Bijbel in Gewone Taal (BGT)
5

Heilige voorwerpen voor de tempel

51Toen was Salomo klaar met het werk aan de tempel.

Daarna bracht hij allerlei voorwerpen naar de tempel, in een speciale schatkamer. Een deel van die voorwerpen was van zilver en goud. Het waren heilige voorwerpen, want Salomo’s vader David had ze voor de Heer bestemd.

De tempel wordt in gebruik genomen

Alle leiders komen bij Salomo

2-3Alle Israëlieten waren in Jeruzalem bij elkaar voor het Loofhuttenfeest. Dat was in de zevende maand. Toen liet koning Salomo de leiders van de stammen en van de families bij zich komen in het oude deel van de stad. Want hij wilde samen met hen de heilige kist met de wet van de Heer naar de tempel brengen.

De Levieten dragen de heilige kist

4Toen alle leiders bij Salomo waren, tilden de priesters van de stam Levi de heilige kist op. 5Ze droegen de kist en de heilige tent naar de tempel. En ze namen ook alle heilige voorwerpen mee die bij de tent hoorden.

6Daarna bracht koning Salomo offers, samen met alle Israëlieten die bij de heilige kist stonden. Ze offerden schapen, geiten en koeien. Het waren zo veel dieren dat ze niet te tellen waren.

De kist wordt in de tempel gezet

7De priesters brachten de heilige kist met de wet van de Heer naar de plaats waar hij moest staan. Dat was in de allerheiligste zaal, achter in de tempel. Ze zetten de kist neer tussen de twee engelenbeelden. 8De vleugels van de engelen waren helemaal open, en bedekten de kist en de draagstokken van de kist.

9De draagstokken waren heel lang. Je kon de uiteinden van de draagstokken niet zien. Behalve als je heel dicht bij de kist stond, bij de ingang van de allerheiligste zaal. De heilige kist is daar nog steeds.

10In de heilige kist lagen alleen twee grote stenen platen. Dat waren de stenen platen die Mozes daarin gelegd had op de berg Horeb. Daarop stond de wet van de Heer. Die wet had de Heer aan de Israëlieten gegeven toen ze uit Egypte weggingen.

Iedereen dankt de Heer

11-14Alle priesters die in de tempel waren, uit alle groepen, hadden zich voorbereid op hun heilige taak.

Alle zangers uit de stam Levi hadden kleren van fijn wit linnen aangetrokken. Het waren Asaf, Heman, Jedutun, en hun zonen en broers. Ze stonden met harpen en andere muziekinstrumenten klaar aan de oostkant van het altaar. Er stonden ook 120 priesters met trompetten klaar.

Toen kwamen de priesters die de kist in de tempel neergezet hadden, weer naar buiten. Meteen werd er op de trompetten geblazen. En de zangers begonnen te zingen om de Heer te danken. Er werd muziek gemaakt met trompetten en andere muziekinstrumenten. En er werd gezongen: ‘De Heer is goed. Zijn liefde blijft altijd bestaan.’

Een wolk vult de tempel

Op dat moment vulde een wolk de tempel. In die wolk was de Heer aanwezig. Door die wolk konden de priesters hun werk in de tempel niet doen.

6

61Toen zei Salomo: ‘Heer, u woont in een donkere wolk. 2Ik heb nu een prachtige tempel voor u gebouwd, waar u voor altijd kunt wonen.’

Salomo zegent de Israëlieten

3Daarna draaide koning Salomo zich om naar het volk, en iedereen ging staan. Hij zegende alle Israëlieten die daar waren.

4De koning zei: ‘Laten we de Heer, de God van Israël, danken. Want hij heeft gedaan wat hij gezegd heeft. Hij heeft tegen mijn vader David gezegd: 5‘Ik heb mijn volk uit het land Egypte bevrijd. Tot nu toe heb ik nooit een stad uitgekozen om daar een tempel voor mij te laten bouwen. In geen enkel gebied van de stammen van Israël. En ik heb ook nooit iemand uitgekozen om koning te zijn van mijn volk Israël. 6Maar nu heb ik Jeruzalem als woonplaats uitgekozen. En ik heb jou, David, uitgekozen om koning te zijn van mijn volk Israël.’

7Toen wilde mijn vader David een tempel bouwen voor de Heer, de God van Israël. 8Maar de Heer zei tegen hem: ‘Het is goed dat je een tempel voor mij wilt bouwen. 9Maar die zul je niet zelf bouwen. Dat zal je zoon doen, jouw eigen kind. Hij zal voor mij een tempel bouwen.’

10En de Heer heeft ervoor gezorgd dat dat gebeurd is. Ik ben mijn vader David opgevolgd. Ik ben koning van Israël geworden, zoals de Heer gezegd heeft. En ik heb een tempel gebouwd voor de Heer, de God van Israël. 11Ik heb de heilige kist in de tempel gezet. Daarin zit de wet van de Heer, die hij aan de Israëlieten gegeven heeft.’

Het gebed van koning Salomo

Salomo begint zijn gebed

12-13Toen ging Salomo met zijn gezicht naar het altaar van de Heer staan.

Salomo had een podium van brons laten maken. Dat podium had hij midden op het plein aan de voorkant van de tempel laten neerzetten. Het was 2,5 meter lang, 2,5 meter breed en 1,5 meter hoog. Salomo ging op dat podium staan en knielde.

Toen deed hij zijn handen omhoog naar de hemel en begon te bidden. Alle Israëlieten waren daarbij aanwezig. 14Hij zei: ‘Heer, God van Israël, er is geen god zoals u, niet in de hemel en niet op de aarde. U houdt u aan uw beloftes. En u bent trouw aan het volk dat van u houdt en dat gehoorzaam is aan u. 15U hebt gedaan wat u beloofd hebt aan mijn vader David, uw dienaar. Vandaag hebt u gedaan wat u tegen hem gezegd hebt.

16Daarom vraag ik u, Heer, God van Israël: Laat nu ook de andere dingen gebeuren die u aan mijn vader David beloofd hebt. U hebt tegen hem gezegd: ‘Er zal altijd één van jouw nakomelingen koning van Israël zijn. Maar dan moeten ze zich wel aan mijn wet houden, net zoals jij dat gedaan hebt.’

17Heer, God van Israël, laat alles gebeuren zoals u aan uw dienaar David beloofd hebt.

Salomo vraagt God om te luisteren

18Maar kunt u echt bij de mensen op aarde wonen, God? Zelfs de hoogste hemel is niet groot genoeg voor u. Dan is het huis dat ik voor u gebouwd heb, zeker niet groot genoeg.

19Luister naar mij, Heer, mijn God. Luister nu naar mijn gebed. Luister naar wat ik u vraag.

20-21Ik vraag u om dag en nacht goed op deze tempel te letten. Deze plaats waarvan u gezegd hebt: ‘Daar zal ik wonen.’ Luister naar het gebed van mij en uw volk, hier bij deze tempel. Luister naar ons vanuit de hemel waar u woont. Luister naar ons, en vergeef ons.

Salomo vraagt om een eerlijk oordeel

22Stel dat iemand een ander kwaad gedaan heeft. En die ander wil dat u een oordeel geeft over de persoon die hem kwaad gedaan heeft. Als die persoon dan naar uw altaar in deze tempel komt, 23luister dan! Luister vanuit de hemel, en geef een eerlijk oordeel over hem. Straf hem als hij schuldig is. Maar straf hem niet als hij onschuldig is.

Salomo vraagt vergeving voor het volk

24Stel dat de Israëlieten dingen doen die u niet wilt. En stel dat ze door vijanden worden verslagen en meegenomen. Maar als de Israëlieten u dan weer gaan vereren en weer tot u gaan bidden bij deze tempel, 25luister dan! Luister naar hen vanuit de hemel. Vergeef de slechte daden van uw volk Israël. Breng hen terug naar dit land, dat u aan hen en aan hun voorouders gegeven hebt.

Salomo vraagt om regen bij droogte

26Stel dat de mensen dingen doen die u niet wilt. En dat de hemel dan dichtgaat, zodat er geen regen valt. Als de mensen dan bidden bij deze tempel, als ze u dan eren en weer goed gaan leven, geef dan antwoord! 27Luister vanuit de hemel. Vergeef de slechte daden van uw volk Israël. Laat ze zien hoe ze goed moeten leven. En geef dan regen op het land, het land dat u voor altijd aan uw volk gegeven hebt.

Salomo vraagt om hulp bij rampen

28Stel dat er hongersnood is in het land, of een dodelijke ziekte. Of een ziekte waardoor het koren doodgaat. Of stel dat er overal sprinkhanen zijn. Of dat vijanden de steden van uw volk aanvallen. Dus stel dat er een ramp of een ziekte is. 29Misschien is er dan iemand van uw volk die tot u bidt, omdat hij ongelukkig is of pijn heeft. Als hij dan met zijn handen omhoog bidt bij deze tempel, 30luister dan! Luister naar hem vanuit de hemel, de plaats waar u woont. Vergeef hem. En geef hem wat hij nodig heeft. Want u kent hem, alleen u weet hoe mensen zijn.

31Als u luistert, zullen de Israëlieten altijd eerbied voor u hebben. Dan zullen zij goed leven, zo lang als ze leven in het land dat u aan hun voorouders gegeven hebt.

Salomo vraagt om hulp voor vreemdelingen

32Stel dat er iemand uit een ver land komt, iemand die niet bij het volk van Israël hoort. En hij komt hierheen omdat hij over u gehoord heeft, over uw macht en uw kracht. Als hij dan bij deze tempel komt bidden, 33luister dan! Luister naar hem vanuit de hemel, de plaats waar u woont. Doe alles wat die vreemdeling u vraagt.

Dan zullen alle volken op aarde weten wie u bent. Dan zullen ze eerbied voor u hebben, net zoals uw volk Israël eerbied voor u heeft. En dan weten ze dat dit uw tempel is, het huis dat ik voor u gebouwd heb.

Salomo vraagt om hulp in de oorlog

34-35Stel dat uw volk oorlog voert, omdat u dat wilt. Als ze dan tot u bidden met hun gezicht naar deze stad die u uitgekozen hebt, luister dan! Als ze dan tot u bidden met hun gezicht naar de tempel die ik voor u gebouwd heb, luister dan! Luister vanuit de hemel naar hun gebed, en help hen om te overwinnen.

Salomo vraagt om vergeving

36Stel dat uw volk dingen doet die u niet wilt. En wie doet dat niet? Stel dat u dan boos op hen bent, en ze worden door hun vijanden verslagen. En stel dat die vijanden hen dan als gevangenen meenemen naar hun land, ver weg of dichtbij.

37Stel dat uw volk dan spijt krijgt in dat land waar ze gevangen zitten, en ze gaan weer tot u bidden en zeggen: ‘We hebben verkeerde dingen gedaan. We hebben fouten gemaakt, we zijn slecht geweest.’

38En stel dat ze u dan weer gaan vereren, met hun hele hart, in het land waar ze gevangen zitten. En stel dat ze dan tot u bidden met hun gezicht naar het land dat u aan hun voorouders gegeven hebt. Met hun gezicht naar de stad die u uitgekozen hebt en naar de tempel die ik voor u gebouwd heb. Als ze zo tot u bidden, 39luister dan! Luister vanuit de hemel, de plaats waar u woont. Hoor hun gebed en help hen! Vergeef dan uw volk, vergeef de Israëlieten alles wat ze verkeerd gedaan hebben.

Salomo eindigt zijn gebed

40Mijn God, let goed op en luister naar mijn gebed, hier bij deze tempel.

41Heer, mijn God, kom wonen in uw tempel! Woon hier bij uw heilige kist, het teken van uw macht. Ik vraag u: Zegen al uw priesters, en maak uw volk blij en gelukkig!

42Heer, mijn God, u hebt mij als koning uitgekozen. Daarom vraag ik u: Bescherm mij. Vergeet niet wat u aan uw dienaar David beloofd hebt!’

7

Het offerfeest

Er komt vuur uit de hemel

71Toen Salomo klaar was met bidden, kwam er vuur uit de hemel. Dat vuur verbrandde de offerdieren die de Israëlieten naar de tempel gebracht hadden. En het stralende licht van de Heer vulde de tempel als een wolk. 2De priesters konden niet naar binnen, omdat de tempel vol was met het stralende licht van de Heer.

3Alle Israëlieten zagen het vuur, en ze zagen het stralende licht van de Heer. Toen knielden ze, en ze bogen diep voorover met hun gezicht naar de stenen vloer. Ze dankten de Heer en zongen: ‘De Heer is goed. Zijn liefde blijft altijd bestaan.’

Salomo en het volk brengen offers

4Koning Salomo en alle Israëlieten die bij hem waren, brachten offers aan de Heer. 5Ze offerden 22.000 koeien, en 120.000 schapen en geiten. Met die offers namen ze de tempel van God plechtig in gebruik.

6-7Maar het bronzen altaar van de tempel was te klein voor al die offers. Daarom maakte de koning ook het middelste deel van het binnenplein heilig. Toen konden daar ook offers gebracht worden.

Salomo en het volk danken de Heer

Toen gingen alle Israëlieten staan. De Levieten stonden klaar om muziek te maken voor de Heer. Ze speelden op muziekinstrumenten die koning David gemaakt had. En ze zongen een lied van David om de Heer te danken. Ze zongen: ‘De liefde van de Heer blijft altijd bestaan.’

De priesters stonden op hun vaste plaats, tegenover de Levieten, en bliezen op trompetten.

Het volk viert feest

8-9Zo vierden Salomo en het volk zeven dagen lang feest om het altaar in gebruik te nemen. De mensen kwamen uit het hele land, van het noorden tot het zuiden. Na die zeven dagen vierden ze nog zeven dagen feest: het Loofhuttenfeest. Op de achtste dag kwam iedereen weer naar de tempel.

10Op de 23ste dag van de zevende maand stuurde Salomo alle mensen terug naar huis. Ze waren vrolijk en blij om alle goede dingen die de Heer voor zijn volk Israël en voor David en Salomo gedaan had.

Salomo is klaar met de bouw

11Toen was Salomo klaar met de bouw van de tempel en het paleis. De tempel en het paleis waren precies geworden zoals hij het wilde.

De belofte van de Heer

De Heer komt bij Salomo

12Op een nacht kwam de Heer weer bij Salomo. De Heer zei tegen hem: ‘Ik heb je gebed gehoord. Ik heb deze plaats uitgekozen om een tempel te bouwen. Hier kunnen de mensen offers aan mij brengen.

De Heer zal naar zijn volk luisteren

13Stel dat ik de hemel dicht laat gaan, zodat er geen regen valt. Of stel dat ik aan de sprinkhanen het bevel geef om al het koren van het land op te eten. Of stel dat ik naar de mensen een ziekte stuur. 14Als de mensen van mijn volk dan laten zien dat ze spijt hebben, dan zal ik vanuit de hemel naar hen luisteren. Ik zal naar hen luisteren als ze tot mij bidden en mij zoeken. Als ze weer gaan leven zoals ik het wil. Dan zal ik hun zonden vergeven en hun land weer vruchtbaar maken. 15Dan zal ik goed opletten en luisteren naar hun gebed, hier in deze tempel.

16Ik heb deze tempel uitgekozen, en ik heb er een heilige plaats van gemaakt. De mensen kunnen mij hier altijd vereren. Ik zal altijd goed op deze tempel letten, en ik zal hem altijd beschermen.

Salomo zal altijd koning zijn

17-18Verder zal ik ervoor zorgen, Salomo, dat er altijd één van jouw nakomelingen koning van Israël zal zijn. Dat heb ik ook aan je vader David beloofd. Maar dan moet je wel leven zoals ik het wil, net zoals je vader David dat deed. En je moet precies doen wat ik vraag. Je moet je houden aan al mijn wetten en regels.’

De Heer waarschuwt Salomo

19De Heer zei verder: ‘Maar ik zal je straffen als je dat niet doet. Als jij of je nakomelingen je niet houden aan mijn wetten en regels, als jullie andere goden gaan vereren, 20dan jaag ik het volk weg uit het land dat ik hun gegeven heb. Dan zullen de andere volken hen alleen nog maar uitlachen. Dan wil ik niets meer te maken hebben met mijn heilige tempel.

21Dan blijft er van die grote tempel alleen maar een hoop stenen over. Iedereen die daar voorbijkomt, zal schrikken en vragen: ‘Waarom heeft de Heer de tempel verwoest? Waarom heeft hij het volk weggejaagd?’ 22Dan krijgen ze dit antwoord: ‘Omdat de Israëlieten de Heer, de God van hun voorouders, verlaten hebben. Hij is de God die hen bevrijd heeft uit Egypte. Maar ze zijn andere goden gaan vereren. Daarom heeft de Heer hun deze ellende aangedaan.’’