farao Necho gevangengenomen in de stad Ribla in het land Hamat. Daardoor kon hij geen koning meer zijn. Hij werd door de farao meegenomen naar Egypte, en daar is hij gestorven.

De farao maakte een andere zoon van Josia koning. Die zoon heette Eljakim, maar de farao veranderde zijn naam in Jojakim.

De farao wilde dat het volk van Juda hem 3000 kilo zilver en 30 kilo goud zou betalen. 35Jojakim zorgde ervoor dat de farao dat geld kreeg. Hij liet het hele land belasting betalen. Iedereen moest een even groot deel van zijn geld geven. Zo verzamelde Jojakim het goud en het zilver voor farao Necho.

Koning Jojakim van Juda

Jojakim wordt koning van Juda

36Jojakim werd koning van Juda toen hij 25 jaar oud was. Hij regeerde elf jaar vanuit Jeruzalem. Zijn moeder heette Zebudda. Zij was een dochter van Pedaja, en ze kwam uit de stad Ruma.

Jojakim is een slechte koning

37Jojakim deed dingen die de Heer slecht vond, precies zoals zijn voorouders.

24

Opstand tegen Nebukadnessar

241In de tijd dat Jojakim koning van Juda was, viel koning Nebukadnessar van Babylonië het land aan. Jojakim werd verslagen, en hij moest koning Nebukadnessar dienen. Maar na drie jaar kwam hij in opstand.

2Toen stuurde de Heer opnieuw de Babyloniërs op het land Juda af. En hij stuurde ook soldaten van andere volken: Arameeërs, Moabieten en Ammonieten. Zij moesten Juda verwoesten. Zo had de Heer het door zijn profeten laten voorspellen.

3Want de Heer wilde niets meer te maken hebben met het land Juda. Dat kwam door alle slechte dingen die koning Manasse gedaan had. 4Manasse had onschuldige mensen gedood, zo veel dat het bloed door heel Jeruzalem stroomde. Dat wilde de Heer hem niet vergeven.

De dood van Jojakim

5Alle andere verhalen over Jojakim staan opgeschreven in de boeken over de koningen van Juda. 6Toen Jojakim stierf, werd hij opgevolgd door zijn zoon Jojachin.

De farao verliest zijn macht

7De farao van Egypte had vroeger grote gebieden veroverd. Maar de koning van Babylonië had al die gebieden van hem afgenomen, vanaf de grens van Egypte tot aan de rivier de Eufraat. Daarom bleef de farao nu met zijn leger in Egypte.

Koning Jojachin van Juda

Jojachin wordt koning van Juda

8Jojachin werd koning van Juda toen hij achttien jaar oud was. Hij regeerde drie maanden vanuit Jeruzalem. Zijn moeder heette Nechusta. Zij was een dochter van Elnatan, en ze kwam uit Jeruzalem.

Jojachin is een slechte koning

9Jojachin deed dingen die de Heer slecht vond, precies zoals zijn vader.

Nebukadnessar verovert Jeruzalem

10In de tijd dat Jojachin koning van Juda was, viel het leger van koning Nebukadnessar van Babylonië de stad Jeruzalem aan. De soldaten omsingelden de stad. 11En Nebukadnessar kwam zelf ook naar Jeruzalem.

12Toen kwam koning Jojachin de stad uit, samen met zijn moeder, zijn dienaren, zijn legerleiders en zijn officieren. Ze gaven zich over aan koning Nebukadnessar. Die nam hen gevangen. Nebukadnessar was toen acht jaar koning van Babylonië.

13Nebukadnessar haalde alle kostbare voorwerpen weg uit de tempel en uit het paleis. Ook de gouden voorwerpen die koning Salomo voor de tempel had laten maken. Dat had de Heer al voorspeld.

Jojachin wordt naar Babel gebracht

14De inwoners van Jeruzalem werden als gevangenen naar Babylonië gebracht. Alle legerleiders moesten vertrekken, samen met tienduizend soldaten. Verder iedereen die werkte als timmerman of smid. Alleen de armste mensen bleven in Jeruzalem achter.

15Ook koning Jojachin moest vertrekken, samen met zijn moeder, zijn vrouwen, zijn belangrijkste dienaren en de machtigste mannen van het land. Nebukadnessar nam hen als gevangenen uit Jeruzalem mee naar de stad Babel. 16Ook nam hij zevenduizend soldaten mee, en duizend timmermannen en smeden. Hij nam iedereen mee die iets met het leger te maken had.

17Nebukadnessar maakte Mattanja koning in plaats van Jojachin. Mattanja was een oom van Jojachin. Nebukadnessar veranderde de naam van Mattanja in Sedekia.

Koning Sedekia van Juda

Sedekia wordt koning van Juda

18Sedekia werd koning van Juda toen hij 21 jaar oud was. Hij regeerde elf jaar vanuit Jeruzalem. Zijn moeder heette Chamutal. Zij was een dochter van Jirmeja, en ze kwam uit de stad Libna.

Sedekia is een slechte koning

19Sedekia deed dingen die de Heer slecht vond, precies zoals zijn vader Jojakim. 20Daardoor werd de Heer zo boos op de inwoners van Jeruzalem en Juda, dat hij niets meer met hen te maken wilde hebben.

De Babyloniërs vallen Jeruzalem aan

Sedekia kwam in opstand tegen koning Nebukadnessar van Babylonië.

25

251Toen viel Nebukadnessar met zijn hele leger Jeruzalem aan. Dat gebeurde toen Sedekia negen jaar koning was, op de tiende dag van de tiende maand. De soldaten van Nebukadnessar zetten hun tenten neer en omsingelden de stad.

Sedekia vlucht uit Jeruzalem

2-4Zo bleef het totdat Sedekia elf jaar koning was. Er kwam steeds meer honger in Jeruzalem, de mensen hadden niets meer te eten. Op de negende dag van de vierde maand van dat jaar sloegen de Babyloniërs een groot gat in de stadsmuur. Zo wilden ze de stad binnenkomen.

De stad was nog steeds aan alle kanten omsingeld. Maar toch konden alle soldaten van Sedekia de stad uit komen. Ze ontsnapten ’s nachts via de koninklijke tuinen door de poort tussen de twee stadsmuren. Samen met koning Sedekia vluchtten ze in de richting van de Jordaan.

Sedekia wordt gevangengenomen

5Maar het leger van de Babyloniërs ging achter Sedekia aan. In de buurt van Jericho haalden ze hem in. De soldaten van Sedekia vluchtten alle kanten op, 6maar Sedekia zelf werd gevangengenomen. Hij werd naar de stad Ribla gebracht, naar koning Nebukadnessar. Daar werd bepaald welke straf hij zou krijgen.

7Eerst moest Sedekia zien hoe zijn eigen zonen vermoord werden. Toen werden zijn ogen uitgestoken. Daarna werd hij vastgebonden met kettingen, en naar Babel gebracht.

Jeruzalem wordt verwoest

8Op de zevende dag van de vijfde maand trok Nebuzaradan, de hoogste generaal van Nebukadnessar, de stad Jeruzalem binnen. Nebukadnessar was toen negentien jaar koning van Babylonië.

9Nebuzaradan stak de tempel van de Heer in brand. En ook het koninklijk paleis, de grote gebouwen en alle huizen in Jeruzalem. 10Daarna liet hij zijn soldaten de stadsmuren afbreken.

11Alle inwoners van de stad die nog in leven waren, werden door Nebuzaradan als gevangenen meegenomen. Ook de Judeeërs die de kant van de Babyloniërs gekozen hadden, moesten mee. 12Alleen de armste mensen mochten in het land blijven. Zij moesten voor de wijngaarden en de akkers zorgen.

De tempel wordt leeggehaald

13-17De Babyloniërs wilden al het brons uit de tempel van de Heer meenemen. Daarom sloegen ze de twee bronzen zuilen kapot die bij de tempel stonden. De zuilen waren allebei 9 meter hoog. Boven op elke zuil stond een bronzen sierstuk dat 1,5 meter hoog was. Om de sierstukken heen zat een bronzen vlechtwerk dat met appels van brons versierd was.

De Babyloniërs sloegen ook de bronzen waskarren kapot, en de grote bronzen waterbak die ‘de Zee’ genoemd werd. Salomo had die waskarren, de waterbak en ook de zuilen vroeger voor de tempel laten maken. Al dat brons was zo zwaar dat het niet te wegen was.

De Babyloniërs namen alles mee naar Babel. Ook de bronzen potten, scheppen, messen, kommen en alle andere voorwerpen van brons die in de tempel gebruikt werden. En ook de voorwerpen die van goud of zilver waren, zoals de schalen voor de offers en de vuurbakken. Generaal Nebuzaradan nam alles mee.

De belangrijkste mensen worden gedood

18Nebuzaradan nam een aantal belangrijke mensen gevangen: Seraja, die toen hogepriester was, Sefanja, de priester die hem moest vervangen, en de drie priesters die de ingang van de tempel moesten bewaken. 19Verder nam hij de volgende mensen uit de stad gevangen: een hoge legerleider, vijf raadgevers van de koning, de officier die het leger bij elkaar moest roepen, en zestig mannen uit belangrijke families.

20Die mensen werden door generaal Nebuzaradan naar koning Nebukadnessar gebracht, in de stad Ribla. 21De koning liet hen daar doden, in Ribla in het land Hamat.

Gedalja wordt bestuurder van Juda

De meeste inwoners van Juda moesten dus als gevangenen hun land verlaten. 22Een klein deel van hen mocht in het land blijven. Koning Nebukadnessar van Babylonië stelde Gedalja als bestuurder voor hen aan. Gedalja was een zoon van Achikam en een kleinzoon van Safan.

23Enkele Judese legerleiders en hun soldaten waren in het land achtergebleven. Ze hoorden dat Gedalja bestuurder van Juda geworden was. Ze gingen naar hem toe in de stad Mispa. Dit waren de legerleiders: Jismaël, de zoon van Netanja. Jochanan, de zoon van Kareach. Seraja, de zoon van Tanchumet uit Netofa. En ten slotte Jaäzanja, de zoon van een man uit Maächa.

24Gedalja zei tegen de legerleiders en hun soldaten: ‘Jullie kunnen allemaal rustig in dit land blijven wonen. Wees niet bang voor de ambtenaren van de Babyloniërs. Dien hun koning, dan zal het goed met jullie gaan. Dat beloof ik.’

De dood van Gedalja

25In de zevende maand van dat jaar kwam Jismaël naar Mispa. Jismaël was een zoon van Netanja en een kleinzoon van Elisama. Hij kwam uit de koninklijke familie van Juda.

Jismaël kwam met tien andere mannen bij Gedalja. Ze doodden Gedalja, en ook de Judeeërs en Babyloniërs die bij hem in Mispa waren.

26Daarna vluchtte het hele volk naar Egypte, iedereen van jong tot oud, samen met alle legerleiders. Want ze waren bang voor de Babyloniërs.

Jojachin wordt vrijgelaten

Jojachin gaat naar het koninklijk paleis

27Koning Jojachin van Juda zat 37 jaar gevangen in Babel. Toen werd Ewil-Merodach koning van Babylonië. Op de 27ste dag van de twaalfde maand liet hij Jojachin vrij uit de gevangenis.

28Koning Ewil-Merodach was vriendelijk tegen Jojachin, en gaf hem een hoge plaats in zijn paleis. Jojachin werd belangrijker dan de andere koningen die als gevangenen naar Babel gebracht waren. 29Hij hoefde niet langer de kleren aan die hij in de gevangenis droeg. En hij mocht voortaan eten in het koninklijk paleis. Dat bleef verder zijn hele leven zo. 30De koning van Babylonië zorgde ervoor dat Jojachin elke dag kreeg wat hij nodig had, zijn hele leven lang.