Bijbel in Gewone Taal (BGT)
3

Samuel wordt profeet

De Heer roept Samuel

31-2De jonge Samuel werkte voor de Heer. Hij hielp Eli, die bijna helemaal blind was. De Heer sprak in die tijd bijna nooit tegen iemand. En de mensen zagen hem ook niet in dromen.

Op een nacht sliep Eli in zijn kamer. 3-4Samuel sliep in de tempel, dicht bij de heilige kist van de Heer. Heel vroeg in de ochtend riep de Heer Samuel. ‘Ja?’ zei Samuel, 5en hij liep vlug naar Eli. Hij zei tegen Eli: ‘Hier ben ik. U hebt mij toch geroepen?’ Maar Eli zei: ‘Ik heb je niet geroepen. Ga maar weer slapen.’ En Samuel ging terug naar bed.

De Heer roept Samuel nog twee keer

6Toen riep de Heer Samuel nog een keer. En weer stond Samuel op en ging naar Eli. Hij zei tegen Eli: ‘Hier ben ik. U hebt mij toch geroepen?’ Maar Eli zei: ‘Nee, jongen, ik heb je niet geroepen. Ga maar weer slapen.’

7Samuel herkende de stem van de Heer nog niet. Want de Heer had nog nooit eerder tegen hem gesproken.

8Voor de derde keer riep de Heer Samuel. En weer stond Samuel op en ging naar Eli. En weer vroeg hij aan Eli wat er was. Toen begreep Eli dat Samuel steeds geroepen werd door de Heer. 9Daarom zei Eli: ‘Ga weer slapen. En als je geroepen wordt, zeg dan: ‘Spreek, Heer. Ik ben uw dienaar. Ik luister.’’ Samuel ging terug naar bed.

Samuel luistert naar de Heer

10Toen kwam de Heer naar Samuel toe. En net als de andere keren riep hij: ‘Samuel, Samuel!’ En Samuel zei: ‘Spreek, Heer. Ik ben uw dienaar. Ik luister.’

11De Heer zei: ‘Let goed op! Ik ga in Israël iets vreselijks doen. Iedereen die het hoort, zal ervan schrikken. 12Ik ga nu doen wat ik tegen Eli gezegd heb. 13Ik zal zijn familie straffen, omdat zijn zonen slechte dingen gedaan hebben. Dat heb ik hem verteld. Hij wist dat zijn zonen geen eerbied voor mij hadden. Maar hij heeft hen nooit gestraft. 14Daarom staat mijn besluit vast. Geen enkel offer kan hun slechte gedrag goedmaken.’

Eli vraagt wat de Heer gezegd heeft

15De volgende ochtend stond Samuel op. Hij zette de deuren van de tempel open. Hij was bang om aan Eli te vertellen wat de Heer gezegd had.

16Maar Eli riep Samuel bij zich, 17en hij vroeg: ‘Wat heeft de Heer tegen je gezegd? Je moet me alles vertellen. Je mag niets voor me verbergen. Denk erom dat God je zal straffen als je ook maar één ding niet vertelt.’

18Toen vertelde Samuel alles. Hij verborg niets voor Eli. En Eli zei tegen Samuel: ‘God is de Heer. Hij zal doen wat hij het beste vindt.’

De Heer helpt Samuel

19Samuel groeide op en de Heer hielp hem. De Heer liet alles gebeuren wat Samuel zei. 20In heel Israël, van noord tot zuid, wist iedereen dat Samuel de profeet van de Heer was. 21In de jaren daarna was de Heer veel vaker in Silo. Hij sprak dan met Samuel.

4

41En Samuel vertelde alles aan het hele volk van Israël.

Oorlog tussen Israël en de Filistijnen

De Israëlieten beginnen een oorlog

Op een dag begonnen de Israëlieten een oorlog tegen de Filistijnen. Het leger van Israël maakte een kamp bij de stad Eben-Haëzer. En de Filistijnen maakten een kamp bij de stad Afek. 2Ze maakten zich allebei klaar voor de strijd. Er begon een hevig gevecht. De Filistijnen wonnen de strijd tegen de Israëlieten. Vierduizend soldaten van Israël werden gedood.

3Toen de rest van het leger teruggekomen was in het kamp, zeiden de leiders van Israël: ‘Hoe komt het toch dat de Heer de Filistijnen vandaag heeft laten winnen? We moeten de heilige kist van de Heer ophalen uit Silo. Want die kist is het teken dat de Heer ons helpt. Als de heilige kist bij ons is, zal de Heer ons redden van onze vijanden.’

De Israëlieten halen de heilige kist

4Het leger van Israël stuurde een paar soldaten naar de stad Silo. Zij haalden de heilige kist op. Dat was de troon van de machtige Heer, de troon met de twee engelen met vleugels.

Chofni en Pinechas, de zonen van Eli, kwamen ook met de heilige kist mee. 5Toen de kist het legerkamp binnengebracht werd, begonnen alle Israëlieten hard te juichen en te schreeuwen. Ze maakten zo veel lawaai dat de aarde ervan schudde.

De Filistijnen worden bang

6De Filistijnen hoorden de Israëlieten juichen. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Wat is dat voor lawaai bij de Israëlieten?’

Toen begrepen ze dat de Israëlieten de heilige kist van de Heer opgehaald hadden. 7-8En ze werden bang. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Ze hebben hun God opgehaald. Zoiets is nog nooit eerder gebeurd. Nu zal het slecht met ons aflopen! Want wie zal ons redden van die machtige God? Het is dezelfde God die voor zo veel rampen zorgde in de woestijn van Egypte.

9Kom op, we moeten laten zien wat we kunnen. Anders worden we slaven van die Israëlieten. Net zoals zij slaven van ons geweest zijn. We moeten laten zien wat we kunnen. Laten we vechten! Verlies de moed niet!’

De Filistijnen winnen de strijd

10Het gevecht begon, en de Filistijnen versloegen de Israëlieten. Alle Israëlieten vluchtten naar hun eigen kamp. Het verlies voor Israël was groot. Er werden 30.000 soldaten gedood.

11Ook Chofni en Pinechas, de zonen van Eli, stierven. En de Filistijnen veroverden de heilige kist van de Heer.

Eli wacht op nieuws

12Iemand uit de stam Benjamin ontsnapte uit de strijd. Hij rende naar de stad Silo. Hij had zijn kleren gescheurd en zand over zijn hoofd gegooid als teken van rouw. 13-15De man rende de stad in om het slechte nieuws te vertellen. Iedereen in Silo begon hard te schreeuwen en te huilen.

Toen dat gebeurde, zat Eli aan de kant van de weg op een stoel. Hij was bang dat er iets met de heilige kist van de Heer gebeurd was. Daarom zat hij te wachten op nieuws. Eli was al 98 jaar oud, en hij was blind.

Eli sterft

Eli hoorde het geschreeuw uit de stad en hij vroeg: ‘Wat is dat voor lawaai?’ De man kwam snel naar Eli toe om hem het slechte nieuws te vertellen. 16Hij zei: ‘Ik ben een soldaat uit het leger van Israël. Ik ben vandaag gevlucht.’

Eli vroeg: ‘Wat is er gebeurd?’ 17De man zei: ‘De Israëlieten zijn gevlucht voor de Filistijnen. Er zijn heel veel soldaten gedood. Ook uw twee zonen, Chofni en Pinechas, zijn gestorven. En de heilige kist van de Heer is veroverd door de Filistijnen.’

18Toen de man vertelde over de kist, viel Eli achterover van zijn stoel. Omdat hij oud en zwaar was, brak hij zijn nek en stierf.

Eli was veertig jaar leider geweest van Israël.

De vrouw van Pinechas krijgt een kind

19De vrouw van Pinechas was zwanger. Binnenkort zou haar kind geboren worden. Maar ze zakte in elkaar toen ze hoorde over de verovering van de heilige kist, en over de dood van haar man en haar schoonvader. De weeën begonnen meteen en haar kind werd geboren. 20De bevalling was zo zwaar dat ze ging sterven.

De vrouwen die bij haar waren, probeerden haar nog gerust te stellen. Ze zeiden: ‘Je hoeft niet bang te zijn, want je hebt een zoon gekregen.’ Maar de vrouw van Pinechas zei helemaal niets. Ze deed net alsof de vrouwen er niet waren.

21Ze gaf haar zoon nog wel een naam. Ze noemde hem Ichabod en zei: ‘De eer van God is uit Israël verdwenen.’ Dat zei ze om alles wat er gebeurd was met de heilige kist, met haar man en met haar schoonvader. 22Ze zei: ‘Alle eer is uit Israël verdwenen, omdat de heilige kist van de Heer veroverd is door de Filistijnen.’

5

De Filistijnen nemen de heilige kist mee

51De Filistijnen hadden de heilige kist van de Heer veroverd bij de stad Eben-Haëzer. Na de strijd brachten ze de kist naar de stad Asdod. 2Ze gingen naar de tempel van hun god Dagon. Daar zetten ze de kist neer voor het beeld van Dagon.

3De volgende dag stonden de mensen in Asdod vroeg op. Toen zagen ze dat het beeld van hun god gevallen was. Het lag voor de heilige kist van de Heer. De mensen pakten het beeld op, en ze zetten het weer terug op zijn plaats.

4Maar de volgende ochtend zagen ze het beeld weer liggen. Het lag weer voor de heilige kist van de Heer. Nu waren het hoofd en de twee handen eraf. Die lagen in stukken op de drempel. Alleen het lijf was nog heel.

5Daarom durfde niemand meer op de drempel van Dagons tempel te gaan staan. Zelfs nu nog stappen de priesters over die drempel heen. En dat doen ook alle andere mensen die naar de tempel in Asdod komen.

De Heer straft Asdod

6De Heer strafte de inwoners van Asdod streng. Hij zorgde ervoor dat ze in paniek raakten, en last kregen van pijnlijke bulten. Dat gebeurde ook in het hele gebied rond de stad. 7Toen de mensen dat zagen, zeiden ze: ‘De heilige kist van Israëls God moet hier weg. Want de God van Israël straft ons en onze god Dagon streng.’

8Ze lieten de bestuurders van de andere Filistijnse steden naar Asdod komen. En ze vroegen hun: ‘Wat moeten we doen met die kist van Israëls God?’ De bestuurders zeiden: ‘Stuur de kist naar de stad Gat.’ Dat deden de inwoners van Asdod.

De Heer straft Gat en Ekron

9De inwoners van Asdod stuurden de heilige kist naar de stad Gat. Maar God strafte ook de mensen in die stad. Iedereen werd doodsbang. God strafte alle jonge en oude mensen. Ze kregen allemaal last van pijnlijke bulten. 10Daarom stuurden de inwoners van Gat de kist naar de stad Ekron. Maar toen de kist daar aankwam, begonnen de mensen hard te schreeuwen: ‘Ze brengen de heilige kist van Israëls God hier om ons allemaal te doden!’

11Ook de inwoners van Ekron lieten de bestuurders van de Filistijnse steden komen. Ze wilden dat de kist teruggestuurd werd naar de Israëlieten. Ze waren bang dat anders iedereen gedood zou worden. Iedereen in Ekron was doodsbang, want God strafte ook daar de mensen streng. 12De mensen die niet stierven, hadden vreselijke last van de bulten. Iedereen smeekte zijn goden om hulp.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]