Bijbel in Gewone Taal (BGT)
17

171Asa werd opgevolgd door zijn zoon Josafat.

Koning Josafat van Juda

Josafat versterkt de steden

Koning Josafat wilde ervoor zorgen dat Juda niet veroverd kon worden door Israël. 2Daarom maakte hij de versterkte steden van Juda nog sterker. Hij stuurde soldaten naar al die steden en naar andere belangrijke plaatsen in Juda. Ook stuurde hij soldaten naar de steden die zijn vader Asa veroverd had in het gebied Efraïm.

Josafat is een goede koning

3De Heer hielp Josafat, want Josafat was net zo trouw aan de Heer als zijn voorvader koning David in het begin was. Josafat vroeg niet om raad aan de god Baäl, 4maar hij vertrouwde op de God van zijn voorvader. Hij hield zich aan Gods wetten en regels. Hij deed geen slechte dingen, zoals de koningen van Israël deden. 5-6En hij liet alle offerplaatsen en heilige palen uit Juda weghalen.

Josafat deed dus erg zijn best om te doen wat de Heer wilde. Daarom zorgde de Heer ervoor dat Josafat een machtige koning werd. Iedereen kreeg veel respect voor Josafat, en hij werd heel rijk. Alle mensen van Juda gaven hem geschenken.

Het volk leert de wet van de Heer

7-9Toen Josafat drie jaar koning was, stuurde hij ambtenaren met het wetboek van de Heer naar alle steden van Juda. Zij moesten daar de wet van de Heer leren aan het volk. Die ambtenaren waren: Ben-Chaïl, Obadja, Zecharja, Netanel en Micha.

Josafat stuurde ook Levieten mee: Semaja, Netanja, Zebadja, Asaël, Semiramot, Jonatan, Adonia, Tobia en Tob-Adonia. En de priesters Elisama en Joram.

Josafat heeft veel macht

10Alle koningen van de landen om Juda heen waren bang voor de Heer. Daarom durfden ze koning Josafat niet aan te vallen. 11Sommige Filistijnen brachten Josafat geschenken en betaalden hem belasting. De Arabieren brachten hem vee: 7700 rammen en 7700 bokken.

12Josafat kreeg steeds meer macht. In heel Juda bouwde hij versterkte steden en steden waarin voorraden bewaard werden. 13Hij had veel voorraden in de steden van Juda.

Josafat heeft een groot leger

In Jeruzalem had Josafat een leger met dappere soldaten. 14Die soldaten waren per stam in groepen verdeeld.

Adna uit de stam Juda had de leiding over 300.000 dappere soldaten. 15Jochanan uit de stam Juda had de leiding over 280.000 soldaten. 16En Amasja, de zoon van Zichri, had de leiding over 200.000 soldaten. Hij wilde graag de Heer dienen.

17Eljada uit de stam Benjamin was een dappere soldaat. Hij had de leiding over 200.000 soldaten met bogen en schilden. 18Jozabad uit de stam Benjamin had de leiding over 180.000 soldaten, die klaar waren om te vechten.

19Dat waren de soldaten van koning Josafat in Jeruzalem. Verder had hij nog soldaten in de andere versterkte steden van Juda.

18

Achab vraagt steun aan Josafat

181Josafat was nu heel rijk en beroemd. Hij liet zijn zoon trouwen met een dochter van Achab, de koning van Israël. Zo werden de koningen van Juda en Israël familie van elkaar.

2Op een dag bracht Josafat een bezoek aan Achab in Samaria. Achab liet heel veel schapen, geiten en koeien slachten. Hij liet daarvan een maaltijd klaarmaken voor Josafat en zijn dienaren.

Toen vroeg Achab of Josafat met hem mee wilde gaan naar de stad Ramot in het gebied Gilead. 3-4Hij zei: ‘Wilt u mij helpen om Ramot aan te vallen?’ Josafat antwoordde: ‘U en ik horen bij elkaar. Mijn soldaten zijn ook uw soldaten. Ik zal met u meevechten. Maar u moet eerst vragen wat de Heer wil.’

Achab vraagt raad aan de Heer

5Achab riep alle profeten bij elkaar. Dat waren er vierhonderd. Hij vroeg hun: ‘Moet ik de stad Ramot in Gilead aanvallen, of kan ik dat beter niet doen?’ De profeten antwoordden: ‘U moet Ramot aanvallen. God zal die stad aan u geven.’

6Maar Josafat vroeg: ‘Is hier misschien nog een andere profeet van de Heer aan wie we het kunnen vragen?’ 7Achab antwoordde: ‘Ja, er is nog iemand die voor ons kan vragen wat de Heer wil. Maar ik heb een hekel aan hem, want hij heeft mij nooit iets goeds te zeggen. Het is Micha, de zoon van Jimla. Hij voorspelt alleen maar ongeluk.’

Josafat zei: ‘Zulke dingen mag u niet zeggen!’ 8Toen liet Achab een dienaar bij zich komen. Hij gaf hem de opdracht om Micha meteen te gaan halen.

De profeet Sidkia

9Koning Achab van Israël en koning Josafat van Juda zaten allebei buiten de stadspoort van Samaria op een troon. Ze hadden hun koninklijke kleren aan. Ze keken hoe de profeten dansend en schreeuwend de toekomst voorspelden.

10Eén van die profeten was Sidkia, de zoon van Kenaäna. Hij had twee hoorns van ijzer op zijn hoofd gezet, en hij riep tegen Achab: ‘Dit zegt de Heer: ‘Zoals een stier zijn vijanden doodt met zijn hoorns, zo zult u de Arameeërs doden! Geen van hen zal in leven blijven.’’

11De andere profeten voorspelden net zulke dingen. Allemaal zeiden ze dat koning Achab de stad Ramot moest aanvallen. En dat het goed zou aflopen, omdat de Heer de stad aan Achab zou geven.

De profeet Micha komt bij Achab

12De dienaar van koning Achab kwam bij de profeet Micha om hem op te halen. Hij zei tegen Micha: ‘De andere profeten zeggen allemaal dat de koning de stad Ramot zal veroveren. Zegt u alstublieft hetzelfde, voorspel iets goeds!’ 13Micha antwoordde: ‘Ik zal alleen tegen de koning zeggen wat mijn God tegen mij zegt. Dat is zo zeker als de Heer leeft.’

14Toen Micha bij de koning kwam, vroeg die aan hem: ‘Micha, moet ik samen met Josafat de stad Ramot in Gilead aanvallen? Of kan ik dat beter niet doen?’ ‘Valt u Ramot maar aan, koning!’ zei Micha. ‘De Heer zal die stad aan u geven.’

15De koning zei tegen Micha: ‘Wees eerlijk tegen mij als je namens de Heer spreekt. Dat heb ik je al zo vaak gezegd!’ 16Toen zei Micha: ‘Ik had een droom waarin ik de soldaten van Israël zag. Ze liepen overal rond in de bergen, het waren net schapen zonder herder. Toen zei de Heer tegen mij: ‘De soldaten van Israël hebben geen leider meer, ze kunnen beter naar huis teruggaan.’’

17Koning Achab zei tegen Josafat: ‘Ik heb het toch gezegd? Die man voorspelt nooit iets goeds over mij, hij zegt alleen maar slechte dingen!’

Micha voorspelt ongeluk

18Micha ging verder met spreken. Hij zei: ‘Luister naar de woorden van de Heer! Ik zag de Heer in de hemel op zijn troon zitten. Alle engelen en geesten stonden om hem heen. 19De Heer zei: ‘Wie van jullie gaat ervoor zorgen dat koning Achab van Israël de stad Ramot in Gilead aanvalt? Dan zal Achab sterven in het gevecht.’ Er werden verschillende voorstellen gedaan.

20Uiteindelijk kwam één van de geesten naar de Heer toe, en zei: ‘Ik zal ervoor zorgen dat Achab de stad Ramot aanvalt.’ ‘Hoe wil je dat doen?’ vroeg de Heer. 21De geest antwoordde: ‘Ik zal naar de aarde gaan en ervoor zorgen dat alle profeten van Achab liegen.’ ‘Dat is goed,’ zei de Heer. ‘Het zal je lukken.’

22En zo is het gegaan. De Heer heeft ervoor gezorgd dat uw profeten liegen. Hij heeft besloten dat het slecht met u zal aflopen.’

Sidkia beschuldigt Micha

23Toen kwam de profeet Sidkia naar Micha toe en gaf hem een klap in zijn gezicht. Hij zei tegen Micha: ‘Wil jij soms beweren dat de Heer niet meer tegen mij spreekt, maar alleen nog tegen jou?’

24‘Je zult straks wel zien wie er gelijk heeft,’ antwoordde Micha. ‘Dan zul je zo bang zijn dat je je voor iedereen verbergt.’

25Toen zei koning Achab: ‘Breng Micha naar Amon, de bestuurder van de stad Samaria, en naar mijn zoon Joas. 26Zij moeten hem opsluiten in de gevangenis. Hij mag alleen maar water en brood hebben, totdat ik weer veilig terug ben.’ 27Micha zei tegen hem: ‘Als u veilig terugkomt, dan kwamen mijn woorden niet van de Heer.’ (Diezelfde profeet heeft eens gezegd: ‘Volken, luister allemaal!’)

Het gevecht om de stad Ramot

28Samen met koning Josafat ging koning Achab op weg naar de stad Ramot. 29Hij zei tegen Josafat: ‘Ik trek andere kleren aan voor het gevecht, maar u kunt uw koninklijke kleren aanhouden.’ Voordat het gevecht begon, trok Achab dus andere kleren aan. Dat deed hij om niet herkend te worden.

30Intussen riep de koning van Aram de officieren van zijn strijdwagens bij zich. Hij gaf hun de volgende opdracht: ‘Ga niet zomaar met iedereen vechten. Jullie mogen alleen de koning van Israël aanvallen.’

31Zodra de officieren de wagen van Josafat zagen, riepen ze: ‘Dat is de koning van Israël!’ En ze reden van alle kanten naar hem toe om tegen hem te vechten. Maar Josafat gaf een schreeuw, en de Heer kwam hem te hulp: de Heer haalde de officieren bij Josafat weg. 32Die zagen dat Josafat niet de koning van Israël was, en ze lieten hem met rust.

De dood van Achab

33Tijdens het gevecht schoot een soldaat een pijl af die toevallig koning Achab raakte. De pijl ging door het harnas van Achab heen. Meteen zei Achab tegen de bestuurder van zijn strijdwagen: ‘Keer om, breng me naar het legerkamp. Ik ben zwaargewond, ik moet hier weg!’

34Maar de strijd werd steeds feller, en koning Achab bleef rechtop in de strijdwagen staan om tegen de Arameeërs te vechten, tot laat in de middag. Toen de zon onderging, stierf hij.

19

De profeet Jehu komt bij Josafat

191Koning Josafat van Juda kwam weer veilig in zijn paleis in Jeruzalem terug.

2De profeet Jehu, de zoon van Chanani, ging naar Josafat toe en zei: ‘U helpt slechte mensen, en u bent bevriend met mensen die ontrouw zijn aan de Heer. Daarom is de Heer kwaad op u! 3Maar u hebt ook goede dingen gedaan. U hebt de heilige palen voor de godin Asjera uit het land weggehaald. En u hebt geprobeerd om te doen wat God wil.’

4Vanaf toen bleef Josafat in Jeruzalem wonen. Wel ging hij nog een keer op reis door het hele land, van Berseba tot aan het bergland van Efraïm. Hij zorgde ervoor dat de mensen van het volk weer trouw werden aan de Heer, de God van hun voorouders.

Josafat kiest rechters uit

5In alle versterkte steden van Juda koos Josafat rechters uit. 6Hij zei tegen hen: ‘Jullie hebben een belangrijke taak. Want jullie zijn geen rechters die namens mensen spreken. Jullie spreken namens de Heer. Elke keer als jullie een oordeel geven, is de Heer bij jullie. 7Heb dus eerbied voor de Heer, onze God, en houd je precies aan zijn wet. Want hij wil niet dat jullie onrecht doen, of oneerlijk zijn, of je laten omkopen.’

8Ook in Jeruzalem koos Josafat Levieten, priesters en leiders van families uit om rechter te zijn. Ze moesten oordelen over mensen die zich niet gehouden hadden aan de wetten en regels van de Heer. En ze moesten rechtspreken als de inwoners van Jeruzalem ruzie hadden met elkaar.

De rechters krijgen een opdracht

9Josafat gaf de rechters deze opdracht: ‘Jullie moeten je werk trouw en eerlijk doen, met eerbied voor de Heer. 10Als rechters uit de andere steden jullie om raad vragen bij een ruzie, dan moeten jullie hen helpen. Jullie moeten hun vertellen wat ze moeten doen als er een moord gepleegd is, of als mensen zich niet gehouden hebben aan de wetten en regels.

Dan zullen die rechters op een goede manier rechtspreken en geen fouten maken. En dan zal de Heer niet kwaad worden op hen of op jullie. Want dan doen jullie wat de Heer wil.

11De hogepriester Amarja zal jullie belangrijkste rechter zijn bij rechtszaken over de wetten van de Heer. Zebadja, de zoon van Jismaël en de leider van de stam Juda, zal jullie belangrijkste rechter zijn bij rechtszaken over de wetten van de koning. Ambtenaren van de Levieten zullen jullie bij jullie taak helpen.

Wees moedig en eerlijk in jullie werk. Dan zal de Heer bij jullie zijn.’