Bijbel in Gewone Taal (BGT)
17

Koning Hosea van Israël

Hosea wordt koning van Israël

171Hosea, de zoon van Ela, werd koning van Israël toen Achaz twaalf jaar koning van Juda was. Hosea regeerde negen jaar vanuit de stad Samaria.

Hosea is een slechte koning

2Hosea deed dingen die de Heer slecht vond. Toch was hij niet zo slecht als de vorige koningen van Israël.

Hosea wordt verslagen door Salmanassar

3Op een keer werd Hosea aangevallen door koning Salmanassar van Assyrië, en hij werd door hem verslagen. Hosea moest voortaan doen wat Salmanassar wilde, en elk jaar belasting aan hem betalen.

4Maar na een tijdje ontdekte Salmanassar dat Hosea tegen hem in opstand wilde komen. Hosea had steun gezocht bij farao So van Egypte, en betaalde geen belasting meer aan Salmanassar. Daarom liet Salmanassar Hosea gevangennemen en opsluiten.

5Daarna viel Salmanassar Israël en de stad Samaria aan. Hij omsingelde de stad met zijn leger. Na drie jaar 6veroverde hij de stad. Hosea was toen negen jaar koning.

Salmanassar nam de inwoners van Israël als gevangenen mee naar Assyrië. Sommigen van hen liet hij in de stad Chalach wonen. Anderen bij de rivier de Chabor, in het gebied Gozan. En weer anderen in de steden van Medië.

De ontrouw van Israël

De Israëlieten doen slechte dingen

7Dat is allemaal gebeurd omdat de Israëlieten ontrouw geworden waren aan de Heer, hun God. Hij had hen bevrijd uit Egypte en uit de macht van de farao. Maar zij waren toch andere goden gaan vereren.

8Ze gingen net zo leven als de volken die de Heer voor hen weggejaagd had. Ze volgden de regels van hun eigen koningen, in plaats van de regels van de Heer.

9De Israëlieten vereerden de Heer, hun God, op een verkeerde manier. Ze bouwden overal offerplaatsen, zelfs in de kleinste stadjes. 10-11Op al die offerplaatsen brachten ze offers, net zoals de volken die de Heer vroeger voor hen weggejaagd had. En ze zetten heilige stenen en heilige palen neer op elke hoge heuvel en onder iedere groene boom.

Ze deden dus slechte dingen, en daarmee beledigden ze de Heer.

De boodschap van de profeten

12Bovendien vereerden de Israëlieten afgoden, ook al had de Heer hun dat verboden. 13De Heer had Israël en Juda gewaarschuwd, hij had steeds weer profeten naar hen toe gestuurd. Die zeiden namens de Heer: ‘Stop met jullie slechte daden! Houd je aan mijn wetten en regels. Houd je aan alle regels die ik, de Heer, aan jullie voorouders gegeven heb. En luister naar de woorden van mijn profeten.’

De reactie van de Israëlieten

14Maar de Israëlieten hadden geen vertrouwen in de Heer, hun God. Ze waren net zo ongehoorzaam als hun voorouders. 15Ze luisterden niet naar de waarschuwingen van de Heer. Ze leefden niet volgens de wetten en regels die hij aan hun voorouders gegeven had. Ze vereerden goden die niets waard waren, en daardoor waren ze zelf niets meer waard. Ze gingen net zo leven als de volken om hen heen, ook al had de Heer hun dat verboden.

16De Israëlieten vergaten alle wetten van de Heer, hun God. Ze maakten twee beelden van stieren, en ze maakten een heilige paal voor de godin Asjera. Ze vereerden de sterren en dienden de god Baäl. 17Ze offerden hun kinderen, ze gingen naar waarzeggers, en ze probeerden ook zelf de toekomst te voorspellen. Ze deden alles wat de Heer slecht vond, en zo beledigden ze hem.

18Toen werd de Heer woedend op de Israëlieten. Hij stuurde ze weg uit hun land. Alleen de stam Juda bleef nog over. 19Maar ook de mensen van Juda hielden zich niet aan de wetten van de Heer, hun God. Ze volgden het slechte voorbeeld van de Israëlieten.

De straf van de Heer

20De Heer strafte en vernederde het hele volk van Israël. Hij liet hun land leegroven door andere volken, en hij stuurde alle Israëlieten weg uit het land.

21De Israëlieten waren ontrouw geworden aan de Heer. Dat kwam doordat ze zich losgemaakt hadden van de familie van David. Daarna hadden ze Jerobeam, de zoon van Nebat, koning gemaakt. En door Jerobeam waren ze verkeerde dingen gaan doen.

22Vanaf die tijd bleven de Israëlieten ontrouw aan de Heer. Ze veranderden hun leven niet. 23Daarom stuurde de Heer hen uiteindelijk weg. Ze werden meegenomen naar Assyrië, en ze wonen daar nog altijd.

Zo gebeurde wat de Heer had gezegd en wat zijn profeten hadden voorspeld.

Andere volken in Israël

Er komen nieuwe bewoners

24De koning van Assyrië stuurde mensen uit Babel, Kuta, Awwa, Hamat en Sefarwaïm naar Israël. Zij namen het gebied van de Israëlieten in bezit, en gingen in hun steden wonen.

25In het begin vereerden die mensen de Heer niet. Daarom strafte de Heer hen. Hij stuurde leeuwen op hen af, die een aantal mensen doodden.

De nieuwe bewoners moeten de Heer vereren

26Toen kreeg de koning van Assyrië het volgende bericht: ‘U hebt mensen uit andere volken naar Israël gestuurd. Maar die mensen kennen de regels van Israëls God niet. Daarom heeft die God hen gestraft. Hij heeft leeuwen op hen afgestuurd, en die hebben al een aantal mensen gedood. Dat is hun straf, omdat ze de regels van de God van Israël niet kennen.’

27Toen de koning van Assyrië dat hoorde, zei hij: ‘Laat één van de priesters die uit Israël hierheen gebracht is, teruggaan naar zijn land. Daar moet hij aan de nieuwe bewoners de regels van de God van Israël uitleggen.’

28Eén van die priesters ging toen terug naar Israël. Hij ging in Betel wonen. Daar leerde hij de mensen hoe ze de Heer moesten vereren.

De nieuwe bewoners vereren ook hun eigen goden

29Toch bleven de nieuwe bewoners van het land beelden maken van hun eigen goden. Ze zetten die beelden neer in de tempels die de Israëlieten op de offerplaatsen gebouwd hadden. Dat deden ze in al hun steden.

30De mensen uit Babel maakten een beeld van de god Sukkot-Benot. De mensen uit Kuta maakten een beeld van de god Nergal. De mensen uit Hamat maakten een beeld van de godin Asima. 31De mensen uit Awwa maakten beelden van de goden Nibchaz en Tartak. En de mensen uit Sefarwaïm offerden hun kinderen aan de goden Adrammelech en Anammelech.

32Maar tegelijk vereerden al die mensen ook de Heer. Ze stelden zelf priesters aan. Die brachten offers aan de Heer in de tempels op de offerplaatsen.

33Zo dienden ze de Heer, en ze bleven ook hun eigen goden dienen, net als in de landen waar ze vandaan kwamen.

Alles is hetzelfde gebleven

34En zo gaat het nog steeds. De nieuwe bewoners van het land leven nog altijd volgens hun oude gewoontes. Ze vereren de Heer niet op de goede manier, want ze houden zich niet aan zijn wetten en regels. Dat zijn de regels die de Heer gegeven heeft aan de nakomelingen van Jakob. Aan Jakob had hij de naam Israël gegeven.

35De Heer beloofde aan de Israëlieten dat hij hen zou beschermen. Maar dan moesten ze zich wel aan zijn regels houden. Ze mochten geen andere goden vereren. Ze mochten niet knielen voor die goden, en geen offers aan ze brengen.

36De Heer zei: ‘Ik heb jullie uit Egypte gehaald, ik heb aan de Egyptenaren mijn macht laten zien. Vereer alleen mij! Jullie mogen alleen voor mij knielen, en alleen aan mij offers brengen.

37Houd je aan de wetten en regels die ik voor jullie opgeschreven heb. Houd je daar altijd aan, en vereer geen andere goden. 38-39Ik ben de Heer, jullie God. Vergeet daarom mijn regels niet. Vereer geen andere goden, vereer alleen mij. Dan zal ik jullie redden uit de macht van al jullie vijanden.’

40-41Maar de nieuwe bewoners van het land hielden zich niet aan de regels van de Heer. Ze bleven volgens hun oude gewoontes leven. Ze vereerden niet alleen de Heer, maar ook hun eigen godenbeelden. Hun kinderen en kleinkinderen deden hetzelfde. En dat is nog steeds zo.

18

Koning Hizkia van Juda

Hizkia wordt koning van Juda

181Hizkia, de zoon van Achaz, werd koning van Juda toen Hosea, de zoon van Ela, drie jaar koning van Israël was. 2Hizkia was 25 jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde 29 jaar vanuit Jeruzalem. Zijn moeder heette Abi. Zij was een dochter van Zecharja.

Hizkia is een goede koning

3Hizkia leefde zoals de Heer het wilde, net als zijn voorvader David.

4Hizkia zorgde ervoor dat de offerplaatsen niet meer gebruikt werden. Hij liet de heilige stenen kapotslaan en de heilige palen omhakken. Ook liet hij de koperen slang kapotslaan die Mozes gemaakt had. Want de Israëlieten brandden nog steeds wierook voor die koperen slang. Ze noemden hem Koperslang.

5Hizkia vertrouwde op de Heer, de God van Israël. Hij was de beste koning die Juda ooit gehad heeft. 6Hij bleef zijn hele leven trouw aan de Heer, en hij hield zich aan de regels die de Heer aan Mozes gegeven had. 7En de Heer hielp hem. Daardoor lukte alles waar Hizkia aan begon.

Hizkia kwam in opstand tegen de koning van Assyrië, want hij wilde hem niet langer dienen. 8Ook versloeg hij de Filistijnen. Hij veroverde de stad Gaza en het hele gebied daaromheen, zelfs de kleinste stadjes.

Het einde van Israël

Samaria wordt veroverd

9Toen Hizkia vier jaar koning van Juda was, viel koning Salmanassar van Assyrië de stad Samaria aan. Hosea was toen zeven jaar koning van Israël. Salmanassar omsingelde de stad met zijn leger.

10Na drie jaar veroverden ze de stad. Hizkia was toen zes jaar koning van Juda, en Hosea was negen jaar koning van Israël. 11Salmanassar nam de inwoners van Israël als gevangenen mee naar Assyrië. Sommigen van hen bracht hij naar de stad Chalach. Anderen naar de rivier de Chabor, in het gebied Gozan. En weer anderen naar de steden van Medië.

12Dat is allemaal gebeurd omdat de Israëlieten niet luisterden naar de Heer, hun God. Ze leefden niet volgens zijn wetten. Ze hielden zich niet aan de regels die zijn dienaar Mozes hun gegeven had. Ze waren ongehoorzaam.

Koning Sanherib valt Juda aan

Sanherib wil geld van Hizkia

13Toen Hizkia veertien jaar koning van Juda was, werd zijn land aangevallen door Sanherib, de koning van Assyrië. Sanherib veroverde veel steden in Juda.

14Eén van die steden was Lachis. Toen Sanherib die stad veroverd had, stuurde Hizkia boodschappers naar hem toe. Die zeiden namens Hizkia: ‘Ik had niet tegen u in opstand moeten komen. Ik hoop dat u met uw leger terug wilt gaan naar uw land. Dan zal ik u betalen wat u maar wilt.’ Koning Sanherib liet Hizkia weten dat hij 9000 kilo zilver en 900 kilo goud moest betalen.

15Hizkia gaf Sanherib al het zilver uit de tempel en uit het paleis. 16En hij liet al het goud weghalen waarmee hij de deuren van de grote zaal van de tempel had laten versieren. Ook dat goud gaf hij aan Sanherib.

Sanherib wil dat Hizkia zich overgeeft

17-18Vanuit Lachis stuurde Sanherib drie belangrijke legerleiders op weg met een groot leger. Ze moesten naar koning Hizkia gaan, in Jeruzalem.

Toen ze daar aangekomen waren, maakten ze een kamp bij het veld waar de was gedroogd wordt. Dat is op de plek waar het water van het kanaal in de bovenste vijver stroomt.

De drie legerleiders eisten een gesprek met koning Hizkia. Die stuurde drie dienaren naar hun kamp toe: Eljakim, Sebna en Joach. Eljakim, de zoon van Chilkia, had de leiding in het paleis. Sebna was schrijver van de koning. En Joach, de zoon van Asaf, was secretaris van de koning.

19Eén van de legerleiders van Sanherib zei tegen de dienaren van Hizkia: ‘Wij zijn hier namens Sanherib, de grote koning van Assyrië. Hij heeft een boodschap voor jullie koning Hizkia. Hij zegt: ‘Koning Hizkia, waarom voelt u zich zo zeker? 20Op wie vertrouwt u eigenlijk? Hoe durft u tegen mij in opstand te komen? Denkt u dat u met woorden een oorlog kunt winnen? Nee, daar hebt u een sterk leger en een goed plan voor nodig. 21U vertrouwt op de Egyptenaren. Maar hun farao is net zo onbetrouwbaar als een rietstengel. Als je daarop leunt, dan snijdt de stengel door je hand! Nee, op de farao kun je zeker niet vertrouwen.’’

Sanherib zegt dat Hizkia te zwak is

22Daarna zei de legerleider van Sanherib tegen de dienaren van Hizkia: ‘Jullie zeggen dat je vertrouwt op de Heer, jullie God. Maar koning Hizkia heeft zelf de offerplaatsen en altaren van die God laten weghalen! Hij heeft gezegd dat er alleen in Jeruzalem een altaar mag staan. Hij heeft gezegd dat de mensen alleen daar mogen knielen voor hun God.

23Nu wil koning Sanherib iets tegen jullie koning zeggen. Hij zegt: ‘Koning Hizkia, uw leger is zwak. Stel dat ik u tweeduizend paarden zou geven voor de strijd. Dan zou u niet eens genoeg soldaten hebben om op die paarden te rijden!

24Waarom vertrouwt u nog steeds op de Egyptenaren? Waarom denkt u dat u paarden, wagens en soldaten van hen zult krijgen? Door dat vertrouwen blijft u zwak. Zo zwak dat zelfs mijn onbelangrijkste legerleider nog van u kan winnen.

25En denkt u dat ik Jeruzalem aanval zonder toestemming van de Heer? Natuurlijk niet! De Heer heeft zelf tegen mij gezegd dat ik Juda moet aanvallen en verwoesten.’’

Het bericht is voor iedereen

26Toen zeiden Eljakim, Sebna en Joach tegen de legerleider: ‘Spreek alstublieft geen Hebreeuws tegen ons, want dan kunnen de mensen op de stadsmuur meeluisteren. Spreek maar Aramees, dat kunnen we ook goed verstaan.’

27Maar de legerleider zei: ‘Het bericht van koning Sanherib is niet alleen bestemd voor jullie en voor Hizkia. Iedereen mag horen wat ik te zeggen heb. Want binnenkort gaat het met iedereen slecht, met jullie en ook met die mensen daar op de muur. Dan moeten jullie allemaal je eigen stront eten en je eigen pis drinken.’

De legerleider zegt dat Hizkia liegt

28Daarna deed de legerleider nog een stap naar voren, en hij riep zo hard mogelijk in het Hebreeuws: ‘Luister allemaal goed! Dit zegt Sanherib, de grote koning van Assyrië, tegen jullie: 29‘Koning Hizkia kan jullie niet redden uit mijn macht! Ook al zegt hij van wel. 30Hij zegt dat de Heer jullie zal redden. En dat mijn aanval op de stad zal mislukken. Maar jullie moeten dat allemaal niet geloven!’’

31Toen riep de legerleider: ‘Luister dus niet naar koning Hizkia! Luister in plaats daarvan naar Sanherib, de koning van Assyrië. Hij zegt: ‘Ik wil vrede met jullie sluiten. Als jullie je overgeven, kan iedereen straks weer druiven en vijgen eten. En dan kan iedereen weer water drinken. 32Later zal ik jullie naar een land brengen waar jullie het nog beter zullen hebben dan hier! Want daar zijn korenvelden en wijngaarden. Er is volop brood en wijn. Het is een land met olijfbomen, olijfolie en honing. Daar gaan jullie niet dood van de honger, daar krijgen jullie een goed leven! Luister dus niet naar Hizkia. Hij liegt tegen jullie, want hij zegt dat de Heer jullie zal redden.

33-34De steden en de landen die ik aangevallen heb, zijn allemaal verwoest. Ze zijn niet door hun goden gered. Kijk maar naar Hamat en Arpad, kijk naar Sefarwaïm, Hena en Iwwa. Ik heb ze aangevallen, en ze zijn niet gered! En ook Samaria is niet gered! 35Geen enkele god heeft zijn stad of zijn land kunnen redden. Dan kan de Heer toch ook Jeruzalem niet redden?’’

De dienaren van Hizkia gaan terug

36Toen de legerleider dat allemaal gezegd had, zweeg iedereen. Want koning Hizkia had gezegd dat niemand de legerleider antwoord mocht geven.

37Daarna scheurden de drie dienaren van de koning van verdriet hun kleren. Ze gingen terug naar het paleis en vertelden aan koning Hizkia wat de legerleider gezegd had.

19

Hizkia vraagt Jesaja om raad

191Toen koning Hizkia hoorde wat er gezegd was, scheurde hij van verdriet zijn kleren. Hij trok rouwkleren aan en ging naar de tempel van de Heer. 2Toen liet hij Eljakim en Sebna bij zich komen, samen met de belangrijkste priesters. En hij zei dat zij ook rouwkleren moesten aantrekken.

Daarna stuurde Hizkia hen naar de profeet Jesaja, de zoon van Amos, 3met het volgende bericht: ‘Jesaja, het gaat niet goed met mij en mijn volk. We worden bang gemaakt, vernederd en gestraft. En ik kan mijn volk niet redden, hoe graag ik dat ook wil. Ik voel me als een vrouw die moet bevallen, maar er de kracht niet voor heeft.

4Maar misschien heeft de Heer, de levende God, gehoord hoe erg Sanherib hem beledigd heeft. En misschien zal hij Sanherib daarom straffen. Bid daarom voor ons volk, Jesaja, bid voor de mensen die nog in leven zijn.’

5Met dat bericht kwamen de dienaren van Hizkia bij Jesaja. 6En Jesaja antwoordde: ‘Dit zegt de Heer tegen koning Hizkia: ‘U hoeft niet bang te zijn voor de koning van Assyrië, die mij beledigd heeft. 7Want ik zal hem bang maken. Ik zal hem zulk slecht nieuws brengen, dat hij teruggaat naar zijn eigen land. En ik zal ervoor zorgen dat hij daar gedood wordt.’’

Sanherib stuurt boodschappers naar Hizkia

8Intussen was de legerleider weer teruggegaan naar koning Sanherib. Die had de stad Lachis alweer verlaten. Hij was nu met zijn leger op weg naar de stad Libna.

9Maar toen kreeg Sanherib een bericht over Tirhaka, de koning van Nubië. Die was met zijn leger op weg gegaan om hem aan te vallen. Daarom stuurde Sanherib opnieuw boodschappers met een brief naar Hizkia.

In die brief stond: 10‘Hizkia, laat u niet bedriegen door uw God! Hij heeft gezegd dat Jeruzalem niet door mij veroverd zal worden. En u vertrouwt op hem. 11Maar u weet toch wat er gebeurd is? Alle landen die door mijn volk aangevallen zijn, zijn verwoest. Waarom zou u dan wel gered worden?

12Mijn voorouders hebben de steden Gozan, Charan en Resef aangevallen. En ook Telassar, waar de mensen uit Eden woonden. Ze hebben die steden helemaal verwoest. De inwoners werden dus niet door hun goden gered. 13En ook de koningen van de steden Hamat, Arpad, Sefarwaïm, Hena en Iwwa zijn niet door hun goden gered.’

Hizkia leest de brief van Sanherib

14Koning Hizkia las de brief die de boodschappers van Sanherib aan hem gaven. Daarna ging hij naar de tempel van de Heer, en legde de brief neer bij het altaar. 15Toen begon Hizkia daar te bidden. Hij zei: ‘Heer, God van Israël! U zit op een troon die door engelen gedragen wordt. U alleen bent de God van alle koninkrijken op aarde. U hebt de hemel en de aarde gemaakt. 16Luister naar mij, Heer. Kijk wat er met ons gebeurt! En hoor wat koning Sanherib allemaal over u zegt! Hij beledigt u, de levende God.

17Heer, wat Sanherib gezegd heeft, dat is waar. De koningen van Assyrië hebben andere volken vernietigd en hun landen verwoest. 18En zij hebben ook de goden van die landen vernietigd. Maar dat waren geen echte goden. Het waren alleen maar beelden van hout en steen, die de mensen zelf gemaakt hadden.

19Maar u bent onze Heer, u bent onze God! Daarom vraag ik u om ons te beschermen tegen de koning van Assyrië. Heer, red ons! Want dan zullen alle volken op aarde weten dat u de enige God bent.’

God heeft een bericht voor Sanherib

20-21Toen stuurde Jesaja, de zoon van Amos, het volgende bericht naar koning Hizkia: ‘De Heer, de God van Israël, heeft naar uw gebed geluisterd. Hoor wat de Heer nu zegt tegen Sanherib, de koning van Assyrië: ‘Sanherib, de inwoners van Jeruzalem hebben helemaal geen respect voor jou. Ze lachen je uit. 22Weet je niet wie ik ben? Ik ben de heilige God van Israël! En jij hebt mij belachelijk gemaakt, jij hebt mij beledigd!

23Je hebt je boodschappers gestuurd om mij te beledigen. Je hebt gezegd: ‘Ik ben machtiger dan iedereen. Ik kom met mijn paarden en wagens op de hoogste toppen van de Libanon-bergen. En daar hak ik de hoogste en sterkste bomen om. Ik kom op de hoogste toppen en in de donkerste bossen. 24Ik kan overal water uit de grond halen. En ik kan ook alle rivieren in Egypte laten opdrogen.’

25Maar, Sanherib, ik ben de Heer! Ik heb jou dat allemaal laten doen! Dat had ik lang geleden al besloten. En nu heb ik het allemaal laten gebeuren. Sterke steden zijn door jou volledig verwoest. 26Alle inwoners van die steden zijn machteloos en bang. En ze schamen zich dat ze zo zwak zijn. Ze zijn net zo zwak als jonge plantjes op een akker, die doodgaan door de hete zon.

27Maar ik ken jou, Sanherib. Ik weet wat je zegt en ik zie alles wat je doet. Ik weet hoe je tegen mij tekeergaat. 28Ik weet hoe je tegen mij schreeuwt en ik weet hoe geweldig je jezelf vindt. Maar ik zal zorgen dat je daarmee stopt. Ik zal je dwingen om te doen wat ik wil. Je zult weer teruggaan langs dezelfde weg als waarlangs je gekomen bent.’

God belooft dat het volk zal groeien

29En Hizkia, dit zegt de Heer tegen u: ‘De komende twee jaar zul je weinig te eten hebben. Want dan zal er maar weinig groeien, en wat er groeit is vooral onkruid. Maar in het derde jaar kun je zaaien en oogsten. Dan zullen er wijngaarden komen en kunnen jullie druiven eten.

30Hizkia, er is nog maar een klein deel van je volk in leven. Maar je volk zal snel gaan groeien, net als een plant met sterke wortels. 31Want je volk zal zich vanuit Jeruzalem en vanaf de berg Sion verspreiden over het hele land. Ik, de Heer, zal zorgen dat dat gebeurt.’

Sanherib zal Jeruzalem niet veroveren

32En dit zegt de Heer over Sanherib, de koning van Assyrië: ‘Sanherib zal Jeruzalem niet binnengaan, en hij zal ook geen pijlen over de stadsmuur schieten. Nee, Sanherib zal de stad niet kunnen aanvallen. 33Hij zal weer teruggaan langs dezelfde weg als waarlangs hij gekomen is. Hij zal de stad niet binnenkomen.

34Want ik zal de stad beschermen en ik zal haar inwoners bevrijden. Dat doe ik voor mijzelf en ook voor mijn dienaar David.’’

Sanherib gaat terug naar Nineve

35In die nacht kwam er een engel van de Heer. De engel doodde 185.000 soldaten in het legerkamp van de Assyriërs. De volgende ochtend lagen er overal dode soldaten. 36Toen maakte koning Sanherib een eind aan de aanval. Hij ging met zijn leger terug naar zijn land, naar de stad Nineve.

37In Nineve ging Sanherib naar de tempel van zijn god Nisroch. Maar toen hij voor die god knielde, werd hij vermoord door twee van zijn zonen, Adrammelech en Sareser. Zij konden ontsnappen en vluchtten naar het land Ararat. Toen werd Esarhaddon, een andere zoon van Sanherib, de nieuwe koning van Assyrië.