Bijbel in Gewone Taal (BGT)
7

71Toen kwamen er een paar mensen uit die stad. Zij haalden de kist op en brachten hem naar het huis van Abinadab. Zijn huis stond op een heuvel. Zijn zoon Elazar werd speciaal uitgekozen om op de heilige kist te passen.

De Israëlieten hebben spijt

2De heilige kist bleef twintig jaar in Kirjat-Jearim staan. De Israëlieten begonnen de Heer in die tijd steeds vaker om hulp te vragen.

3Toen zei Samuel: ‘Willen jullie de Heer weer gaan dienen? Doe dan alle beelden van afgoden weg. Ook het beeld van de godin Astarte. Vertrouw alleen op de Heer en dien geen andere goden. Dan zal de Heer jullie redden van de Filistijnen.’

4Dat deden de Israëlieten. Ze deden de beelden van de afgoden Baäl en Astarte weg. En ze dienden alleen nog maar de Heer.

De Israëlieten moeten naar Mispa gaan

5Daarna zei Samuel tegen de Israëlieten: ‘Jullie moeten allemaal naar de stad Mispa komen, dan zal ik voor jullie bidden tot de Heer.’

6Toen kwam iedereen naar die stad. Daar schepten ze water uit een put, en ze goten het op de grond. Ook wilden ze die dag niet eten en drinken. Dat deden ze omdat ze spijt hadden van hun gedrag. Ze zeiden: ‘We hebben dingen gedaan die de Heer niet wil.’

Vanaf die dag was Samuel de leider van het volk van Israël.

Samuel vraagt de Heer om hulp

7De Filistijnen kregen het bericht dat alle Israëlieten in Mispa waren. Ze maakten zich klaar voor een oorlog tegen Israël. De Israëlieten hoorden dat en ze werden bang. 8Ze riepen tegen Samuel: ‘Doe iets! Vraag of de Heer, onze God, ons helpt. Vraag of hij ons redt van de Filistijnen!’

9Toen koos Samuel een lammetje uit en slachtte dat. Hij offerde het helemaal aan de Heer. Hij vroeg de Heer om hulp voor Israël. En de Heer luisterde naar hem.

De Filistijnen verliezen de strijd

10Samuel was nog bezig met het offer, toen de Filistijnen aanvielen. Maar de Heer zorgde voor een verschrikkelijk onweer. De Filistijnen werden doodsbang en durfden de Israëlieten niet meer aan te vallen.

11De Israëlieten kwamen de stad uit en gingen achter de Filistijnen aan. Ze jaagden hen terug tot aan Bet-Kar. 12Na de strijd zette Samuel een grote steen neer tussen de steden Mispa en Sen. Hij noemde die steen Eben-Haëzer en zei: ‘Hier heeft de Heer ons geholpen.’

13De Filistijnen waren door de Israëlieten verslagen. Tijdens het leven van Samuel durfden ze niet meer in het gebied van Israël te komen. Daar zorgde de Heer voor. 14De steden die de Filistijnen veroverd hadden, moesten ze teruggeven aan Israël. Vanaf de stad Ekron tot aan de stad Gat werd alles aan Israël teruggegeven.

Toen was er vrede, ook tussen Israël en de Amorieten.

Samuel is de leider van Israël

15Samuel was de rest van zijn leven de leider van Israël. 16Elk jaar maakte hij een reis langs de steden Betel, Gilgal en Mispa. In al die plaatsen gaf hij regels aan het volk. 17Na zijn reis kwam hij altijd terug in Rama. Daar stond zijn huis. En vanuit die stad bestuurde hij het land. Hij maakte daar ook een altaar voor de Heer.

8

Een koning voor Israël

De Israëlieten vragen om een koning

81-2Samuel had twee zonen. De oudste heette Joël en de jongste heette Abia. Ze woonden in Berseba. Toen Samuel oud geworden was, maakte hij zijn zonen leiders van Israël. 3Maar ze leefden niet zoals hun vader. Ze dachten alleen aan zichzelf, en ze lieten zich omkopen om oneerlijk recht te spreken.

4Daarom gingen de belangrijkste mannen van het volk naar Samuel in Rama. 5Ze zeiden tegen hem: ‘Samuel, u bent oud geworden, en uw zonen leven niet zoals u. Dus we willen dat u voor ons een koning uitkiest. Die koning kan dan over ons regeren. Zo gaat dat ook bij andere volken.’

Samuel moet doen wat het volk wil

6Samuel vond het niet goed dat het volk om een koning vroeg. Daarom ging hij bidden tot de Heer.

7Maar de Heer zei tegen Samuel: ‘Je moet alles doen wat het volk gevraagd heeft. Want ze verzetten zich niet tegen jou, maar tegen mij. Ze willen niet dat ik hun koning ben. 8Dat is altijd al zo geweest. Vanaf de dag dat ik hen uit Egypte bevrijd heb tot nu toe. Ze hebben mij steeds weer verlaten om andere goden te dienen. En nu verlaten ze jou ook. 9Doe dus maar wat ze gevraagd hebben. Maar je moet ze wel waarschuwen. Vertel ze welke rechten een machtige koning heeft.’

Samuel waarschuwt de Israëlieten

10Toen ging Samuel naar de mensen toe die een koning wilden hebben. Hij vertelde hun alles wat de Heer gezegd had. 11Hij waarschuwde hen voor de rechten die een koning heeft.

Samuel zei: ‘Een koning zal jullie zonen dwingen om soldaat te worden. Hij zal sommigen van hen dwingen om op strijdwagens of paarden te rijden. Anderen moeten de koning beschermen. 12Sommigen zal hij dwingen om leiding te geven aan veel soldaten. Anderen zal hij dwingen om wapens en strijdwagens voor hem te maken. Weer anderen moeten op zijn land werken en zijn koren maaien.

13De koning zal jullie dochters dwingen om voor hem te werken. Zij moeten koken en bakken, en zalf voor hem maken.’

Een koning heeft nog meer rechten

14Samuel ging verder: ‘Een koning zal jullie beste akkers, wijngaarden en olijftuinen afpakken. Hij zal die allemaal aan zijn dienaren geven. 15Jullie moeten een tiende deel van de oogst van het land en de wijngaarden aan de koning geven. Dat zal hij aan zijn belangrijke ambtenaren en andere dienaren geven.

16Jullie beste slaven, slavinnen en arbeiders zal hij zelf in dienst nemen. En jullie ezels zal hij voor zichzelf laten werken. 17En hij zal een tiende deel van al jullie schapen en geiten willen hebben.

Dat betekent dus dat jullie zelf ook slaven worden van die koning. 18En dan zullen jullie de Heer om hulp vragen. Jullie zullen hem vragen of hij jullie wil redden van die koning. Maar jullie hebben zelf zo’n koning gewild. En daarom zal de Heer jullie niet helpen.’

De Israëlieten willen toch een koning

19Het volk wilde niet naar Samuel luisteren. De mensen zeiden: ‘En toch willen we een koning hebben! 20Want we willen net zo zijn als de andere volken. Wij willen ook een koning hebben die over ons regeert en die onze leider is in een oorlog.’

21Samuel hoorde alles wat het volk zei. En daarna vertelde hij dat allemaal aan de Heer. 22Toen zei de Heer tegen Samuel: ‘Doe wat het volk vraagt: maak iemand koning.’

Samuel zei tegen de Israëlieten dat ze allemaal naar huis moesten gaan.

9

De Heer kiest Saul als koning

De familie van Saul

91In het gebied Benjamin woonde een man die Kis heette. Hij was een zoon van Abiël en een kleinzoon van Seror. Seror was een zoon van Bechorat, en dat was een zoon van Afiach. Ze hoorden allemaal bij de stam Benjamin.

Kis was een rijke man. 2Hij had een zoon die Saul heette. Saul was veel langer dan de andere Israëlieten. Hij was knap om te zien, er was in heel Israël niemand zo knap als hij.

De ezels van Kis zijn weggelopen

3Op een dag waren de ezels van Kis weggelopen. Kis zei tegen zijn zoon Saul: ‘Ga met één van de knechten op zoek naar de ezels.’

4Toen reisde Saul met de knecht door het bergland van Efraïm. Ze zochten in het gebied Salisa. Maar ze vonden de ezels niet. En ze zochten in het gebied Saälim. Maar ze vonden de ezels niet. Ze zochten in het hele gebied Benjamin, maar nergens konden ze de ezels vinden.

De knecht wil Samuel om hulp vragen

5Op het laatst kwamen Saul en de knecht in het gebied Suf. Toen zei Saul: ‘Laten we maar naar huis gaan. Anders gaat mijn vader zich nog meer zorgen maken. Niet over de ezels, maar over ons.’ 6Maar de knecht zei: ‘We zijn vlak bij een stad waar een profeet van God woont. Iedereen heeft respect voor die man. Wat hij zegt, gebeurt ook echt. Laten we naar hem toe gaan. Misschien kan hij ons vertellen waar we moeten zoeken.’

7‘Ja, maar wacht even,’ zei Saul. ‘Wat voor geschenk kunnen we hem dan geven? Al ons eten is op, dus dat kunnen we hem niet geven. En verder hebben we niets bij ons.’ 8Toen zei de knecht: ‘Kijk, ik heb hier nog een zilverstuk. Dat zal ik aan de profeet geven. Dan zal hij ons wel vertellen waar we moeten zoeken.’ 9-11‘Dat is een goed plan,’ zei Saul. ‘Laten we gaan.’

Vroeger noemden de mensen in Israël een profeet anders. Ze noemden hem een ziener. Als ze God om raad wilden vragen, zeiden ze dus: ‘Laten we naar de ziener gaan.’

Saul en de knecht gaan naar Samuel

Saul en de knecht gingen naar de stad waar de profeet woonde. Die stad lag op een heuvel. Onderweg kwamen ze een paar meisjes tegen die water gingen halen. Ze vroegen aan de meisjes: ‘Is de profeet in de stad?’

12‘Ja,’ zeiden de meisjes. ‘Hij is vandaag gekomen voor een offerfeest net buiten de stad. Dus als jullie hem willen zien, moeten jullie opschieten. 13Ga snel naar de stad, voordat hij weg is. Want de gasten voor het offerfeest wachten op hem. Iedereen wacht met eten, want de profeet moet het offer eerst zegenen. Maar hij is nu nog niet weg. Dus als jullie vlug zijn, vinden jullie hem wel.’

14Saul en de knecht liepen door naar de stad. Toen ze daar aankwamen, ging Samuel net de stad uit. Hij was op weg naar het offerfeest.

De Heer had Samuel over Saul verteld

15Een dag eerder had de Heer al tegen Samuel gezegd dat Saul zou komen. 16De Heer had gezegd: ‘Morgen om deze tijd stuur ik een man naar je toe. Hij komt uit het gebied Benjamin. Hij wordt de koning van mijn volk Israël. Als teken daarvan moet jij olie over zijn hoofd gieten. Hij zal mijn volk redden van de Filistijnen. Want ik heb gehoord dat mijn volk om hulp geroepen heeft.’

17Zodra Samuel zag dat Saul eraan kwam, zei de Heer: ‘Dat is de man waarover ik je verteld heb. Hij zal de koning van mijn volk zijn.’

Samuel wil dat Saul met hem meegaat

18Saul liep bij de stadspoort naar Samuel toe en vroeg: ‘Kunt u mij vertellen waar het huis van de profeet is?’ 19Samuel zei: ‘Ik ben de profeet. Ga met mij mee naar het offerfeest. Vandaag zijn jullie mijn gasten en mogen jullie met mij mee-eten. Dan zal ik morgen antwoord geven op jullie vragen. Daarna kunnen jullie naar huis gaan. 20En over de ezels hoeven jullie je geen zorgen te maken. Die waren drie dagen zoek, maar nu zijn ze gevonden. Maar weet je dat heel Israël op zoek is naar jou en je familie?’

21Saul zei verbaasd: ‘Waarom zegt u dat? Ik kom uit de stam Benjamin, dat is een onbelangrijke stam van Israël. En mijn familie is ook niet belangrijk.’

Saul eet met Samuel van het offer

22Samuel nam Saul en de knecht mee naar het offerfeest. Er waren daar ongeveer dertig gasten. Saul en de knecht kregen een belangrijke plaats aan tafel.

23-24Samuel zei tegen de man die het offer klaarmaakte: ‘Breng nu het stuk vlees dat je apart moest houden.’ De man zette het stuk vlees voor Saul neer. Samuel zei tegen Saul: ‘Ik heb iedereen uitgenodigd voor dit offerfeest. En ik heb dit stuk vlees speciaal voor jou laten bewaren. Neem het nu maar en eet het op.’ Toen at Saul samen met Samuel.

25Daarna gingen ze terug naar de stad. En Samuel had op het platte dak van zijn huis nog een gesprek met Saul.

Samuel maakt Saul koning

26De volgende ochtend riep Samuel Saul. Het was nog vroeg, de zon kwam net op. Saul was nog op het dak, en Samuel zei: ‘Saul, sta op en ga naar huis. Ik loop nog een stukje met je mee.’ En ze gingen op weg.

27Toen ze de stad uit liepen, zei Samuel tegen Saul: ‘Zeg tegen je knecht dat hij maar vast vooruit moet gaan. Maar blijf jij nog even hier. Dan zal ik je vertellen wat God gezegd heeft.’ En de knecht ging alvast vooruit.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]