Bijbel in Gewone Taal (BGT)
26

261Het volk van Juda koos Amasja’s zoon Uzzia uit om hem op te volgen. Uzzia was toen zestien jaar oud. 2Na de dood van Amasja zorgde Uzzia ervoor dat de stad Elat weer bij Juda ging horen. En hij versterkte de muren van die stad.

Koning Uzzia van Juda

Uzzia wordt koning van Juda

3Uzzia werd koning toen hij zestien jaar oud was. Hij regeerde 52 jaar vanuit Jeruzalem. Zijn moeder heette Jecholja, en ze kwam uit Jeruzalem.

Uzzia is een goede koning

4Uzzia deed wat de Heer wilde, net als zijn vader Amasja. 5Zecharja, de raadgever van Uzzia, vertelde hem hoe hij de Heer moest dienen. Zolang Zecharja leefde, deed Uzzia wat de Heer wilde. Daarom hielp de Heer hem bij alles wat hij deed.

Uzzia wint alle oorlogen

6Op een dag ging Uzzia op weg om de Filistijnen aan te vallen. Hij vernielde de muren van de steden Gat, Jabne en Asdod. Daarna bouwde hij nieuwe steden in het gebied bij Asdod en in andere Filistijnse gebieden.

7God hielp Uzzia in de strijd tegen de Filistijnen, tegen de Arabieren in Gur-Baäl, en tegen de Meünieten. 8En de Ammonieten moesten belasting betalen aan Uzzia. Zo werd Uzzia heel machtig en beroemd. Zelfs in Egypte kenden de mensen zijn naam.

Uzzia bouwt torens en maakt putten

9Uzzia versterkte de muren van Jeruzalem. Hij bouwde torens op de muren bij de Hoekpoort, de Dalpoort, en op het deel van de muur dat ‘de Punt’ genoemd wordt. 10Hij bouwde ook torens in de woestijn, en hij maakte putten om regenwater in op te vangen. Want hij had veel vee, in de heuvels en in de bergen. Ook werkten er veel boeren voor hem in de bergen, op de akkers en in de wijngaarden. Uzzia vond landbouw namelijk heel belangrijk.

Uzzia heeft een sterk leger

11Uzzia had een sterk leger. Zijn soldaten waren altijd klaar om te vechten. De schrijver Jeïël zorgde ervoor dat de soldaten geteld werden, en dat ze in groepen verdeeld werden. Hij werd geholpen door Maäseja, die de soldaten controleerde. Ze waren allebei in dienst van Chananja, een belangrijke ambtenaar van de koning.

12Het leger werd geleid door 2600 mannen. Elk van hen was leider van een familie. 13Zij hadden de leiding over 307.500 sterke, dappere soldaten. Dat was het leger waarmee de koning oorlog kon voeren.

14Uzzia zorgde ervoor dat alle soldaten schilden, speren, helmen, bogen en andere wapens hadden. 15Ook liet hij speciale wapens maken om pijlen en grote stenen mee af te schieten. Hij liet die wapens op de torens en de muren van de stad zetten.

Uzzia werd heel beroemd en machtig. Dat kwam omdat de Heer hem hielp.

Uzzia wil het werk van priesters doen

16Uzzia was dus heel machtig. Maar daardoor werd hij ook heel trots. Hij dacht dat hij zich niet meer hoefde te houden aan de regels van de Heer, zijn God. En daarom liep het slecht met hem af.

Dat kwam zo: Uzzia was de tempel binnengegaan om daar zelf wierook te branden. Maar dat was verboden. 17Hogepriester Azarja ging de koning achterna de tempel in, samen met tachtig andere priesters. Het waren dappere mannen. 18De priesters hielden koning Uzzia tegen, en zeiden: ‘Koning, u mag geen wierook branden voor de Heer! Dat moeten de priesters doen, de nakomelingen van Aäron. Zij hebben zich voorbereid op die heilige taak. Ga weg uit de tempel, want u hebt iets slechts gedaan! U hebt u niet gehouden aan de regels van God, de Heer. Dat zal de Heer u kwalijk nemen!’

Uzzia wordt gestraft

19Maar Uzzia had de schaal waarin hij wierook wilde branden, al in zijn handen. Hij werd woedend op de priesters die hem wilden tegenhouden.

Terwijl koning Uzzia in de tempel bij het wierookaltaar stond te schreeuwen, kreeg hij plotseling vreselijke uitslag op zijn voorhoofd. 20Toen hogepriester Azarja en de andere priesters dat zagen, stuurden ze de koning meteen de tempel uit. Uzzia ging snel naar buiten, want hij begreep dat die huidziekte een straf was van de Heer.

21Uzzia bleef ziek tot aan zijn dood. Hij woonde alleen, in een apart gedeelte van het paleis. En hij mocht nooit meer in de tempel komen. Zijn zoon Jotam had intussen de leiding in het paleis, en regeerde over het volk.

De dood van Uzzia

22Alle andere verhalen over Uzzia zijn opgeschreven door de profeet Jesaja, de zoon van Amos.

23Toen Uzzia stierf, werd hij bij de andere koningen begraven. Maar omdat hij een huidziekte gehad had, werd hij in een apart stuk grond gelegd. Zijn zoon Jotam volgde hem op.

27

Koning Jotam van Juda

Jotam wordt koning van Juda

271Jotam werd koning toen hij 25 jaar oud was. Hij regeerde zestien jaar vanuit Jeruzalem. Zijn moeder heette Jerusa. Zij was een dochter van Sadok.

Jotam is een goede koning

2Jotam deed altijd wat de Heer wilde. Hij leefde zoals zijn vader Uzzia. Maar hij ging niet de tempel binnen, zoals zijn vader wel gedaan had. Toch bleef het volk slechte dingen doen.

3Jotam bouwde de Bovenpoort bij de tempel van de Heer. Hij versterkte ook de muren van de stad bij de heuvel Ofel. 4Verder bouwde hij steden in het bergland van Juda, en hij bouwde sterke torens in de bossen.

Jotam verslaat de Ammonieten

5Jotam vocht tegen de koning van de Ammonieten, en versloeg hem. Toen moesten de Ammonieten drie jaar lang belasting aan Jotam betalen: per jaar 3000 kilo zilver, 45.000 zakken tarwe en 45.000 zakken gerst.

6Jotam werd heel machtig. Want hij deed zijn hele leven precies wat de Heer, zijn God, wilde.

De dood van Jotam

7Alle andere verhalen over Jotam en over de oorlogen die hij gevoerd heeft, staan opgeschreven in de boeken over de koningen van Israël en Juda.

8Jotam was 25 jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde zestien jaar vanuit Jeruzalem.

9Toen hij stierf, werd hij begraven in het oude deel van Jeruzalem. Zijn zoon Achaz volgde hem op.

28

Koning Achaz van Juda

Achaz wordt koning van Juda

281Achaz werd koning toen hij twintig jaar oud was. Hij regeerde zestien jaar vanuit Jeruzalem.

Achaz is een slechte koning

Achaz leefde niet zoals zijn voorvader David, want hij deed niet wat de Heer wilde. 2Achaz deed net zulke slechte dingen als de koningen van Israël. Hij maakte beelden van de god Baäl. 3-4Hij bracht offers op de offerplaatsen, op elke heuvel en onder iedere groene boom. En hij verbrandde zelfs zijn zonen als offer in het Hinnom-dal. Daarmee volgde hij het afschuwelijke voorbeeld van de volken die de Heer uit het land weggejaagd had.

Juda wordt aangevallen

5-6Koning Achaz en de inwoners van Juda waren dus ontrouw aan de Heer, de God van hun voorouders. Daarom zorgde de Heer ervoor dat Achaz verslagen werd door andere koningen.

Eerst werd Achaz verslagen door de koning van Aram. De Arameeërs namen veel soldaten van Juda als gevangenen mee naar hun stad Damascus.

Daarna werd Achaz verslagen door koning Pekach van Israël, de zoon van Remaljahu. Dat was een grote overwinning voor Israël. Op één dag werden er 120.000 dappere soldaten van Juda gedood. 7Zichri, uit de stam Efraïm, was een beroemde soldaat in het leger van Israël. Hij doodde Maäseja, de zoon van koning Achaz. Ook doodde hij Azrikam, de leider van de dienaren van de koning, en Elkana, de belangrijkste man na de koning.

8Het leger van Israël nam 200.000 vrouwen en kinderen uit Juda als gevangenen mee naar hun stad Samaria. Ze roofden ook veel bezittingen, en namen die mee naar huis.

Israël moet de Judeeërs vrijlaten

9Toen het leger van Israël terugging naar Samaria, kwam een profeet van de Heer hun tegemoet. Hij heette Oded.

Oded zei tegen het leger van Israël: ‘De Heer, de God van jullie voorouders, was woedend op het volk van Juda. Daarom heeft hij ervoor gezorgd dat jullie hen konden verslaan. Maar jullie hebben je vreselijk gedragen tegenover hen! Jullie hebben heel veel mensen in Juda en Jeruzalem gedood. 10En nu willen jullie ook nog mensen daarvandaan als gevangenen meenemen. Jullie willen hen als slaven en slavinnen voor je laten werken!

Trouwens, jullie zijn zelf ook schuldig! Jullie hebben ook dingen gedaan die de Heer, jullie God, slecht vindt. 11Luister dus naar mij! Stuur de gevangenen terug naar Juda. Want de Heer is boos op jullie.’

12Een paar belangrijke leiders van de stam Efraïm waren het met Oded eens. Dat waren: Azarja, de zoon van Jochanan, Berechja, de zoon van Mesillemot, Jechizkia, de zoon van Sallum, en Amasa, de zoon van Chadlai. Die mannen gingen naar het leger van Israël, 13en zeiden: ‘Breng die gevangenen niet naar Samaria. Want de Heer is al boos op ons volk, omdat we slechte dingen gedaan hebben. Als jullie de gevangenen naar Israël brengen, dan wordt de Heer nog kwader op ons!’

De Judeeërs mogen terug naar huis

14Toen brachten de soldaten hun gevangenen naar de leiders van Efraïm en naar het volk. De bezittingen die de soldaten geroofd hadden, leverden ze in. 15Die bezittingen werden gebruikt om de gevangenen te helpen. Er werden mensen aangewezen die daarvoor moesten zorgen. Zij gaven kleren en schoenen aan de gevangenen die geen kleren meer hadden. Ook gaven ze de gevangenen eten en drinken, en ze verzorgden hun wonden. De mensen die niet meer konden lopen, werden op ezels gezet. Toen brachten ze alle gevangenen terug naar de grens met Juda, naar Jericho, de stad van de palmbomen.

Daarna gingen de soldaten weer terug naar Samaria.

Juda wordt weer aangevallen

16-21Toen vielen de Edomieten Juda aan. Ze namen mensen uit Juda als gevangenen mee naar Edom. Ook de Filistijnen vielen Juda aan. Ze veroverden steden in de heuvels van Juda en in de Negev-woestijn, en gingen daar wonen. Die steden waren: Bet-Semes, Ajjalon, Gederot, Socho, Timna en Gimzo, en de dorpen eromheen.

Al die dingen gebeurden omdat koning Achaz en het volk van Juda zich niet hielden aan de wetten en regels van de Heer. Daarom strafte de Heer hen.

Koning Achaz vraagt Assyrië om hulp

Toen stuurde koning Achaz boodschappers naar koning Tiglatpileser van Assyrië. Hij vroeg hem om het volk van Juda te helpen. Hij stuurde ook geschenken mee voor Tiglatpileser. Die geschenken kwamen uit zijn eigen paleis, uit de huizen van belangrijke leiders, en ook uit de tempel van de Heer.

Tiglatpileser kwam inderdaad naar Juda, maar niet om te helpen. Hij kwam om Juda aan te vallen. Zo werd het alleen maar erger voor koning Achaz en voor het volk van Juda.

Achaz doet nog meer slechte dingen

22Koning Achaz had het dus heel moeilijk. Maar toch bleef hij dingen doen die de Heer slecht vond. 23Hij bracht offers aan de goden van Aram. Want hij dacht: De Arameeërs hebben mij verslagen, met hulp van hun goden. Als ik nu offers breng aan die goden, zullen ze mij ook helpen!

Maar de goden van Aram hielpen Achaz niet. Ze zorgden er juist voor dat Juda verslagen werd.

24Toen liet Achaz alle voorwerpen uit de tempel halen, en hij liet alles kapotslaan. Daarna liet hij de tempel dichtmaken, en hij zette altaren op alle hoeken van de straten van Jeruzalem. 25Ten slotte liet hij in alle steden van Juda offerplaatsen voor andere goden maken.

Door zijn slechte gedrag maakte Achaz de Heer, de God van zijn voorouders, woedend.

De dood van Achaz

26Alle andere verhalen over Achaz staan opgeschreven in de boeken over de koningen van Juda en Israël.

27Toen Achaz stierf, werd hij begraven in het oude deel van Jeruzalem, maar niet bij de andere koningen. Zijn zoon Jechizkia volgde hem op.