Bijbel in Gewone Taal (BGT)
32

Sanherib valt Juda aan

Koning Sanherib valt de steden aan

321Koning Jechizkia had met zijn werk aan de tempel laten zien dat hij trouw was aan de Heer.

Op een dag viel koning Sanherib van Assyrië Juda binnen. Hij viel de versterkte steden aan, want hij dacht dat hij die kon veroveren.

Jechizkia gooit de bronnen dicht

2Jechizkia begreep dat Sanherib ook Jeruzalem wilde aanvallen. 3Daarom overlegde hij met zijn legerleiders en met zijn belangrijkste soldaten. Ze besloten om alle waterbronnen buiten de stad dicht te gooien. 4Met een grote groep mensen gingen ze naar de bronnen toe, en gooiden die dicht. Ze zorgden er ook voor dat er geen water meer door de rivier liep. Zo zouden de Assyriërs geen water hebben als ze Jeruzalem wilden aanvallen.

Jechizkia versterkt de stad

5Toen liet Jechizkia Jeruzalem versterken. Hij liet de gaten in de muren repareren, en hij liet de torens hoger maken. Om de muur liet hij een tweede muur bouwen. Verder liet hij het fort Millo, in het oude deel van de stad, versterken. Ten slotte liet hij heel veel wapens en schilden maken.

Jechizkia spreekt de mannen moed in

6Daarna koos Jechizkia legerleiders uit. Hij liet het hele leger naar het plein bij de poort van de stad komen. Daar sprak hij de soldaten moed in. Hij zei: 7‘Mannen, wees dapper en sterk. Jullie moeten niet bang zijn voor de koning van Assyrië en zijn grote leger. Want wij zijn sterker dan zij! 8De koning van Assyrië heeft alleen maar een leger van mensen. Maar wij hebben de Heer, onze God! Hij zal ons helpen, en met ons meevechten.’

Toen de mannen de woorden van koning Jechizkia hoorden, waren ze niet bang meer.

Sanheribs boodschap voor de Judeeërs

9Op dat moment viel koning Sanherib van Assyrië met zijn leger de stad Lachis aan. Daarvandaan stuurde hij dienaren naar koning Jechizkia in Jeruzalem. Die dienaren moesten tegen Jechizkia en het volk van Juda zeggen: 10‘Koning Sanherib heeft jullie stad omsingeld. Waarom blijven jullie in Jeruzalem? 11Koning Jechizkia zegt dat jullie op de Heer, jullie God, moeten vertrouwen. Maar hij liegt! Jullie zullen hier sterven van de honger en de dorst!

Jechizkia zegt dat de Heer jullie zal beschermen tegen mij, de koning van Assyrië. 12Maar hij heeft zelf de offerplaatsen en altaren van de Heer laten weghalen! Hij heeft gezegd dat er nog maar één altaar is waarvoor de mensen mogen knielen. En alleen op dat altaar mogen ze offers brengen.

Sanherib zegt dat Jechizkia liegt

13Jullie weten toch dat mijn voorouders en ik andere landen en volken verslagen hebben? De goden van die landen hebben hun volk niet kunnen redden. 14Geen enkele god kon zijn volk beschermen tegen de aanvallen van mij en mijn voorouders. Waarom zou jullie God dat dan wel kunnen?

15Jullie moeten Jechizkia niet geloven, want hij liegt! Er is nog nooit een god geweest die zijn volk en zijn land kon beschermen tegen een aanval van mij of mijn voorouders. Dus denk maar niet dat jullie God dat wel kan!’

16Dat soort dingen zeiden de dienaren namens Sanherib tegen het volk. En ze zeiden nog veel meer over God, de Heer, en over koning Jechizkia.

Sanherib maakt God belachelijk

17Koning Sanherib had ook een brief geschreven. Daarin maakte hij de Heer, de God van Israël, belachelijk. In die brief stond: ‘Geen enkele andere god kon zijn volk beschermen tegen mijn aanval. Dus ook de God van Jechizkia zal zijn volk niet kunnen redden!’

18Er stonden veel inwoners op de muren van Jeruzalem. De dienaren van Sanherib riepen zo hard mogelijk naar hen, in het Hebreeuws. Ze probeerden hen bang te maken, zodat het makkelijker zou zijn om de stad te veroveren. 19Ze praatten over de God van Jeruzalem alsof hij net zo’n god was als de goden van andere volken. Maar dat waren afgoden, door mensen gemaakt!

Jechizkia en Jesaja bidden om hulp

20Koning Jechizkia en de profeet Jesaja vroegen de Heer om hulp. 21Toen stuurde de Heer een engel. Die doodde alle soldaten en legerleiders van Assyrië. Toen ging koning Sanherib terug naar Assyrië. Hij voelde zich vernederd, omdat hij verslagen was.

Een tijdje later werd Sanherib door zijn eigen zonen vermoord, toen hij naar de tempel van zijn god ging.

De Heer heeft Jeruzalem gered

22Zo redde de Heer koning Jechizkia en de inwoners van Jeruzalem uit de macht van koning Sanherib van Assyrië. Hij beschermde ze ook tegen andere vijanden. Er was vrede in het hele land.

23Er kwamen veel mensen naar Jeruzalem. Ze brachten in de tempel offers aan de Heer. En ze gaven kostbare geschenken aan koning Jechizkia. Want de koning was heel beroemd geworden, ook in het buitenland.

Het succes van Jechizkia

Koning Jechizkia wordt ziek

24In die tijd werd koning Jechizkia ernstig ziek, en hij bad tot de Heer. De Heer antwoordde hem, en gaf hem een teken dat hij weer beter zou worden. 25Maar Jechizkia was niet dankbaar, want hij was veel te trots geworden. Daarom werd de Heer woedend, niet alleen op Jechizkia, maar ook op het volk van Juda en op de inwoners van Jeruzalem.

26Toen kreeg Jechizkia er spijt van dat hij zo trots geweest was. Ook de inwoners van Jeruzalem kregen spijt. Daarna was de Heer niet meer boos op hen, zolang Jechizkia koning was.

Koning Jechizkia heeft veel succes

27Koning Jechizkia werd heel rijk en beroemd. Hij liet schatkamers maken voor zijn zilver, goud, edelstenen, geurige kruiden, schilden en andere kostbare voorwerpen. 28Hij liet ook schuren bouwen voor de voorraden koren, wijn en olie. En verder stallen voor al het vee, 29want hij kreeg heel veel schapen, geiten en koeien. Ook bouwde hij nieuwe steden. Koning Jechizkia werd dus heel rijk. Daar zorgde God voor.

30Jechizkia liet ook een watertunnel maken om water naar de stad te laten stromen. Die tunnel liep van de Gichon-bron tot aan de westkant van het oude deel van de stad.

Jechizkia had succes bij alles wat hij deed.

De Heer test Jechizkia

31Eén keer kwam de Heer Jechizkia niet te hulp. Hij wilde hem testen om te weten of Jechizkia hem dan nog steeds trouw zou blijven. Dat was toen er boodschappers uit Babylon bij Jechizkia kwamen. Zij vroegen hem om de betekenis van een teken dat in Juda gezien was.

De dood van Jechizkia

32Alle andere verhalen over Jechizkia en over zijn trouw aan de Heer staan opgeschreven in het boek van de profeet Jesaja, en in de boeken over de koningen van Juda en Israël.

33Toen Jechizkia stierf, werd hij begraven langs de weg die omhoogliep naar de graven van de nakomelingen van David. Alle mensen uit Juda en Jeruzalem kwamen naar zijn begrafenis. Zijn zoon Manasse volgde hem op.

33

Koning Manasse van Juda

Manasse wordt koning van Juda

331Manasse werd koning toen hij twaalf jaar oud was. Hij regeerde 55 jaar vanuit Jeruzalem.

Manasse is een slechte koning

2Manasse deed dingen die de Heer slecht vond. Hij deed dezelfde afschuwelijke dingen als de volken die de Heer vroeger voor de Israëlieten weggejaagd had. 3Zijn vader Jechizkia had ervoor gezorgd dat de offerplaatsen niet meer gebruikt werden. Maar Manasse liet ze herstellen. Hij liet altaren neerzetten voor de god Baäl, en hij maakte heilige palen voor de godin Asjera. Ook vereerde hij de sterren.

4Manasse liet altaren voor andere goden maken in de tempel van Jeruzalem. Maar alleen de Heer mocht daar vereerd worden. Want de Heer had gezegd: ‘Hier in Jeruzalem zal ik wonen, voor altijd.’ 5Manasse liet ook altaren neerzetten op allebei de pleinen van de tempel, om de sterren te vereren. 6Hij offerde zelfs zijn eigen zonen in het Hinnom-dal. Ook ging hij naar waarzeggers, voorspellers en tovenaars. En hij nam mensen in dienst om de geesten van doden op te roepen.

Manasse deed dus alles wat de Heer slecht vond. Daarmee beledigde hij de Heer. 7Hij liet ook nog een beeld van een afgod maken, en zette dat neer in de tempel van de Heer.

Ook het volk is slecht

Over die tempel had God vroeger tegen David en Salomo gezegd: ‘Hier wil ik voor altijd wonen. Hier in Jeruzalem, de stad die ik uit alle steden van de stammen van Israël uitgekozen heb. 8De Israëlieten mogen altijd blijven wonen in het land dat ik aan hun voorouders gegeven heb. Maar dan moeten ze zich wel houden aan mijn wetten en regels. Aan alle wetten en regels die mijn dienaar Mozes hun gegeven heeft.’

9-10Maar de inwoners van Juda en Jeruzalem luisterden niet naar de Heer. Ze deden zelfs ergere dingen dan de volken die de Heer vroeger voor hen vernietigd had. Dat kwam door het slechte voorbeeld van Manasse.

Manasse geeft zijn fouten toe

11Voor straf stuurde de Heer de legerleiders van de koning van Assyrië naar Manasse. Zij namen Manasse gevangen. Ze bonden hem vast met haken en met twee bronzen kettingen. Zo namen ze hem mee naar de stad Babel.

12-13Manasse had het erg moeilijk. Daarom probeerde hij het weer goed te maken met de Heer, zijn God. Hij bad tot de God van zijn voorouders, en zei dat hij spijt had van zijn slechte leven. Hij smeekte God om hulp.

Toen de Heer het gebed van Manasse hoorde, was hij niet boos meer. En Manasse mocht weer koning zijn in Jeruzalem. Toen wist Manasse dat de Heer de enige God was.

Manasse doet ook goede dingen

14Daarna liet Manasse een tweede muur om het oude deel van Jeruzalem bouwen. Die muur was heel hoog, en liep vanaf het dal aan de westkant van de Gichon-bron, om de heuvel Ofel heen, tot aan de Vispoort. Manasse zorgde er ook voor dat er legerleiders waren in alle sterke steden van Juda.

15Verder liet hij alle afgodsbeelden weghalen. Ook het stenen beeld dat in de tempel van de Heer stond. En hij liet de altaren bij de tempel en op andere plaatsen in de stad weghalen. Die werden allemaal buiten de stad gegooid.

16Toen liet Manasse het altaar van de Heer weer klaarmaken voor gebruik. Hij bracht er offers voor een feestmaal en offers om de Heer te danken.

Ten slotte gaf hij het volk van Juda de opdracht om de Heer, de God van Israël, te dienen. 17Het volk bleef wel offers brengen op de offerplaatsen. Maar nu brachten ze alleen nog offers aan de Heer, hun God.

De dood van Manasse

18Alle andere verhalen over Manasse staan opgeschreven in de boeken over de koningen van Israël. Ook zijn gebed tot God, en de dingen die de profeten tegen hem gezegd hebben. 19Verder staan er verhalen over Manasse in het boek van Chozai. Daarin staat dat Manasse tot God gebeden heeft, en dat God toen naar hem geluisterd heeft. In dat boek staat ook welke slechte dingen Manasse voor die tijd allemaal gedaan had. Bijvoorbeeld dat hij offerplaatsen liet bouwen, en heilige palen voor de godin Asjera liet neerzetten. En dat hij afgodsbeelden liet maken.

20Toen Manasse stierf, werd hij begraven bij zijn paleis. Zijn zoon Amon volgde hem op.

Koning Amon van Juda

Amon wordt koning van Juda

21Amon werd koning toen hij 22 jaar oud was. Hij regeerde twee jaar vanuit Jeruzalem.

Amon is een slechte koning

22Amon leefde net zo slecht als zijn vader Manasse. Hij vereerde alle afgodsbeelden die Manasse gemaakt had. 23Maar Manasse had tegen de Heer gezegd dat hij spijt had van zijn fouten. Amon deed dat niet. Hij ging juist steeds slechter leven!

De dood van Amon

24De dienaren van Amon maakten een plan om hem te doden. Ze vermoordden hem in zijn paleis. 25Maar daarna doodde het volk de moordenaars van koning Amon. En ze maakten zijn zoon Josia koning in zijn plaats.

34

Koning Josia van Juda

Josia wordt koning van Juda

341Josia werd koning toen hij acht jaar oud was. Hij regeerde 31 jaar vanuit Jeruzalem.

Josia is een goede koning

2Josia deed wat de Heer wilde. Hij leefde precies zoals zijn voorvader David. 3Toen Josia acht jaar koning was, begon hij de God van zijn voorvader David al te dienen. Hij was toen nog maar een jongen.

Josia vernietigt alle offerplaatsen

Toen Josia twaalf jaar koning was, zorgde hij ervoor dat de offerplaatsen in Juda en Jeruzalem niet meer gebruikt werden. Ook liet hij de heilige palen voor de godin Asjera en alle afgodsbeelden weghalen. 4Hij lette erop dat alles vernietigd werd: de altaren voor de god Baäl en de wierookaltaren die daarbovenop stonden, de heilige palen voor de godin Asjera en de afgodsbeelden. De resten werden kapotgeslagen, tot er alleen nog maar stof over was. Dat stof werd uitgestrooid op de graven van de mensen die offers gebracht hadden aan die afgoden. 5De botten van de priesters die de afgoden gediend hadden, werden verbrand op de altaren van die goden. Zo zorgde Josia ervoor dat Juda en Jeruzalem weer rein werden.

6Josia ging ook naar Israël, naar de steden in de gebieden Manasse, Efraïm, Simeon, en zelfs Naftali. Hij gaf opdracht om daar in de tempels te zoeken 7naar altaren, heilige palen voor de godin Asjera en afgodsbeelden. Die liet hij allemaal kapotslaan, tot er alleen nog maar stof over was. Ook liet hij in heel Israël de wierookaltaren kapotslaan.

Toen ging hij weer terug naar Jeruzalem.

Josia laat de tempel herstellen

8Toen Josia achttien jaar koning was, was hij nog steeds bezig om het land en de tempel van de Heer, zijn God, rein te maken. Toen gaf hij een opdracht aan Safan, de zoon van Asaljahu, aan Maäseja, de leider van de stad, en aan Joach, de zoon van Joachaz en de secretaris van de koning. Zij moesten de tempel gaan herstellen.

9Intussen was er heel veel geld naar de tempel gebracht, door mensen uit Manasse, Efraïm en andere delen van Israël. En ook door mensen uit Jeruzalem, Juda en Benjamin. De Levieten die de ingang van de tempel bewaakten, hadden dat geld verzameld. Safan, Maäseja en Joach brachten het geld naar hogepriester Chilkia. 10Het geld was voor de mannen die het werk aan de tempel moesten controleren. Zij betaalden er de arbeiders mee die de tempel moesten herstellen: 11de timmermannen en alle andere arbeiders. De arbeiders moesten van dat geld ook stenen en hout kopen om de daken van de tempel en de gebouwen eromheen te herstellen. Want de vroegere koningen van Juda hadden niet goed voor de gebouwen gezorgd.

Levieten controleren het werk

12Het werk werd gedaan door betrouwbare mannen, onder leiding van de Levieten Jachat en Obadja, nakomelingen van Merari, en de Levieten Zecharja en Mesullam, nakomelingen van Kehat.

Andere Levieten, die goed muziek konden maken, 13hadden de leiding over de mannen die het hout en de stenen moesten dragen. Zo werd al het werk aan de tempel gecontroleerd door Levieten. Er waren ook Levieten die werkten als schrijver, als ambtenaar of als bewaker van de tempelpoorten.

Het boek met de wetten van de Heer

14Hogepriester Chilkia ging naar de tempel om het geld dat verzameld was, op te halen. Toen vond hij daar een boek. Het was het boek met de wetten die Mozes namens de Heer opgeschreven had. 15Chilkia zei tegen de schrijver Safan: ‘Ik heb in de tempel een boek gevonden met de wetten van de Heer.’ En hij gaf het boek aan Safan.

16Toen ging Safan met het boek naar koning Josia. Hij zei: ‘We hebben gedaan wat u gezegd hebt. 17We hebben het geld uit de tempel gegeven aan de mannen die het werk aan de tempel moeten controleren, en aan de arbeiders.’

18Ook vertelde Safan dat Chilkia hem een boek gegeven had. En hij begon de koning eruit voor te lezen.

De koning wil de Heer om raad vragen

19Toen de koning hoorde wat er in het boek stond, schrok hij erg, en hij scheurde zijn kleren. 20En meteen gaf hij een opdracht aan hogepriester Chilkia, aan Achikam, de zoon van Safan, aan Abdon, de zoon van Micha, aan Safan zelf, en aan zijn persoonlijke dienaar Asaja.

Hij zei tegen hen: 21‘Onze voorouders hebben niet geluisterd naar de inhoud van het boek dat we gevonden hebben. Ze hebben zich niet gehouden aan de regels die erin staan. Daarom is de Heer boos op ons. Nu moeten jullie hem om raad vragen over de inhoud van dit boek. Doe dat voor mij en voor alle mensen die nu in Israël en Juda wonen.’

Een boodschap van de Heer

22Toen ging hogepriester Chilkia samen met de dienaren van de koning naar de profetes Chulda. Zij woonde in het nieuwe deel van Jeruzalem. Ze was de vrouw van Sallum, die voor de kleren van de priesters zorgde. Sallum was een zoon van Tokhat en een kleinzoon van Chasra.

Toen de dienaren alles aan Chulda verteld hadden, 23zei ze: ‘Dit zegt de Heer, de God van Israël: 24‘Ik zal deze stad en haar inwoners straffen, precies zoals geschreven staat in het boek dat aan uw koning voorgelezen is. 25Want de Israëlieten hebben mij in de steek gelaten, en offers gebracht aan andere goden. Daarmee hebben ze mij beledigd. Daarom ben ik woedend op deze stad, en dat blijf ik voor altijd.

26En, Josia, voor jou heb ik ook nog een persoonlijke boodschap: Je hebt mijn woorden gehoord. 27Je hebt gehoord wat ik gezegd heb over deze stad en haar inwoners. Toen je hoorde dat ik de stad zou verwoesten, werd je bang. Je schrok zo dat je je kleren scheurde en moest huilen. Daaraan kon ik zien hoe erg je het vond.

Jij hebt naar mij geluisterd, en daarom luister ik nu naar jou. 28Je zult in vrede sterven en begraven worden. Je hoeft niet te zien hoe ik deze stad en haar inwoners zal straffen.’’

Toen gingen Chilkia en de anderen terug naar koning Josia. Ze vertelden hem wat de profetes Chulda gezegd had.

Josia leest het boek voor

29De koning liet alle leiders van Juda en Jeruzalem bij zich komen. 30Toen ging hij naar de tempel van de Heer, met alle inwoners van Juda en Jeruzalem, en met de priesters en de Levieten. Iedereen ging mee, van jong tot oud. De koning las hun het hele boek voor dat in de tempel gevonden was, het boek met de wetten van de Heer.

Josia en het volk doen een belofte

31Daarna ging koning Josia op zijn vaste plaats in de tempel staan. Hij deed een plechtige belofte aan de Heer. Hij beloofde dat hij de Heer zou dienen, en dat hij zich met hart en ziel aan al zijn wetten en regels zou houden. Hij beloofde dat hij alles zou doen wat er in het boek stond. 32Ook alle mensen in Jeruzalem en in het gebied Benjamin moesten dat beloven. Vanaf toen hielden de inwoners zich aan hun plechtige belofte aan de God van hun voorouders.

33Zo maakte Josia in Israël een einde aan alle afschuwelijke dingen die de Heer verboden had. Vanaf toen moesten alle mensen in Israël de Heer, hun God, dienen. En zolang Josia koning was, bleven ze trouw aan de Heer, de God van hun voorouders.