Bijbel in Gewone Taal (BGT)
5

We zullen een hemels lichaam krijgen

51Dit weet ik zeker: als mijn aardse lichaam sterft, zal God mij een nieuw lichaam geven. Dat is een hemels lichaam, dat eeuwig en onsterfelijk is. 2Zolang ik mijn aardse lichaam heb, gaat het lijden door. Daarom verlang ik naar mijn hemelse lichaam. En ik hoop dat ik dat krijg zonder dat ik hoef te sterven. 3Maar ook als ik sterf, zal God mij niet in de dood achterlaten. Dat weet ik zeker!

4Zolang wij ons aardse lichaam hebben, hebben we het zwaar. We willen niet sterven, maar juist blijven leven tot het moment dat we het hemelse leven krijgen. Dan wordt ons sterfelijke leven deel van het eeuwige leven. 5God heeft ons klaargemaakt voor dat moment. En als bewijs daarvan heeft hij ons nu al de heilige Geest gegeven.

Op aarde gaat het om geloof

6We blijven altijd moed houden. Ook al zijn we nu nog ver bij de Heer vandaan. En dat zal zo blijven zolang we ons aardse lichaam hebben. 7Bij ons leven op aarde gaat het om geloof. Want we kunnen de Heer nog niet zien.

8Ik blijf altijd moed houden. Het liefst zou ik mijn aardse lichaam verlaten om voor altijd bij de Heer te leven. 9Maar het belangrijkste is dat ik dingen doe waar de Heer tevreden over is. Of ik nu hier op aarde ben, of al bij de Heer. 10Want we weten hoe het zal gaan: We zullen allemaal voor de troon van Christus staan. Hij zal rechtspreken over ons aardse leven, over alle goede en slechte daden. En dan krijgt iedereen wat hij verdient.

Paulus’ werk als apostel

Paulus vertelt hoe hij werkt

11Ik doe mijn werk met grote eerbied voor de Heer. Ik probeer alle mensen te overtuigen van de waarheid. God kent mij, hij weet dat ik goed bezig ben. En jullie weten dat diep in je hart ook, daar vertrouw ik op. 12Ik wil niet opscheppen over mezelf. Maar ik wil dat jullie een goede reden hebben om trots op mij te zijn. Andere mensen zijn trots om een verkeerde reden. Ze zijn trots op iemand die indruk maakt, en niet op iemand die eerlijk is, zoals ik.

13Natuurlijk, ik heb bijzondere ervaringen. Dat zijn momenten dat Gods Geest bezit van mij neemt. Maar dan ben ik met God alleen. En in mijn werk voor jullie ben ik altijd kalm en verstandig.

Wij leven nu voor Christus

14Het is de liefde van Christus die mij beheerst. Want dit weet ik zeker: één mens is gestorven voor alle mensen, en daardoor zijn eigenlijk alle mensen gestorven. 15Christus is voor alle mensen gestorven. Maar voor ons is hij niet alleen gestorven, maar ook opgestaan uit de dood. Daardoor horen wij nu bij het nieuwe leven. We leven nu niet meer voor onszelf, maar voor Christus.

16Vroeger geloofde ik niet in Christus, want ik beoordeelde hem op een aardse manier. Maar nu doe ik dat niet meer. Ik beoordeel niemand meer op een aardse manier.

Het is weer goed tussen God en ons

17Iedereen die bij Christus hoort, hoort bij het nieuwe leven. De oude tijd is voorbij, de nieuwe tijd is gekomen. 18Daar heeft God voor gezorgd. God heeft ervoor gezorgd dat het weer goed is tussen hem en ons, dankzij Christus. En hij heeft mij de opdracht gegeven om dat goede nieuws aan iedereen te vertellen.

19God heeft ervoor gezorgd dat het goed kan komen tussen hem en heel de wereld. Want iedereen die bij Christus hoort, krijgt vergeving van zijn zonden. God wil dat wij dat goede nieuws doorgeven.

20Ik ben de boodschapper van Christus. Via mij spreekt God tegen jullie. En namens Christus vraag ik jullie dringend: Neem de vrede die God ons aanbiedt, dankbaar aan.

21Jezus Christus was zonder zonde. Maar God liet hem de straf voor onze zonden dragen. Dat deed God voor ons. En nu ziet hij ons als goede mensen, omdat we bij Christus horen.

6

De nieuwe tijd is gekomen

61Als dienaar van God waarschuw ik jullie. God heeft laten zien hoe goed hij voor jullie is. Zorg ervoor dat dat niet voor niets geweest is!

2Want God zegt in de heilige boeken: «Er zal een nieuwe tijd komen. Dan zal ik naar jullie luisteren. Ik zal jullie helpen, ik zal jullie redden.» Luister goed! Die tijd, dat is nu. De tijd van onze redding is gekomen.

Paulus vertelt hoe hij werkt

3Ik zorg ervoor dat niemand een reden heeft om boos op mij te zijn. Dan kan niemand iets verkeerds zeggen over al het werk voor het goede nieuws. 4Als dienaar van God doe ik mijn werk zonder op te geven. Ik laat iedereen zien dat ik volhoud. Ook al maak ik veel moeilijkheden, problemen en ellende mee. 5Ook al word ik geslagen, gevangengenomen of door woedende mensen aangevallen. Ook al moet ik zo hard werken dat ik zelfs niet kan slapen of eten.

6Ik ben altijd eerlijk, ik heb veel kennis, ik ben geduldig en vriendelijk. De heilige Geest werkt in mij, en mijn liefde voor de mensen is echt. 7De boodschap die ik vertel, is de waarheid. God helpt me met zijn kracht. Ik strijd voor het goede nieuws en ik verdedig het, met eerlijkheid en trouw. 8Het maakt me niet uit of mensen mij eren of me uitlachen. Het maakt me niet uit of mensen trots op me zijn of me uitschelden. Ik doe mijn werk.

Er zijn mensen die mij een bedrieger noemen, maar ik spreek de waarheid. 9Ik ben niet beroemd, maar toch weten veel mensen dat ik een dienaar van God ben. Mijn leven is steeds in gevaar, maar tegelijk is mijn nieuwe leven al begonnen. God laat mij lijden, maar hij zal me niet doden. 10Ik heb verdriet, maar toch ben ik altijd blij. Ik ben arm, maar ik maak veel mensen rijk. Ik bezit niets, en toch heb ik alles!

De apostel en zijn kerk

Paulus vraagt om liefde

11Vrienden in Korinte, ik spreek open en eerlijk tegen jullie. Want ik houd van jullie met heel mijn hart. 12Mijn liefde voor jullie is dus niet het probleem. Het probleem is jullie liefde voor mij! 13Jullie moeten net zo veel van mij houden als ik van jullie. Ik vraag dat zoals een vader dat van zijn kinderen vraagt. Houd van mij met heel je hart!

Wie bij God hoort, moet heilig zijn

14Jullie mogen je leven niet delen met ongelovigen, want jullie passen niet bij hen. Het doen van Gods wil heeft niets te maken met het doen van slechte dingen. Net zoals licht niets te maken heeft met donker. 15Christus lijkt toch niet op Satan? Dan past een gelovige toch ook niet bij een ongelovige? 16De tempel van God heeft niets te maken met afgoden. En wij, de gelovigen, vormen samen de tempel van de levende God.

God zegt in de heilige boeken: «Ik zal bij jullie wonen en altijd bij jullie blijven. Ik zal jullie God zijn, en jullie zullen mijn volk zijn. 17Ga daarom weg bij de ongelovigen. Leef niet langer met hen samen. En raak geen dingen aan die onrein zijn. Dan zal ik jullie met open armen ontvangen. 18Ik zal jullie vader zijn, en jullie zullen mijn zonen en dochters zijn. Dat zeg ik, de machtige Heer.»

7

71Vrienden, die dingen heeft God ons beloofd. Daarom moeten wij alles wat slecht is, achter ons laten. We moeten van binnen en van buiten rein zijn. Uit eerbied voor God moeten we onszelf helemaal heilig maken.

De relatie met Paulus

2Vrienden, houd van mij met heel je hart! Ik heb toch niemand van jullie slecht behandeld? Ik heb niemand verleid om kwaad te doen, en ik heb van niemand misbruik gemaakt. 3Daarmee bedoel ik niet dat jullie iets verkeerd doen. Nee, ik heb al gezegd dat ik van jullie houd met heel mijn hart. En we blijven met elkaar verbonden, of we nu leven of sterven.

4Ik ben erg trots op jullie. Ik kan tegen jullie altijd open en eerlijk zijn. Daarom ben ik vol goede moed en ontzettend blij. Juist op al die momenten dat ik het moeilijk heb.

Het bezoek van Titus

Titus heeft een goed bericht gebracht

5Eerder schreef ik al dat ik naar Macedonië gegaan was. Maar daar had ik geen rust. Ik kwam daar juist in allerlei moeilijkheden. Er waren tegenstanders die ruzie met mij zochten, en mijn hart was vol zorgen.

6Maar God geeft altijd nieuwe moed aan mensen die niet vertrouwen op hun eigen kracht. Ook ik kreeg die steun van God. Want Titus kwam, 7en zijn komst gaf mij nieuwe moed. Bovendien bracht Titus een goed bericht. Hij vertelde dat zijn bezoek aan jullie heel goed was geweest. Hij vertelde dat jullie mij graag weer willen zien. Dat jullie verdriet hebben over wat er misgegaan is. En ook dat jullie mij nu volledig steunen. Dat bericht maakte mij erg blij!

8Ik weet dat ik jullie verdriet gedaan heb met mijn eerdere brief. Toch heb ik geen spijt dat ik die brief geschreven heb. Eerst had ik er wel spijt van, maar nu weet ik dat jullie verdriet maar kort geduurd heeft. 9En nu ben ik blij dat ik die brief geschreven heb! Natuurlijk ben ik niet blij om jullie verdriet. Maar ik ben blij dat jullie door je verdriet beter over mij zijn gaan denken. Het was verdriet waar God blij mee was. En dus heb ik jullie op geen enkele manier kwaad gedaan.

Soms zorgt verdriet voor iets goeds

10Er bestaat inderdaad verdriet waar God blij mee is. Zulk verdriet zorgt ervoor dat mensen hun leven veranderen. Daar krijgen ze geen spijt van. Want het heeft als gevolg dat ze gered worden. Maar het verdriet van slechte mensen brengt niets goeds. Zulk verdriet leidt tot de dood.

11Jullie kregen door mijn brief verdriet waar God blij mee was. En het heeft voor veel goede dingen gezorgd. Want jullie hebben daardoor goed naar mij geluisterd. Jullie zijn boos geworden op de man die straf verdiende. Jullie hebben hem gestraft. En jullie hebben mij uitgelegd waarom jullie dat deden. Zo lieten jullie zien dat jullie respect voor mij hebben. Nu willen jullie mij graag weer zien, en jullie steunen mij volledig.

Het is duidelijk dat jullie precies de goede dingen hebben gedaan, en dat jullie geen schuld hebben.

Het bezoek is goed geweest

12Nu weten jullie dus waarom ik jullie die eerdere brief geschreven heb. Het ging niet om die man die straf verdiende. Het ging ook niet om mezelf, ook al was ik slecht behandeld. Het ging mij om jullie. Jullie moesten aan God laten zien dat jullie naar mij wilden luisteren. 13Dat deden jullie, en dat gaf mij nieuwe moed. Ja, het gaf mij moed, en ook grote vreugde. Want Titus vertelde me hoe blij hij geworden was van zijn bezoek aan jullie! Hij was helemaal gerustgesteld, door jullie allemaal.

14Ik had tegen Titus met trots over jullie gesproken. En ik ben blij dat ik me daar niet voor hoef te schamen! Sterker nog: alles wat ik over jullie gezegd had tegen Titus, was waar. Net zo waar als alles wat ik aan jullie verteld heb.

15Als Titus terugdenkt aan zijn bezoek, wordt zijn liefde voor jullie alleen nog maar groter. Want jullie hebben hem ontvangen met eerbied en respect, en jullie hebben goed naar hem geluisterd. 16En ik ben blij dat ik helemaal op jullie kan vertrouwen.