Bijbel in Gewone Taal (BGT)
21

211Josafat werd na zijn dood bij zijn voorouders begraven in het oude deel van Jeruzalem. Zijn zoon Joram volgde hem op.

Koning Joram van Juda

Joram wordt koning van Juda

2Josafat had zeven zonen: Joram, Azarja, Jechiël, Zecharja, Azarjahu, Michaël en Sefatja. 3Josafat had veel geschenken gegeven aan zijn zonen: goud, zilver en andere dure dingen. Hij had ook versterkte steden in Juda aan hen gegeven. Maar het koningschap gaf hij aan Joram, omdat Joram de oudste zoon was.

4Toen Joram koning geworden was, liet hij al zijn broers vermoorden. Ook liet hij een aantal leiders van het land vermoorden.

5Joram was 32 jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde acht jaar vanuit Jeruzalem.

Joram is een slechte koning

6Koning Joram van Juda leefde net zo slecht als de koningen van Israël, de nakomelingen van koning Achab. Dat kwam doordat hij met een dochter van Achab getrouwd was.

Joram deed dingen die de Heer slecht vond, 7maar toch wilde de Heer de familie van David niet vernietigen. Want er moest altijd een nakomeling van David koning zijn in Jeruzalem. Dat had de Heer aan David beloofd.

De Edomieten komen in opstand

8In de tijd dat Joram koning van Juda was, kwam het volk van Edom tegen hem in opstand. Ze kozen een eigen koning. 9Daarom ging Joram met zijn leger en zijn strijdwagens naar Edom. Daar werd hij omsingeld door de Edomieten. Maar die nacht viel Joram met zijn leger de Edomieten aan, en hij versloeg hen.

10Toch lukte het de Edomieten om zich voor altijd los te maken van Juda.

In die tijd maakte ook de stad Libna zich los van Juda.

De profeet Elia waarschuwt Joram

Al die dingen gebeurden omdat Joram niet meer luisterde naar de Heer, de God van zijn voorouders. 11Hij bouwde zelfs offerplaatsen op de bergen van Juda! Zo zorgde hij ervoor dat de inwoners van Jeruzalem en Juda afgoden gingen vereren.

12Op een dag kreeg Joram een brief van de profeet Elia. In die brief stond: ‘Dit zegt de Heer, de God van je voorvader David: ‘Joram, jij had net zo’n goede koning moeten zijn als je vader Josafat en als koning Asa van Juda. 13Maar in plaats daarvan leef je net zo slecht als de koningen van Israël. Je doet dezelfde slechte dingen die koning Achab van Israël vroeger deed. Want door jou vereren de inwoners van Jeruzalem en Juda nu afgoden. Je hebt zelfs je broers vermoord, de zonen van je vader! En dat waren betere mannen dan jij.

14Daarom zal ik, de Heer, jouw volk streng straffen. Ook je vrouwen, je kinderen en alles wat je bezit. 15En zelf zul je een ernstige ziekte krijgen. Dagenlang zul je pijn in je buik hebben, totdat je ingewanden naar buiten komen.’’

Juda wordt aangevallen

16Toen zorgde de Heer ervoor dat koning Joram aangevallen werd. Hij werd aangevallen door de Filistijnen en door de Arabieren die in de buurt van de Nubiërs woonden. 17Nadat de Filistijnen en de Arabieren Juda binnengetrokken waren, gingen ze naar het paleis van koning Joram. Daar namen ze alles mee wat ze konden vinden. Ook namen ze de kinderen en de vrouwen van Joram gevangen. Alleen Achazja, zijn jongste zoon, bleef achter.

De dood van Joram

18Daarna kreeg Joram een ernstige ziekte aan zijn ingewanden. Hij kon niet meer beter worden. 19-20Na twee jaar was hij zo ziek, dat zijn ingewanden naar buiten kwamen. Hij had vreselijke pijn toen hij stierf.

Niemand was verdrietig om Jorams dood. Het volk van Juda maakte geen vuur ter ere van hem. Dat hadden ze wel gedaan voor zijn voorouders die vroeger koning geweest waren.

Joram was 32 jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde acht jaar vanuit Jeruzalem. Joram werd begraven in het oude deel van Jeruzalem, maar niet bij de andere koningen.

22

Koning Achazja van Juda

Achazja wordt koning van Juda

221Na de dood van Joram werd zijn jongste zoon Achazja koning gemaakt door de inwoners van Jeruzalem. Want de oudere broers van Achazja waren allemaal vermoord door rovers die met de Arabieren meegekomen waren.

2Achazja was 22 jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde één jaar vanuit Jeruzalem. Zijn moeder heette Atalja. Zij was een kleindochter van koning Omri van Israël.

Achazja is een slechte koning

3-4Achazja leefde net zoals de nakomelingen van koning Achab van Israël: ook hij deed dingen die de Heer slecht vond. Dat kwam door zijn moeder, en door andere familieleden van Achab. Zij gaven Achazja slechte raad na de dood van zijn vader. Daarom liep het verkeerd met Achazja af.

Oorlog tegen de Arameeërs

5De familie van Achab zei tegen Achazja: ‘Je moet oorlog voeren tegen koning Hazaël van Aram, samen met koning Joram van Israël. Jullie moeten naar de stad Ramot gaan, in het gebied Gilead.’

Zo gebeurde het. Maar tijdens het gevecht raakte Joram gewond. 6Hij ging terug naar de stad Jizreël om zijn wonden te laten genezen. Achazja ging daar ook heen, om te kijken hoe het met de zieke koning Joram ging.

De dood van Achazja

7-9Maar dat bezoek aan Joram liep niet goed af voor Achazja. Tijdens het bezoek gingen Achazja en Joram samen Jehu tegemoet, de zoon van Nimsi. Maar de Heer had Jehu uitgekozen om de familie van koning Achab van Israël te vernietigen.

Jehu doodde eerst Joram en de rest van de familie van Achab. Daarna kwam hij de leiders van Juda tegen. En ook de zonen van de broers van koning Achazja die in dienst waren van de koning. Jehu doodde hen allemaal.

Ten slotte ging Jehu op zoek naar Achazja zelf. Achazja had zich verstopt in Samaria. Maar de mannen van Jehu vonden hem, en namen hem gevangen. Daarna brachten ze hem naar Jehu, en doodden hem. Zo zorgde de Heer ervoor dat koning Achazja gedood werd.

Achazja werd wel begraven bij de andere koningen, want zijn grootvader Josafat was de Heer altijd trouw geweest. Achazja had geen nakomelingen die hem op dat moment konden opvolgen.

Koningin Atalja van Juda

Atalja wil de hele koninklijke familie doden

10Atalja, de moeder van koning Achazja van Juda, hoorde dat haar zoon vermoord was. Toen besloot ze om alle kinderen uit de koninklijke familie te laten doden.

11Maar Joas, één van de zonen van Achazja, werd gered. Want hij werd door een zus van Achazja weggehaald bij de kinderen die gedood zouden worden. Die zus heette Jehosabat. Ze was een dochter van koning Joram, en ze was getrouwd met hogepriester Jojada. Ze verstopte Joas en zijn verzorgster in de tempel, zodat Atalja hen niet zou ontdekken.

Zo bleef Joas in leven. 12Hij werd zes jaar lang door zijn tante Jehosabat verborgen gehouden in de tempel van de Heer. Al die tijd was Atalja koningin van Juda.

23

Jojada begint een opstand

231Toen Atalja zeven jaar koningin van Juda was, probeerde hogepriester Jojada meer macht te krijgen. Hij liet de volgende legerleiders bij zich komen: Azarja, de zoon van Jerocham, Jismaël, de zoon van Jochanan, Azarja, de zoon van Obed, Maäseja, de zoon van Adaja, en Elisafat, de zoon van Zichri. Hij maakte een plechtige afspraak met hen om samen te werken.

2Toen gingen ze naar alle steden van Juda toe. Daar gaven ze het bevel dat alle Levieten en alle leiders van de families naar Jeruzalem moesten komen. 3Ze kwamen allemaal bij elkaar in de tempel.

Toen zei hogepriester Jojada tegen de mensen in de tempel: ‘De Heer heeft gezegd dat de koning van Juda altijd een nakomeling van David zal zijn. Daarom zal Joas, de zoon van koning Achazja, jullie nieuwe koning zijn.’ Daarna beloofden ze trouw aan de koning.

4Jojada zei verder: ‘Een derde deel van de priesters en de Levieten heeft op sabbat dienst. Zij moeten zich in drie groepen verdelen. De eerste groep moet de tempelpoorten bewaken. 5De tweede groep moet het paleis bewaken. En de derde groep moet de Fundamentpoort bewaken.

Het hele volk moet op de pleinen bij de tempel gaan staan. 6Maar ze moeten wel buiten de tempel blijven, zoals de Heer gezegd heeft. Alleen de priesters en de Levieten die dienst hebben, mogen naar binnen. Want zij hebben zich voorbereid op hun heilige taak.

7De Levieten moeten allemaal hun wapens klaarhouden, en steeds bij Joas in de buurt blijven. Mensen die te dicht bij de tempel komen, moeten gedood worden.’

Joas wordt koning gemaakt

8De Levieten en de leiders van het volk deden wat Jojada zei. Ze brachten al hun mannen bij hem. Niet alleen degenen die dienst hadden, maar ook degenen die eigenlijk vrij waren. Want Jojada wilde dat iedereen meedeed.

9Jojada gaf de officieren de speren, schilden en pijlen die in de tempel lagen. Die waren nog van koning David geweest. 10Alle mannen moesten met hun wapens aan beide kanten van de tempel en het altaar gaan staan. Zo moesten ze Joas beschermen.

11Toen brachten Jojada en zijn zonen Joas naar buiten. Ze zetten een kroon op Joas’ hoofd. En ze gaven hem een officiële brief met regels voor de koning. Daarna goten ze olie over zijn hoofd. Zo werd hij koning gemaakt. En iedereen riep: ‘Leve de koning!’

Atalja wordt gedood

12Koningin Atalja hoorde het lawaai van het volk dat bij elkaar gekomen was. Ze hoorde hen juichen voor de koning. Ze liep tussen de mensen door die bij de tempel stonden. 13Toen zag ze koning Joas op een podium bij de ingang van de tempel staan. Ze zag ook de officieren, de trompetspelers en de zangers. En ze hoorde hoe het hele volk juichte, op trompetten blies, en zong ter ere van de koning. Toen scheurde Atalja van wanhoop haar kleren, en riep: ‘Verraad, verraad!’

14Meteen gaf Jojada een bevel aan de officieren. Hij zei: ‘Atalja mag niet hier bij de tempel van de Heer gedood worden. Breng haar weg en bewaak haar goed. En dood iedereen die haar volgt!’

15De soldaten grepen Atalja vast, en brachten haar naar de Paardenpoort, één van de ingangen van het paleis. Daar werd ze gedood.

Het volk zal de Heer dienen

16Hogepriester Jojada, koning Joas en het volk beloofden elkaar plechtig dat ze de Heer weer zouden dienen.

17Daarna gingen de mensen naar de tempel van Baäl toe. Ze verwoestten die tempel, en ook de beelden en de altaren. En op de plaats van de altaren doodden ze Mattan, de priester van Baäl.

18Verder wees Jojada priesters aan uit de families van de Levieten. Koning David had elke familie een eigen taak gegeven in de tempel van de Heer. De priesters moesten offers brengen, volgens de regels die Mozes aan hun voorouders gegeven had. Daarbij moesten de Levieten liederen zingen, volgens de regels die David aan hun voorouders gegeven had.

19Jojada wees ook bewakers aan van de tempelpoorten. Zij moesten mensen tegenhouden die onrein waren.

Joas gaat naar het koninklijk paleis

20Daarna riep Jojada iedereen bij elkaar: de officieren, de leiders van het volk en alle andere mensen die daar waren. Toen vertrokken ze met koning Joas uit de tempel van de Heer. Ze brachten hem door de Bovenpoort naar het paleis. Daar zetten ze hem op de troon. 21Iedereen was blij. En ondanks de dood van Atalja bleef het rustig in de stad.