Bijbel in Gewone Taal (BGT)
6

De Filistijnen willen de heilige kist terugsturen

61De heilige kist van de Heer was al zeven maanden bij de Filistijnen. 2De Filistijnen lieten priesters en wijze mannen komen. Ze vroegen hun wat ze met de kist moesten doen. Ze zeiden: ‘Hoe moeten we die kist terugsturen naar Israël?’

3De priesters en de wijze mannen antwoordden: ‘Stuur de heilige kist van Israëls God terug met geschenken. Zo kunnen jullie de verovering van de kist goedmaken. Dan zullen jullie beter worden. En dan zullen jullie ook te weten komen waarom God jullie gestraft heeft.’

De Filistijnen geven geschenken

4-5De Filistijnen vroegen: ‘Welke geschenken moeten we meesturen?’ De priesters en de wijze mannen zeiden: ‘Maak gouden beeldjes die lijken op jullie bulten. En maak ook gouden beeldjes van de muizen die alles in het land kapotmaken.

Er zijn in ons land vijf stadsbestuurders. Zij hebben allemaal dezelfde ramp meegemaakt. Maak daarom voor elke bestuurder één beeldje van een bult en één beeldje van een muis. Misschien helpen die beeldjes om een eind te maken aan de boosheid van Israëls God. Misschien komt er dan een einde aan Gods straf voor jullie, jullie goden en jullie land.

6Het heeft geen zin om je tegen God te verzetten. Dat hebben de Egyptenaren en hun farao vroeger wel gedaan. Maar God heeft hen zo streng gestraft, dat zij de Israëlieten toch vrij moesten laten.

De Filistijnen maken een wagen

7Jullie moeten een nieuwe wagen maken. Dan moeten jullie twee koeien uitkiezen die jonge kalfjes hebben. Het moeten koeien zijn die nooit eerder een wagen getrokken hebben. Die moeten jullie voor de wagen zetten. Maar de kalfjes moet je terugbrengen naar de stal.

8Dan moeten jullie de heilige kist van de Heer op de wagen zetten. Zet er een tas naast, en doe daar de gouden beeldjes in. Zo maken jullie de verovering van de kist weer goed.

Dan moeten jullie de koeien met de wagen loslaten. 9Kijk of de koeien direct naar Israël lopen, in de richting van Bet-Semes. Als dat gebeurt, dan weten jullie dat het Israëls God is die ons zo streng gestraft heeft. Als dat niet gebeurt, dan was hij het niet. Dan was het allemaal toeval.’

De Filistijnen sturen de heilige kist terug

10De Filistijnen deden alles wat de priesters en de wijze mannen gezegd hadden. Ze kozen twee koeien uit die jonge kalfjes hadden. Ze zetten de koeien voor de wagen, maar de kalfjes sloten ze op in de stal. 11Daarna zetten ze de heilige kist van de Heer op de wagen. Naast de kist zetten ze de tas met de gouden beeldjes van de muizen en de bulten.

12Toen liepen de koeien weg. Ze liepen direct naar de stad Bet-Semes. Ze loeiden wel, maar ze gingen nergens van de weg af. De Filistijnse stadsbestuurders liepen achter de koeien aan. Ze liepen mee tot aan de grens van Bet-Semes.

De heilige kist is terug in Israël

13De inwoners van Bet-Semes waren in het dal aan het werk. Terwijl ze het koren maaiden, zagen ze plotseling de heilige kist aankomen. Ze werden erg blij toen ze die zagen.

14-15De wagen met de kist stond stil op het land van Josua. Er kwamen Levieten om de kist van de wagen af te halen. Ze pakten ook de tas met de gouden beeldjes. En ze zetten die samen met de kist op een grote steen die daar lag.

Daarna hakten de inwoners van de stad de wagen in stukken. Van het hout maakten ze een vuur. Ze slachtten de koeien en offerden die aan de Heer. Ze brachten op die dag veel offers aan de Heer, om hem te danken.

16De vijf Filistijnse bestuurders hadden alles gezien. Ze gingen meteen terug naar de stad Ekron.

17De Filistijnen hadden de verovering van de heilige kist weer goedgemaakt. Ze hadden aan de Heer gouden beeldjes van bulten gegeven. Voor elke grote stad van de Filistijnen gaven ze één beeldje. Eén voor Asdod, één voor Gaza, één voor Askelon, één voor Gat en één voor Ekron.

18De Filistijnen hadden ook gouden beeldjes van muizen gegeven. Dat waren er net zo veel als er steden en dorpen waren. Alle steden en dorpen van de Filistijnse bestuurders werden meegerekend. Niet alleen de grote steden, maar ook de kleine dorpen.

Op de akker van Josua uit Bet-Semes ligt nog steeds een grote steen. Op die steen heeft de heilige kist van de Heer gestaan.

De Heer straft Bet-Semes

19Maar de Heer strafte de inwoners van Bet-Semes. Want zij hadden in de heilige kist van de Heer gekeken. Zeventig mensen werden gedood. Iedereen had verdriet, omdat de Heer hen zo streng gestraft had. 20Ze zeiden: ‘Wie kan er dicht bij de Heer komen en in leven blijven? De Heer is een heilige God. Die kist moet hier weg. Waar kunnen we hem naartoe brengen?’

21Ze stuurden iemand naar de stad Kirjat-Jearim om daar te zeggen: ‘De Filistijnen hebben de heilige kist van de Heer teruggebracht. Haal hem bij ons weg!’

7

71Toen kwamen er een paar mensen uit die stad. Zij haalden de kist op en brachten hem naar het huis van Abinadab. Zijn huis stond op een heuvel. Zijn zoon Elazar werd speciaal uitgekozen om op de heilige kist te passen.

De Israëlieten hebben spijt

2De heilige kist bleef twintig jaar in Kirjat-Jearim staan. De Israëlieten begonnen de Heer in die tijd steeds vaker om hulp te vragen.

3Toen zei Samuel: ‘Willen jullie de Heer weer gaan dienen? Doe dan alle beelden van afgoden weg. Ook het beeld van de godin Astarte. Vertrouw alleen op de Heer en dien geen andere goden. Dan zal de Heer jullie redden van de Filistijnen.’

4Dat deden de Israëlieten. Ze deden de beelden van de afgoden Baäl en Astarte weg. En ze dienden alleen nog maar de Heer.

De Israëlieten moeten naar Mispa gaan

5Daarna zei Samuel tegen de Israëlieten: ‘Jullie moeten allemaal naar de stad Mispa komen, dan zal ik voor jullie bidden tot de Heer.’

6Toen kwam iedereen naar die stad. Daar schepten ze water uit een put, en ze goten het op de grond. Ook wilden ze die dag niet eten en drinken. Dat deden ze omdat ze spijt hadden van hun gedrag. Ze zeiden: ‘We hebben dingen gedaan die de Heer niet wil.’

Vanaf die dag was Samuel de leider van het volk van Israël.

Samuel vraagt de Heer om hulp

7De Filistijnen kregen het bericht dat alle Israëlieten in Mispa waren. Ze maakten zich klaar voor een oorlog tegen Israël. De Israëlieten hoorden dat en ze werden bang. 8Ze riepen tegen Samuel: ‘Doe iets! Vraag of de Heer, onze God, ons helpt. Vraag of hij ons redt van de Filistijnen!’

9Toen koos Samuel een lammetje uit en slachtte dat. Hij offerde het helemaal aan de Heer. Hij vroeg de Heer om hulp voor Israël. En de Heer luisterde naar hem.

De Filistijnen verliezen de strijd

10Samuel was nog bezig met het offer, toen de Filistijnen aanvielen. Maar de Heer zorgde voor een verschrikkelijk onweer. De Filistijnen werden doodsbang en durfden de Israëlieten niet meer aan te vallen.

11De Israëlieten kwamen de stad uit en gingen achter de Filistijnen aan. Ze jaagden hen terug tot aan Bet-Kar. 12Na de strijd zette Samuel een grote steen neer tussen de steden Mispa en Sen. Hij noemde die steen Eben-Haëzer en zei: ‘Hier heeft de Heer ons geholpen.’

13De Filistijnen waren door de Israëlieten verslagen. Tijdens het leven van Samuel durfden ze niet meer in het gebied van Israël te komen. Daar zorgde de Heer voor. 14De steden die de Filistijnen veroverd hadden, moesten ze teruggeven aan Israël. Vanaf de stad Ekron tot aan de stad Gat werd alles aan Israël teruggegeven.

Toen was er vrede, ook tussen Israël en de Amorieten.

Samuel is de leider van Israël

15Samuel was de rest van zijn leven de leider van Israël. 16Elk jaar maakte hij een reis langs de steden Betel, Gilgal en Mispa. In al die plaatsen gaf hij regels aan het volk. 17Na zijn reis kwam hij altijd terug in Rama. Daar stond zijn huis. En vanuit die stad bestuurde hij het land. Hij maakte daar ook een altaar voor de Heer.

8

Een koning voor Israël

De Israëlieten vragen om een koning

81-2Samuel had twee zonen. De oudste heette Joël en de jongste heette Abia. Ze woonden in Berseba. Toen Samuel oud geworden was, maakte hij zijn zonen leiders van Israël. 3Maar ze leefden niet zoals hun vader. Ze dachten alleen aan zichzelf, en ze lieten zich omkopen om oneerlijk recht te spreken.

4Daarom gingen de belangrijkste mannen van het volk naar Samuel in Rama. 5Ze zeiden tegen hem: ‘Samuel, u bent oud geworden, en uw zonen leven niet zoals u. Dus we willen dat u voor ons een koning uitkiest. Die koning kan dan over ons regeren. Zo gaat dat ook bij andere volken.’

Samuel moet doen wat het volk wil

6Samuel vond het niet goed dat het volk om een koning vroeg. Daarom ging hij bidden tot de Heer.

7Maar de Heer zei tegen Samuel: ‘Je moet alles doen wat het volk gevraagd heeft. Want ze verzetten zich niet tegen jou, maar tegen mij. Ze willen niet dat ik hun koning ben. 8Dat is altijd al zo geweest. Vanaf de dag dat ik hen uit Egypte bevrijd heb tot nu toe. Ze hebben mij steeds weer verlaten om andere goden te dienen. En nu verlaten ze jou ook. 9Doe dus maar wat ze gevraagd hebben. Maar je moet ze wel waarschuwen. Vertel ze welke rechten een machtige koning heeft.’

Samuel waarschuwt de Israëlieten

10Toen ging Samuel naar de mensen toe die een koning wilden hebben. Hij vertelde hun alles wat de Heer gezegd had. 11Hij waarschuwde hen voor de rechten die een koning heeft.

Samuel zei: ‘Een koning zal jullie zonen dwingen om soldaat te worden. Hij zal sommigen van hen dwingen om op strijdwagens of paarden te rijden. Anderen moeten de koning beschermen. 12Sommigen zal hij dwingen om leiding te geven aan veel soldaten. Anderen zal hij dwingen om wapens en strijdwagens voor hem te maken. Weer anderen moeten op zijn land werken en zijn koren maaien.

13De koning zal jullie dochters dwingen om voor hem te werken. Zij moeten koken en bakken, en zalf voor hem maken.’

Een koning heeft nog meer rechten

14Samuel ging verder: ‘Een koning zal jullie beste akkers, wijngaarden en olijftuinen afpakken. Hij zal die allemaal aan zijn dienaren geven. 15Jullie moeten een tiende deel van de oogst van het land en de wijngaarden aan de koning geven. Dat zal hij aan zijn belangrijke ambtenaren en andere dienaren geven.

16Jullie beste slaven, slavinnen en arbeiders zal hij zelf in dienst nemen. En jullie ezels zal hij voor zichzelf laten werken. 17En hij zal een tiende deel van al jullie schapen en geiten willen hebben.

Dat betekent dus dat jullie zelf ook slaven worden van die koning. 18En dan zullen jullie de Heer om hulp vragen. Jullie zullen hem vragen of hij jullie wil redden van die koning. Maar jullie hebben zelf zo’n koning gewild. En daarom zal de Heer jullie niet helpen.’

De Israëlieten willen toch een koning

19Het volk wilde niet naar Samuel luisteren. De mensen zeiden: ‘En toch willen we een koning hebben! 20Want we willen net zo zijn als de andere volken. Wij willen ook een koning hebben die over ons regeert en die onze leider is in een oorlog.’

21Samuel hoorde alles wat het volk zei. En daarna vertelde hij dat allemaal aan de Heer. 22Toen zei de Heer tegen Samuel: ‘Doe wat het volk vraagt: maak iemand koning.’

Samuel zei tegen de Israëlieten dat ze allemaal naar huis moesten gaan.