Bijbel in Gewone Taal (BGT)
4

Salomo maakt een altaar

41Salomo liet ook een altaar van brons maken. Dat altaar was 10 meter lang, 10 meter breed en 5 meter hoog.

Churam maakt een grote waterbak

2Daarna moest Churam voor Salomo ‘de Zee’ maken. Dat was een grote ronde waterbak van brons. Die bak was 5 meter breed en 2,5 meter hoog, en de omtrek was 15 meter.

3-4De waterbak steunde op twaalf stieren van brons. Drie stieren stonden met hun kop naar het noorden, drie stieren met hun kop naar het westen, drie stieren met hun kop naar het zuiden, en drie stieren met hun kop naar het oosten. De stieren stonden met hun kop naar buiten en met hun achterlijf naar binnen. De waterbak steunde op het achterlijf van de stieren.

Onder aan de waterbak zaten versieringen van brons, in de vorm van stieren. Die zaten in twee rijen aan de bak vast, helemaal om de waterbak heen.

5De rand van de waterbak was 8 centimeter dik. De bak had van boven de vorm van een beker, of van een waterlelie die open is.

Er kon 135.000 liter water in de waterbak.

Churam maakt tien wasbakken

6Salomo liet Churam ook tien wasbakken maken. Hij liet vijf wasbakken rechts, en vijf wasbakken links van de tempel zetten. In de wasbakken konden de voorwerpen afgespoeld worden die nodig waren voor de offers die helemaal verbrand moesten worden.

De priesters konden zich wassen met water uit de waterbak ‘de Zee’.

Churam maakt voorwerpen voor de grote zaal

7Salomo liet ook tien gouden kandelaars maken, precies volgens de regels. Die kandelaars liet hij in de grote zaal zetten, vijf aan de linkerkant en vijf aan de rechterkant.

8Verder liet Salomo tien tafels maken. Die tafels liet hij ook in de grote zaal zetten, vijf aan de linkerkant en vijf aan de rechterkant.

Ook maakte Churam honderd gouden schalen voor de offers.

Salomo maakt twee pleinen

9Salomo liet een binnenplein voor de priesters maken. Ook liet hij een groot plein aan de voorkant van de tempel maken. In de muren om het plein liet hij deuren maken. Die deuren liet hij met een laagje brons bedekken.

10De waterbak ‘de Zee’ liet hij rechts van de tempel zetten, bij de hoek op het zuidoosten.

Churam maakt potten, scheppen en schalen

11Ten slotte maakte Churam nog kookpotten, scheppen voor de as en schalen.

Toen was hij klaar met het werk dat hij in opdracht van koning Salomo voor de tempel gedaan had.

Alles wat Churam gemaakt heeft

12Churam maakte dus de volgende voorwerpen voor de tempel.

Hij maakte twee zuilen en twee ronde sierstukken voor boven op de zuilen. Verder twee vlechtwerken als versiering voor de sierstukken. 13Ook maakte hij vierhonderd bronzen appels voor de twee vlechtwerken. Die appels maakte hij in twee rijen vast aan de sierstukken boven op de zuilen.

14Verder maakte Churam waskarren, en wasbakken voor op de karren. 15En hij maakte de waterbak ‘de Zee’. Daar heeft hij er maar één van gemaakt. Hij maakte ook nog twaalf stieren voor onder ‘de Zee’.

16Ten slotte maakte hij potten, scheppen en grote vorken, en alles wat erbij hoort.

Dat heeft Churam allemaal voor de tempel gemaakt, in opdracht van koning Salomo. Alles was van glanzend brons.

17Koning Salomo liet al die voorwerpen maken in speciale vormen van klei. Dat gebeurde in het dal van de Jordaan, tussen de steden Sukkot en Seredata.

18Salomo heeft die voorwerpen niet laten wegen, omdat het er veel te veel waren. En het brons was enorm zwaar.

Andere voorwerpen voor de tempel

19Salomo liet ook nog de volgende voorwerpen voor de tempel maken.

Hij liet een altaar maken, en de tafels waar het offerbrood op gelegd werd. Het altaar en de tafels werden met een laagje goud bedekt. 20Verder liet hij de kandelaars van fijn goud maken. De lampen op de kandelaars moesten volgens de regels branden bij de ingang van de allerheiligste zaal.

21Ook liet hij versieringen maken in de vorm van bloemen. En olielampen, en tangen om het licht te doven, allemaal van het zuiverste goud. 22En hij liet messen maken, en schalen voor de offers, en kommen, en vuurbakken, alles helemaal van goud.

Ook de deuren naar de allerheiligste zaal en de deuren naar de grote zaal werden met goud bedekt.

5

Heilige voorwerpen voor de tempel

51Toen was Salomo klaar met het werk aan de tempel.

Daarna bracht hij allerlei voorwerpen naar de tempel, in een speciale schatkamer. Een deel van die voorwerpen was van zilver en goud. Het waren heilige voorwerpen, want Salomo’s vader David had ze voor de Heer bestemd.

De tempel wordt in gebruik genomen

Alle leiders komen bij Salomo

2-3Alle Israëlieten waren in Jeruzalem bij elkaar voor het Loofhuttenfeest. Dat was in de zevende maand. Toen liet koning Salomo de leiders van de stammen en van de families bij zich komen in het oude deel van de stad. Want hij wilde samen met hen de heilige kist met de wet van de Heer naar de tempel brengen.

De Levieten dragen de heilige kist

4Toen alle leiders bij Salomo waren, tilden de priesters van de stam Levi de heilige kist op. 5Ze droegen de kist en de heilige tent naar de tempel. En ze namen ook alle heilige voorwerpen mee die bij de tent hoorden.

6Daarna bracht koning Salomo offers, samen met alle Israëlieten die bij de heilige kist stonden. Ze offerden schapen, geiten en koeien. Het waren zo veel dieren dat ze niet te tellen waren.

De kist wordt in de tempel gezet

7De priesters brachten de heilige kist met de wet van de Heer naar de plaats waar hij moest staan. Dat was in de allerheiligste zaal, achter in de tempel. Ze zetten de kist neer tussen de twee engelenbeelden. 8De vleugels van de engelen waren helemaal open, en bedekten de kist en de draagstokken van de kist.

9De draagstokken waren heel lang. Je kon de uiteinden van de draagstokken niet zien. Behalve als je heel dicht bij de kist stond, bij de ingang van de allerheiligste zaal. De heilige kist is daar nog steeds.

10In de heilige kist lagen alleen twee grote stenen platen. Dat waren de stenen platen die Mozes daarin gelegd had op de berg Horeb. Daarop stond de wet van de Heer. Die wet had de Heer aan de Israëlieten gegeven toen ze uit Egypte weggingen.

Iedereen dankt de Heer

11-14Alle priesters die in de tempel waren, uit alle groepen, hadden zich voorbereid op hun heilige taak.

Alle zangers uit de stam Levi hadden kleren van fijn wit linnen aangetrokken. Het waren Asaf, Heman, Jedutun, en hun zonen en broers. Ze stonden met harpen en andere muziekinstrumenten klaar aan de oostkant van het altaar. Er stonden ook 120 priesters met trompetten klaar.

Toen kwamen de priesters die de kist in de tempel neergezet hadden, weer naar buiten. Meteen werd er op de trompetten geblazen. En de zangers begonnen te zingen om de Heer te danken. Er werd muziek gemaakt met trompetten en andere muziekinstrumenten. En er werd gezongen: ‘De Heer is goed. Zijn liefde blijft altijd bestaan.’

Een wolk vult de tempel

Op dat moment vulde een wolk de tempel. In die wolk was de Heer aanwezig. Door die wolk konden de priesters hun werk in de tempel niet doen.

6

61Toen zei Salomo: ‘Heer, u woont in een donkere wolk. 2Ik heb nu een prachtige tempel voor u gebouwd, waar u voor altijd kunt wonen.’

Salomo zegent de Israëlieten

3Daarna draaide koning Salomo zich om naar het volk, en iedereen ging staan. Hij zegende alle Israëlieten die daar waren.

4De koning zei: ‘Laten we de Heer, de God van Israël, danken. Want hij heeft gedaan wat hij gezegd heeft. Hij heeft tegen mijn vader David gezegd: 5‘Ik heb mijn volk uit het land Egypte bevrijd. Tot nu toe heb ik nooit een stad uitgekozen om daar een tempel voor mij te laten bouwen. In geen enkel gebied van de stammen van Israël. En ik heb ook nooit iemand uitgekozen om koning te zijn van mijn volk Israël. 6Maar nu heb ik Jeruzalem als woonplaats uitgekozen. En ik heb jou, David, uitgekozen om koning te zijn van mijn volk Israël.’

7Toen wilde mijn vader David een tempel bouwen voor de Heer, de God van Israël. 8Maar de Heer zei tegen hem: ‘Het is goed dat je een tempel voor mij wilt bouwen. 9Maar die zul je niet zelf bouwen. Dat zal je zoon doen, jouw eigen kind. Hij zal voor mij een tempel bouwen.’

10En de Heer heeft ervoor gezorgd dat dat gebeurd is. Ik ben mijn vader David opgevolgd. Ik ben koning van Israël geworden, zoals de Heer gezegd heeft. En ik heb een tempel gebouwd voor de Heer, de God van Israël. 11Ik heb de heilige kist in de tempel gezet. Daarin zit de wet van de Heer, die hij aan de Israëlieten gegeven heeft.’

Het gebed van koning Salomo

Salomo begint zijn gebed

12-13Toen ging Salomo met zijn gezicht naar het altaar van de Heer staan.

Salomo had een podium van brons laten maken. Dat podium had hij midden op het plein aan de voorkant van de tempel laten neerzetten. Het was 2,5 meter lang, 2,5 meter breed en 1,5 meter hoog. Salomo ging op dat podium staan en knielde.

Toen deed hij zijn handen omhoog naar de hemel en begon te bidden. Alle Israëlieten waren daarbij aanwezig. 14Hij zei: ‘Heer, God van Israël, er is geen god zoals u, niet in de hemel en niet op de aarde. U houdt u aan uw beloftes. En u bent trouw aan het volk dat van u houdt en dat gehoorzaam is aan u. 15U hebt gedaan wat u beloofd hebt aan mijn vader David, uw dienaar. Vandaag hebt u gedaan wat u tegen hem gezegd hebt.

16Daarom vraag ik u, Heer, God van Israël: Laat nu ook de andere dingen gebeuren die u aan mijn vader David beloofd hebt. U hebt tegen hem gezegd: ‘Er zal altijd één van jouw nakomelingen koning van Israël zijn. Maar dan moeten ze zich wel aan mijn wet houden, net zoals jij dat gedaan hebt.’

17Heer, God van Israël, laat alles gebeuren zoals u aan uw dienaar David beloofd hebt.

Salomo vraagt God om te luisteren

18Maar kunt u echt bij de mensen op aarde wonen, God? Zelfs de hoogste hemel is niet groot genoeg voor u. Dan is het huis dat ik voor u gebouwd heb, zeker niet groot genoeg.

19Luister naar mij, Heer, mijn God. Luister nu naar mijn gebed. Luister naar wat ik u vraag.

20-21Ik vraag u om dag en nacht goed op deze tempel te letten. Deze plaats waarvan u gezegd hebt: ‘Daar zal ik wonen.’ Luister naar het gebed van mij en uw volk, hier bij deze tempel. Luister naar ons vanuit de hemel waar u woont. Luister naar ons, en vergeef ons.

Salomo vraagt om een eerlijk oordeel

22Stel dat iemand een ander kwaad gedaan heeft. En die ander wil dat u een oordeel geeft over de persoon die hem kwaad gedaan heeft. Als die persoon dan naar uw altaar in deze tempel komt, 23luister dan! Luister vanuit de hemel, en geef een eerlijk oordeel over hem. Straf hem als hij schuldig is. Maar straf hem niet als hij onschuldig is.

Salomo vraagt vergeving voor het volk

24Stel dat de Israëlieten dingen doen die u niet wilt. En stel dat ze door vijanden worden verslagen en meegenomen. Maar als de Israëlieten u dan weer gaan vereren en weer tot u gaan bidden bij deze tempel, 25luister dan! Luister naar hen vanuit de hemel. Vergeef de slechte daden van uw volk Israël. Breng hen terug naar dit land, dat u aan hen en aan hun voorouders gegeven hebt.

Salomo vraagt om regen bij droogte

26Stel dat de mensen dingen doen die u niet wilt. En dat de hemel dan dichtgaat, zodat er geen regen valt. Als de mensen dan bidden bij deze tempel, als ze u dan eren en weer goed gaan leven, geef dan antwoord! 27Luister vanuit de hemel. Vergeef de slechte daden van uw volk Israël. Laat ze zien hoe ze goed moeten leven. En geef dan regen op het land, het land dat u voor altijd aan uw volk gegeven hebt.

Salomo vraagt om hulp bij rampen

28Stel dat er hongersnood is in het land, of een dodelijke ziekte. Of een ziekte waardoor het koren doodgaat. Of stel dat er overal sprinkhanen zijn. Of dat vijanden de steden van uw volk aanvallen. Dus stel dat er een ramp of een ziekte is. 29Misschien is er dan iemand van uw volk die tot u bidt, omdat hij ongelukkig is of pijn heeft. Als hij dan met zijn handen omhoog bidt bij deze tempel, 30luister dan! Luister naar hem vanuit de hemel, de plaats waar u woont. Vergeef hem. En geef hem wat hij nodig heeft. Want u kent hem, alleen u weet hoe mensen zijn.

31Als u luistert, zullen de Israëlieten altijd eerbied voor u hebben. Dan zullen zij goed leven, zo lang als ze leven in het land dat u aan hun voorouders gegeven hebt.

Salomo vraagt om hulp voor vreemdelingen

32Stel dat er iemand uit een ver land komt, iemand die niet bij het volk van Israël hoort. En hij komt hierheen omdat hij over u gehoord heeft, over uw macht en uw kracht. Als hij dan bij deze tempel komt bidden, 33luister dan! Luister naar hem vanuit de hemel, de plaats waar u woont. Doe alles wat die vreemdeling u vraagt.

Dan zullen alle volken op aarde weten wie u bent. Dan zullen ze eerbied voor u hebben, net zoals uw volk Israël eerbied voor u heeft. En dan weten ze dat dit uw tempel is, het huis dat ik voor u gebouwd heb.

Salomo vraagt om hulp in de oorlog

34-35Stel dat uw volk oorlog voert, omdat u dat wilt. Als ze dan tot u bidden met hun gezicht naar deze stad die u uitgekozen hebt, luister dan! Als ze dan tot u bidden met hun gezicht naar de tempel die ik voor u gebouwd heb, luister dan! Luister vanuit de hemel naar hun gebed, en help hen om te overwinnen.

Salomo vraagt om vergeving

36Stel dat uw volk dingen doet die u niet wilt. En wie doet dat niet? Stel dat u dan boos op hen bent, en ze worden door hun vijanden verslagen. En stel dat die vijanden hen dan als gevangenen meenemen naar hun land, ver weg of dichtbij.

37Stel dat uw volk dan spijt krijgt in dat land waar ze gevangen zitten, en ze gaan weer tot u bidden en zeggen: ‘We hebben verkeerde dingen gedaan. We hebben fouten gemaakt, we zijn slecht geweest.’

38En stel dat ze u dan weer gaan vereren, met hun hele hart, in het land waar ze gevangen zitten. En stel dat ze dan tot u bidden met hun gezicht naar het land dat u aan hun voorouders gegeven hebt. Met hun gezicht naar de stad die u uitgekozen hebt en naar de tempel die ik voor u gebouwd heb. Als ze zo tot u bidden, 39luister dan! Luister vanuit de hemel, de plaats waar u woont. Hoor hun gebed en help hen! Vergeef dan uw volk, vergeef de Israëlieten alles wat ze verkeerd gedaan hebben.

Salomo eindigt zijn gebed

40Mijn God, let goed op en luister naar mijn gebed, hier bij deze tempel.

41Heer, mijn God, kom wonen in uw tempel! Woon hier bij uw heilige kist, het teken van uw macht. Ik vraag u: Zegen al uw priesters, en maak uw volk blij en gelukkig!

42Heer, mijn God, u hebt mij als koning uitgekozen. Daarom vraag ik u: Bescherm mij. Vergeet niet wat u aan uw dienaar David beloofd hebt!’