Bijbel in Gewone Taal (BGT)
14

Koning Asa van Juda

Asa is een goede koning

141Asa deed wat de Heer, zijn God, wilde. 2Hij liet in Juda alle altaren en offerplaatsen voor andere goden weghalen. Ook liet hij alle heilige stenen kapotslaan, en alle heilige palen voor de godin Asjera omhakken. 3-4Verder liet hij uit alle steden de offerplaatsen en altaren voor de Heer weghalen, behalve uit Jeruzalem.

Hij zei tegen de inwoners van Juda: ‘Jullie moeten doen wat de Heer, de God van jullie voorouders, wil. Jullie moeten je houden aan zijn wetten en regels.’

Asa versterkt de steden

Omdat Asa een goede koning was, was er rust en vrede in het land. 5Daar zorgde de Heer voor. Daarom kon Asa de steden van Juda versterken.

6Hij zei tegen de inwoners van het land: ‘Wij hebben gedaan wat de Heer, onze God, wil. Daarom heeft hij ervoor gezorgd dat het land nog steeds van ons is, en dat er vrede is. Laten we nu de steden versterken met muren, torens en stevige poorten.’

De inwoners van Juda begonnen te bouwen, en maakten alles helemaal af.

De Nubiërs vallen Juda aan

7Asa had 300.000 soldaten uit het gebied Juda, met grote schilden en met speren. Hij had ook 280.000 soldaten uit het gebied Benjamin, met kleine schilden en met bogen. Het waren allemaal dappere soldaten.

8Op een dag ging de Nubiër Zerach op weg om Asa aan te vallen. Hij kwam met een leger van één miljoen soldaten en driehonderd strijdwagens. Toen Zerach bij de stad Maresa gekomen was, 9kwam Asa hem met zijn leger tegemoet. In het Sefata-dal, bij Maresa, maakten de twee legers zich klaar voor de strijd.

Asa bidt tot de Heer

10Toen bad Asa tot de Heer, zijn God: ‘Heer, de Nubiërs zijn met veel meer soldaten dan wij. Alleen u kunt ons nu helpen, want u bent onze steun. Wij zijn hier gekomen om te vechten tegen dit grote leger, omdat we op u vertrouwen. Heer, onze God, laat zien dat u sterker bent dan mensen!’

De Heer verslaat de Nubiërs

11Toen liet de Heer de Nubiërs verliezen van Asa en zijn leger. De Nubiërs vluchtten weg. 12Asa en zijn leger achtervolgden hen tot aan de stad Gerar. Ze doodden zo veel Nubiërs, dat het leger van Nubië niet meer kon vechten. Het werd helemaal vernietigd door de Heer en het leger van Juda.

De soldaten van Juda namen heel veel bezittingen van de Nubiërs mee.

Asa verovert de steden bij Gerar

13De inwoners van de plaatsen in de buurt van de stad Gerar waren heel bang voor de Heer. Daarom kon het leger van Asa al die plaatsen veroveren en leegroven. De soldaten namen heel veel bezittingen van de inwoners mee. 14Ze roofden ook tenten van herders leeg, en namen heel veel schapen, geiten en kamelen mee.

Toen gingen ze terug naar Jeruzalem.

15

Azarja spreekt tegen koning Asa

151Azarja, de zoon van de profeet Oded, kreeg de geest van God in zich. 2Hij ging naar koning Asa en zei: ‘Luister naar mij, Asa! Luister, inwoners van Juda en Benjamin! De Heer helpt jullie zolang jullie op hem vertrouwen. Als jullie hem zoeken, zal hij zorgen dat jullie hem vinden. Maar als jullie hem in de steek laten, dan zal hij jullie ook in de steek laten.

3Jullie voorouders hebben heel lang geleefd zonder de ware God. En zonder priesters die hun de wet van God konden uitleggen.

4-6Maar toen kregen ze het moeilijk. Niemand kon meer veilig reizen in het land. Alle mensen waren bang. Volken voerden oorlog tegen elkaar, steden hadden ruzie met elkaar. God zorgde voor paniek en allerlei rampen.

Toen gingen de mensen weer vertrouwen op de Heer, de God van Israël. Ze zochten hem, en hij zorgde ervoor dat ze hem vonden.

7Nu moeten jullie sterk zijn en volhouden. Dan zal de Heer jullie belonen.’

Asa haalt de afgodsbeelden weg

8Toen Asa hoorde wat Azarja zei, kreeg hij nieuwe moed. Hij liet alle afgodsbeelden weghalen uit Juda en Benjamin. En ook uit de steden die hij veroverd had in het bergland van Efraïm. Verder herstelde hij het altaar van de Heer op het plein voor de tempel.

Asa en het volk brengen offers

9-10Toen Asa vijftien jaar koning was, liet hij in de derde maand alle inwoners van Juda en Benjamin naar Jeruzalem komen. En ook de mensen die vanuit Israël naar Juda gekomen waren, namelijk uit de gebieden Efraïm, Manasse en Simeon. Dat waren heel veel mensen. Zij waren in Juda komen wonen, toen ze zagen dat Asa geholpen werd door de Heer, zijn God.

11Toen ze allemaal in Jeruzalem waren, bracht Asa samen met hen offers aan de Heer. Ze offerden zevenhonderd koeien en zevenduizend schapen en geiten. Die had het leger van Asa meegenomen uit Gerar na hun strijd tegen de Nubiërs.

Het volk belooft trouw aan de Heer

12Asa en zijn volk beloofden plechtig om trouw te blijven aan de Heer, de God van hun voorouders. Ze beloofden trouw te blijven met heel hun hart en heel hun ziel. 13En iedereen die ontrouw was aan de Heer, de God van Israël, zou gedood worden. Ook vrouwen en kinderen.

14Intussen zongen en juichten ze, en bliezen ze op trompetten. Want iedereen beloofde om trouw te zijn aan de Heer. 15Iedereen in Juda was blij, want ze hadden de belofte met heel hun hart gedaan. Ze hadden de Heer vol verlangen gezocht, en de Heer had ervoor gezorgd dat ze hem vonden. Hij zorgde voor vrede in het hele land.

Asa doet wat hij beloofd heeft

16Asa zorgde ervoor dat zijn moeder Maächa niet langer koningin genoemd mocht worden. Want zij had een beeld laten maken van de godin Asjera. Asa liet dat beeld weghalen en in stukken slaan. Daarna liet hij het verbranden in het Kidron-dal.

17De offerplaatsen zelf verdwenen niet, maar Asa probeerde zijn leven lang trouw te zijn aan de Heer. 18Hij liet goud, zilver en andere dingen naar de tempel brengen. Dat waren geschenken voor God, van zijn vader Abia en van hemzelf.

19De eerste 35 jaar dat Asa koning was, was er geen oorlog in het land.

16

Asa voert oorlog tegen Basa

161Toen Asa 36 jaar koning van Juda was, viel Basa, de koning van Israël, het land Juda aan. Basa veroverde de stad Rama en versterkte die. Zo zorgde hij ervoor dat niets of niemand het gebied van Asa in of uit kon gaan.

2Toen liet Asa goud en zilver uit de tempel en het paleis halen. Hij gaf dat aan zijn dienaren mee om het naar de stad Damascus te brengen. Daar moesten ze het aan Benhadad geven, de koning van Aram.

De dienaren moesten namens Asa tegen Benhadad zeggen: 3‘Onze vaders hielpen elkaar. Laten wij dat ook doen! Kijk, ik geef u goud en zilver als geschenk. En ik vraag u: Steun koning Basa van Israël niet langer, maar steun mij. Dan zal Basa zich terugtrekken uit mijn land.’

4Benhadad deed wat Asa hem vroeg. Hij gaf zijn legerleiders het bevel om de steden van Israël aan te vallen. Ze veroverden Ijjon, Dan, Abel-Maïm, en alle steden in het gebied Naftali waar voorraden bewaard werden.

5Toen Basa dat hoorde, bouwde hij niet meer verder aan de muur om Rama. Hij liet al het werk stoppen. 6Daarna liet Asa de muur om Rama helemaal afbreken. Alle mensen uit Juda moesten meehelpen. De stenen en het hout van de muur gebruikte Asa voor de muren van de steden Geba en Mispa.

Chanani spreekt tegen Asa

7Korte tijd later ging de profeet Chanani naar koning Asa van Juda. Hij zei tegen hem: ‘Toen koning Basa van Israël u aanviel, hebt u steun gezocht bij de koning van Aram. Maar u had steun moeten zoeken bij de Heer, uw God! Dan had u niet alleen Israël, maar ook Aram kunnen verslaan.

8Toen de Nubiërs en de Libiërs u aanvielen, vertrouwde u wel op de Heer. Zij hadden ook een heel groot leger, met veel wagens en paarden. Toch heeft de Heer er toen voor gezorgd dat uw leger de Nubiërs en de Libiërs verslagen heeft.

9De Heer ziet alles op aarde. Als hij ziet dat mensen hem met hun hele hart vertrouwen, geeft hij hun kracht en hulp. Het was dom van u om niet op de Heer te vertrouwen. Daarom zullen er vanaf nu veel oorlogen tegen u gevoerd worden.’

10Toen werd Asa zo kwaad op Chanani, dat hij hem in de gevangenis liet opsluiten.

Asa onderdrukte in die tijd ook gewone mensen uit het volk.

De dood van Asa

11Alle andere verhalen over Asa staan opgeschreven in de boeken over de koningen van Juda en Israël.

12Toen Asa 39 jaar koning was, kon hij niet goed meer lopen. Zijn benen deden veel pijn. Zelfs toen vroeg hij niet om hulp aan de Heer, maar aan dokters.

13Twee jaar later stierf Asa. 14Hij werd begraven in het oude deel van Jeruzalem, in het graf dat hij voor zichzelf had laten maken. Zijn dienaren legden hem op een bed dat gevuld was met allerlei geurige kruiden. Ten slotte maakten ze een heel groot vuur ter ere van hem.