Bijbel in Gewone Taal (BGT)
1

De wijsheid van koning Salomo

11Salomo, de zoon van David, was een machtige koning. God hielp Salomo en zorgde ervoor dat hij nog machtiger werd.

Salomo brengt offers in Gibeon

2Salomo riep de belangrijkste mensen uit heel Israël bij zich: de legerleiders, de rechters, alle bestuurders en de leiders van alle families. 3Samen met al die mensen ging Salomo naar de offerplaats in de stad Gibeon. Want daar stond de heilige tent van God. Mozes, de dienaar van God, had die tent in de woestijn gemaakt.

4-6Voor de heilige tent stond het bronzen altaar, dat gemaakt was door Besaleël, de zoon van Uri en de kleinzoon van Chur. Maar de heilige kist van God was niet in Gibeon. Die kist was door David meegenomen uit Kirjat-Jearim en in Jeruzalem in een nieuwe tent neergezet.

Salomo ging naar het bronzen altaar, samen met alle mensen die hij meegenomen had. Hij offerde daar wel duizend dieren aan God.

Salomo vraagt God om wijsheid

7Die nacht in Gibeon kwam God bij Salomo. God zei tegen hem: ‘Je mag mij vragen wat je wilt. Ik zal het je geven.’

8Salomo antwoordde: ‘U was heel goed voor koning David, mijn vader. En daarna hebt u mij koning van Israël gemaakt. 9Ik moet dat volk leiden, maar het is zo groot dat het niet te tellen is.

Daarom vraag ik u: Doe wat u aan mijn vader beloofd hebt. Help mij om lang koning te blijven. 10Geef mij de wijsheid en het inzicht dat ik nodig heb om uw grote volk te leiden.’

God geeft Salomo wijsheid

11Toen zei God tegen Salomo: ‘Ik vind het bijzonder dat je dat wilt. Dat je niet vraagt om kostbare schatten, of om beroemd te mogen worden. En ook niet om de dood van je vijanden, of om een lang leven. Nee, je hebt gevraagd om wijsheid en inzicht, zodat je mijn volk kunt leiden. Het volk waarvan ik jou koning gemaakt heb.

12Daarom zal ik je wijsheid en inzicht geven. Maar ik zal je ook kostbare schatten geven, en ik zal ervoor zorgen dat je beroemd wordt. Zo’n rijke en machtige koning als jij is er nooit geweest en zal er nooit meer zijn.’

13Toen ging Salomo weg van de offerplaats in Gibeon, terug naar Jeruzalem. Daar regeerde hij over Israël.

Salomo zorgt voor rijkdom

14Salomo kocht 1400 wagens en 12.000 paarden voor zijn leger. Een deel ervan liet hij naar de steden brengen waar zijn soldaten waren. Een ander deel bleef in Jeruzalem, bij het paleis.

15-17Salomo’s paarden kwamen uit Egypte, uit het gebied Kewe. Zijn handelaars hadden ze daar gekocht. Een paard kostte in Egypte 1,5 kilo zilver, en een wagen kostte er 6 kilo zilver. Salomo’s handelaars verkochten ook paarden aan de koningen van de Hethieten en van de Arameeërs.

Salomo zorgde overal voor rijkdom. Hij zorgde ervoor dat zilver in Jeruzalem net zo gewoon was als steen. En cederhout was er net zo gewoon als het hout van de vijgenbomen op de heuvels.

Voorbereidingen voor de tempelbouw

Salomo wil een tempel bouwen

18Salomo besloot om een tempel te bouwen voor de Heer, en een paleis voor zichzelf.

2

21Salomo liet tellen hoeveel mannen hij in dienst had: 70.000 mannen om al het materiaal voor de bouw te dragen, 80.000 mannen om stenen te hakken in de bergen en 3600 mannen die de leiding hadden over de arbeiders.

2Ook stuurde Salomo dienaren naar Churam, de koning van Tyrus, met de volgende vraag: ‘U hebt vroeger aan mijn vader David hout gestuurd. Daarmee bouwde hij een paleis voor zichzelf. 3Nu heb ook ik uw hulp nodig. Ik wil een tempel bouwen voor de Heer, mijn God.

Ik zal van die tempel een heilige plaats maken. Dan kunnen de Israëlieten daar geurige wierook branden voor God, op vaste tijden offerbrood neerleggen en offers brengen. Dat moeten ze elke ochtend en elke avond doen. En ook op sabbat, op het Feest van Nieuwe Maan en op de feesten voor de Heer, onze God. Dat moeten de Israëlieten voortaan altijd doen.

4De tempel die ik ga bouwen, moet groot worden. Want onze God is groter dan de goden van andere volken. 5Maar eigenlijk is geen enkele tempel groot genoeg voor God. Zelfs de hoogste hemel is voor God niet groot genoeg om in te wonen! De tempel die ik ga bouwen, is alleen bedoeld om offers aan hem te brengen.

Salomo vraagt koning Churam om hulp

6Nu vraag ik u, koning Churam: Stuur een vakman naar mij toe. Iemand die voorwerpen kan maken van goud en zilver, en van brons en ijzer. Hij moet ook goed kunnen werken met paarse, rode en blauwe wol. En hij moet goed figuren kunnen uitsnijden.

Hij moet de vakmensen helpen die voor mij werken in Juda en Jeruzalem. Die vakmensen werkten al voor mijn vader David.

7Stuur mij ook de beste bomen uit de Libanon-bergen. Ik weet dat uw arbeiders goed bomen kunnen omhakken. Ik zal zelf ook arbeiders sturen om hen te helpen. 8Dan kan ik zo veel mogelijk hout bij elkaar krijgen. Want de tempel die ik ga bouwen, moet groot en prachtig worden.

9Ik zal uw arbeiders voor dat werk betalen met 90.000 zakken tarwe, 90.000 zakken gerst, 900.000 liter wijn en 900.000 liter olijfolie.’

Churam belooft Salomo te helpen

10Koning Churam stuurde een brief naar Salomo met het volgende antwoord: ‘De Heer houdt van uw volk. Daarom heeft hij ervoor gezorgd dat u hun koning bent. 11Ik dank de Heer, de God van Israël, die de hemel en de aarde gemaakt heeft. Want hij heeft aan koning David een wijze zoon gegeven. Een zoon met kennis, inzicht en verstand. Een zoon die een tempel voor de Heer wil bouwen, en een paleis voor zichzelf.

12Ik zal u een vakman sturen, een man met kennis en verstand. Hij heet meester Churam. 13Zijn moeder komt uit de stam Dan en zijn vader komt uit Tyrus.

Meester Churam kan voorwerpen maken van goud en zilver, van brons en ijzer, en van steen en hout. Hij kan werken met paarse, rode en blauwe wol, en met fijn wit linnen. Hij kan ook allerlei figuren bedenken en die snijden. Met de hulp van uw vakmensen kan hij alles maken wat u wilt.

14Stuur de tarwe, de gerst, de olie en de wijn naar mijn arbeiders, zoals u beloofd hebt. 15Dan zullen wij bomen omhakken in de Libanon-bergen, zo veel als u nodig hebt. We zullen er vlotten van maken. Die vlotten zullen wij naar u toe brengen, naar de haven van Jafo. Vanuit Jafo kunt u de bomen dan naar Jeruzalem brengen.’

Salomo heeft alle arbeiders geteld

16Salomo had alle vreemdelingen in Israël laten tellen, zoals ook zijn vader David gedaan had. Het waren er 153.600. 17Die vreemdelingen had Salomo in dienst genomen voor de bouw van de tempel: 70.000 mannen om het materiaal te dragen, 80.000 mannen om stenen te hakken in de bergen en 3600 mannen die de leiding hadden over de arbeiders.