Bijbel in Gewone Taal (BGT)
24

241David ging weg van die plaats en verstopte zich in de grotten van Engedi.

David kan Saul doden

2Saul kwam terug nadat hij gevochten had tegen de Filistijnen. Toen kreeg hij het bericht dat David in de woestijn van Engedi was. 3Saul nam de drieduizend beste soldaten uit het leger van Israël mee. Samen met hen ging hij David en zijn soldaten zoeken. Ze zochten tussen de rotsen, in het gebied waar de berggeiten leven.

4Saul kwam langs een grot waar een muurtje voor stond. Hij ging er naar binnen om zijn behoefte te doen. Maar in die grot, helemaal achterin, zaten ook David en zijn soldaten. 5Davids soldaten fluisterden: ‘Dit is uw kans! De Heer heeft u machtiger gemaakt dan uw vijand. U kunt nu met hem doen wat u wilt!’

Toen stond David op en sneed voorzichtig een stuk van Sauls mantel af. 6Zijn hart bonsde hevig. 7David zei tegen de soldaten: ‘Ik bid dat de Heer mij zal helpen om Saul nooit kwaad te doen. Want Saul is koning omdat de Heer hem uitgekozen heeft.’ 8Met die woorden probeerde David zijn soldaten rustig te maken. Hij verbood hun om Saul aan te vallen.

David wil Saul geen kwaad doen

Intussen was Saul opgestaan. Hij ging de grot uit en liep weg. 9Toen ging David ook de grot uit en riep: ‘Koning!’ Saul keek om, en David knielde en maakte een diepe buiging. 10Hij zei: ‘Waarom luistert u naar mensen die zeggen dat ik u kwaad wil doen? 11De Heer gaf mij vandaag de kans om u te doden. Dat kunt u zelf zien, want u was in dezelfde grot als ik. En mijn soldaten zeiden tegen mij dat ik u moest vermoorden. Maar ik wilde u geen kwaad doen, want de Heer heeft u uitgekozen om koning te zijn.

12Kijk, ik heb een stuk van uw mantel afgesneden. Maar ik had u ook kunnen doden. En dat heb ik niet gedaan. Ik wil u dus helemaal geen kwaad doen. Ik heb u nooit kwaad gedaan. Maar u probeert wel steeds om mij te doden. 13Laat de Heer maar beslissen wie van ons gelijk heeft. Ik hoop dat de Heer u straft, maar ikzelf zal u nooit kwaad doen. 14Er is een oud spreekwoord: ‘Slechte mensen doen slechte dingen.’ Maar ik zal u met geen vinger aanraken.

15U bent de koning van Israël! Waarom jaagt u dan op mij? Waarom achtervolgt u mij? Ik ben helemaal niet belangrijk. Ik ben nog minder waard dan een dode hond. 16De Heer zal beslissen wie van ons gelijk heeft. Hij zal mijn zaak onderzoeken, en hij zal mij verdedigen. Hij zal tegen u zeggen dat ik onschuldig ben.’

Saul heeft spijt

17Toen David niets meer zei, vroeg Saul: ‘Ben jij het echt, David?’ En Saul begon hard te huilen. 18Hij zei tegen David: ‘Jij bent een beter mens dan ik. Want jij hebt mij goed behandeld, terwijl ik jou slecht behandeld heb. 19Jij hebt vandaag laten zien dat je goed voor mij bent. De Heer gaf jou de kans om mij te doden, en toch heb je dat niet gedaan. 20Niemand laat zijn vijand zo rustig weggaan. De Heer zal jou belonen voor wat je vandaag voor mij gedaan hebt. 21Nu weet ik zeker dat jij koning van Israël zult worden. 22Beloof mij plechtig dat je mijn nakomelingen niet zult vermoorden. Dan zal niemand vergeten wie ik ben.’ 23Dat beloofde David plechtig.

Daarna ging Saul naar huis. En David en zijn soldaten gingen terug naar de bergen.

25

De ruzie met Nabal

De dood van Samuel

251In die tijd stierf Samuel. Alle Israëlieten rouwden over zijn dood. Ze kwamen bij elkaar om Samuel bij zijn huis in Rama te begraven.

David was intussen naar de woestijn van Paran gegaan.

Nabal is een rijke man

2-3In Maon woonde in die tijd een heel rijke man. Hij heette Nabal, en zijn vrouw heette Abigaïl. Zij was slim en mooi, maar Nabal was gemeen en slecht. Hij hoorde bij de familie van Kaleb. Hij had bij de stad Karmel drieduizend schapen en duizend geiten. Op een dag was hij daar, omdat zijn schapen geschoren werden.

4David was in de woestijn van Paran toen hij dat hoorde.

David vraagt Nabal om een beloning

5-6Toen stuurde David tien soldaten naar de stad Karmel met deze boodschap voor Nabal: ‘Ik hoop dat het goed gaat met u, uw familie en uw bezittingen. 7Ik heb gehoord dat uw herders bezig zijn de schapen te scheren. Die herders zijn steeds bij mij en mijn soldaten in de buurt geweest. Wij hebben hun geen kwaad gedaan. En niemand kon iets van hen stelen. 8Vraag het maar aan uw herders, dan zullen zij u vertellen dat het waar is. Ik vraag u om mijn soldaten net zo goed te behandelen. Geef mij en mijn soldaten op deze feestdag al het eten dat u kunt missen.’

9Toen Davids soldaten bij Nabal kwamen, vertelden ze hem alles wat David gezegd had. Daarna wachtten ze op Nabals antwoord.

Nabal wil niets aan David geven

10Maar Nabal zei tegen de soldaten van David: ‘Wat denkt die David eigenlijk? Denkt die zoon van Isaï dat hij belangrijk is? Hij is toch maar een knecht die weggelopen is bij zijn meester? Dat soort knechten zijn er tegenwoordig zo veel. 11Waarom zou ik mijn brood, water en vlees aan jullie geven? Het vlees heb ik klaargemaakt voor mijn herders. En dat geef ik niet zomaar weg!’

12Toen gingen de soldaten van David terug. Ze vertelden alles aan David. 13En David zei: ‘Pak je zwaard!’ Iedereen pakte zijn zwaard, ook David zelf. Daarna gingen er vierhonderd soldaten met David mee. Tweehonderd andere soldaten bleven achter bij de spullen.

Abigaïl hoort wat er gebeurd is

14Intussen was één van Nabals herders naar Abigaïl gegaan, de vrouw van Nabal. Hij vertelde haar over de soldaten van David. De herder zei: ‘David heeft soldaten gestuurd om Nabal te groeten. Maar Nabal heeft die soldaten beledigd, 15-16terwijl zij heel goed voor ons geweest zijn.

Toen wij op de schapen pasten, zijn wij steeds bij hen in de buurt gebleven. Zij hebben ons steeds beschermd, dag en nacht. Ze leken op een sterke muur die om ons heen stond. Al die tijd heeft niemand ons kwaad gedaan, en is er niets van ons gestolen.

17U moet iets doen, want het loopt slecht af met onze meester. En ook met zijn familie en iedereen die voor hem werkt. Nabal is slecht en eigenwijs, hij luistert niet naar anderen!’

Abigaïl gaat op weg naar David

18Toen verzamelde Abigaïl snel tweehonderd broden, twee zakken wijn en het vlees van vijf schapen. Ook nam ze vijf zakken geroosterd graan, honderd rozijnenkoeken en tweehonderd vijgenkoeken. Ze legde al die spullen op een paar ezels. 19Daarna zei ze tegen haar knechten: ‘Ga alvast op weg, dan kom ik achter jullie aan.’ Maar ze vertelde niets aan haar man Nabal.

20Abigaïl ging met haar ezel op weg door de bergen. Op dat moment kwam David met zijn soldaten van de andere kant. Omdat ze in de bergen waren, zagen ze elkaar eerst niet. Maar plotseling zag David Abigaïl aankomen.

21David had net nog gezegd: ‘Waarom heb ik het bezit van die Nabal in de woestijn eigenlijk bewaakt? Hij is helemaal niets kwijtgeraakt, maar als dank heeft hij mij kwaad gedaan. 22Voor de ochtend zal ik alle mannen die bij Nabal horen, doden! Anders mag God me straffen.’

Abigaïl spreekt tegen David

23Toen Abigaïl David zag, stapte ze zo snel mogelijk van haar ezel af. Ze knielde voor David 24-25en maakte een diepe buiging. Ze zei: ‘Het is allemaal mijn schuld, heer. Ik heb de soldaten die u gestuurd had, niet gesproken. Laat mij het allemaal uitleggen. Luister alstublieft naar mij, luister niet naar die Nabal. Hij is een waardeloze man zonder verstand.

26-29Zo zeker als de Heer leeft en zo zeker als u zelf leeft: de Heer heeft ervoor gezorgd dat u geen wraak genomen hebt, en niemand gedood hebt.

Ik heb geschenken meegenomen. Geef die alstublieft aan de soldaten die steeds bij u zijn. Vergeef het mij alstublieft als ik iets verkeerds gedaan heb. U vecht voor de Heer. Daarom zal er in uw familie altijd een koning zijn. Ik weet zeker dat de Heer daarvoor zal zorgen. Maar dan mag u nooit iets verkeerds doen. De Heer, uw God, zal u beschermen. Ook als iemand u achtervolgt of probeert te doden. Maar de Heer zal uw vijanden niet beschermen. Het zal slecht met hen aflopen. Net zoals het slecht zal aflopen met Nabal.

30De Heer zal alles doen wat hij aan u beloofd heeft. Hij zal u koning maken. 31Maar dan mag u niets doen waar u later spijt van krijgt. U mag niets verkeerds doen. U mag geen wraak nemen en geen onschuldige mensen doden.

Als de Heer er later voor zorgt dat het goed met u gaat, denk dan alstublieft ook aan mij.’

David geeft Abigaïl antwoord

32Toen zei David tegen Abigaïl: ‘Ik dank de Heer, de God van Israël. Want hij heeft jou vandaag naar mij toe gestuurd. 33Ik dank jou ook, want je hebt wijze woorden gesproken. Ik wilde vandaag wraak nemen en mensen doden, maar jij hebt me tegengehouden.

34Gelukkig heeft de God van Israël er vandaag voor gezorgd dat ik niets verkeerds gedaan heb. Anders had ik ook jou kwaad gedaan. Jij bent net op tijd naar mij toe gekomen. Dat is zo zeker als de Heer leeft! Want anders zouden morgenochtend Nabal en al zijn mannen gedood zijn.’

35Toen nam David de geschenken van Abigaïl aan. En hij zei tegen haar: ‘Ga nu rustig naar huis. Ik heb gehoord wat je vroeg, en ik zal doen wat je gezegd hebt.’

Nabal sterft

36Toen Abigaïl thuiskwam, zag ze dat Nabal een groot feest vierde. Het leek wel een koninklijk feest. Nabal was in een vrolijke stemming, want hij was dronken. Daarom vertelde Abigaïl hem die avond niets.

37De volgende ochtend was Nabal weer nuchter. Toen vertelde Abigaïl hem alles wat zij gedaan had. Terwijl zij aan het vertellen was, stond het hart van Nabal opeens stil, en hij kon zich niet meer bewegen. 38Tien dagen later maakte de Heer een einde aan het leven van Nabal.

David trouwt met Abigaïl

39Toen David hoorde dat Nabal gestorven was, zei hij: ‘Ik dank de Heer. Want hij heeft mij geholpen toen Nabal mij beledigde. De Heer heeft mij tegengehouden toen ik iets verkeerds wilde doen. En de Heer heeft ervoor gezorgd dat Nabal kreeg wat hij verdiende.’

Daarna stuurde David boodschappers naar Abigaïl. Want hij wilde dat zij met hem trouwde. 40De boodschappers kwamen in Karmel en zeiden tegen haar: ‘David heeft ons gestuurd. Hij wil dat u zijn vrouw wordt.’ 41Toen maakte Abigaïl een diepe buiging. Ze zei: ‘Ik wil zelfs wel Davids slavin worden en de voeten van zijn dienaren wassen.’

42Abigaïl maakte zich snel klaar. Ze nam vijf slavinnen met zich mee en reed op haar ezel achter de dienaren van David aan. Toen werd ze de vrouw van David.

43David had ook al een andere vrouw. Dat was Achinoam uit de stad Jizreël. Nu waren Abigaïl en Achinoam allebei met David getrouwd. 44Michal, de dochter van Saul, was eerst ook met David getrouwd. Maar Saul had haar later aan Palti gegeven. Palti was een zoon van Laïs uit Gallim.

26

David kan Saul doden

David wordt opnieuw verraden

261Intussen waren een paar inwoners van Zif naar Saul in Gibea gegaan. Ze zeiden: ‘David verstopt zich bij de heuvel van Chachila. Dat is in de buurt van de woestijn van Juda.’ 2Saul maakte zich meteen klaar om David daar te gaan zoeken. Hij nam drieduizend van zijn beste soldaten mee. 3Hij maakte een kamp op de heuvel van Chachila. Dat was vlak bij de weg naar de woestijn van Juda.

David was daar in de buurt toen hij hoorde dat Saul hem achtervolgde. 4David stuurde spionnen door het gebied, en die vertelden hem waar Saul was.

David gaat naar het kamp van Saul

5Toen ging David naar een plaats vlak bij het kamp van Saul. Hij kon de tent zien van Saul en zijn legerleider Abner, de zoon van Ner. Hun tent stond in het midden van het kamp. De tenten van de andere soldaten stonden eromheen.

6Er waren twee mannen met David meegekomen. Het waren de Hethiet Achimelech en Abisai, de broer van Joab. Abisai en Joab waren zonen van Seruja. David vroeg aan Abisai en Achimelech: ‘Wie gaat er met mij mee naar het kamp van Saul?’ Abisai zei: ‘Ik ga mee.’

David kan dicht bij Saul komen

7Die nacht gingen David en Abisai het kamp van Saul binnen. Saul lag te slapen tussen Abner en zijn soldaten. Zijn speer stond naast hem, vlak bij zijn hoofd.

8Toen zei Abisai tegen David: ‘God heeft ervoor gezorgd dat u vandaag uw vijand kunt doden! Laat mij Saul neersteken met zijn eigen speer. Ik hoef maar één keer te steken om hem te doden.’ 9Maar David zei: ‘Nee, je mag hem niet doden! Want de Heer heeft hem uitgekozen om koning te zijn. Als je hem doodt, dan zal de Heer je straffen. 10Dat is zo zeker als de Heer leeft!

Ik weet dat Saul zal sterven. De Heer zal daar zelf voor zorgen. Misschien sterft Saul als hij oud is. Of misschien sterft hij in een oorlog. 11Ik bid dat de Heer mij zal helpen om Saul geen kwaad te doen. Want Saul is koning omdat de Heer hem uitgekozen heeft. Pak daarom alleen zijn speer en zijn waterkruik, Abisai. Dan gaan we weg.’

12Toen pakten ze de speer en de waterkruik die naast het hoofd van Saul stonden. Daarna gingen ze weg. Niemand zag het. Niemand merkte het. Niemand werd wakker. Iedereen in het kamp bleef slapen. Daar zorgde de Heer voor.

Abner heeft Saul niet goed bewaakt

13David ging naar de andere kant van het dal. Daar ging hij op de top van een heuvel staan. Hij stond zo ver mogelijk bij het kamp van Saul vandaan. 14Hij schreeuwde naar de soldaten en naar Abner, de zoon van Ner: ‘Kun je me horen, Abner?’ En Abner riep: ‘Wie ben jij, en hoe durf je zo tegen de koning te schreeuwen?’

15-16David antwoordde: ‘Jij bent toch de belangrijkste soldaat in het leger van Israël? Waarom heb je de koning dan niet bewaakt? Jij hebt je werk niet goed gedaan, want iemand had de kans om de koning te doden. Je verdient de doodstraf! Zo zeker als de Heer leeft! Want je hebt de koning die de Heer zelf uitgekozen heeft, niet goed bewaakt. Kijk maar eens of je de speer en de waterkruik van Saul kunt vinden. Ze stonden naast zijn hoofd.’

David wil Saul geen kwaad doen

17Saul herkende de stem van David. Hij riep: ‘Ben jij het, David?’ David antwoordde: ‘Ja, ik ben het. 18Koning, waarom achtervolgt u mij toch steeds? Wat heb ik verkeerd gedaan?

19Koning, luister toch alstublieft naar mij. Wie heeft ervoor gezorgd dat u kwaad op mij bent? Is het de Heer? Breng dan alstublieft een offer om het weer goed te maken. Of zijn het mensen? Dan zal de Heer hen straffen. Want zij jagen mij weg uit het land van de Heer. Zo dwingen ze mij om andere goden te vereren. 20Dood mij hier alstublieft niet. Want ik ben op een plek waar de Heer niet vereerd wordt.

U bent de koning van Israël! Waarom achtervolgt u dan iemand die helemaal niet belangrijk is? Het lijkt wel alsof u in de bergen jaagt op een kleine vogel.’

Saul heeft spijt

21Toen zei Saul: ‘Ik heb iets verkeerds gedaan. Kom bij me terug, David. Ik zal je nooit meer kwaad doen. Want jij hebt mij vandaag niet gedood. Maar ik ben dom geweest en ik heb verschrikkelijke fouten gemaakt.’

22David zei: ‘Koning, ik heb hier uw speer. Stuur één van de soldaten om die op te halen. 23De Heer zal mijn eerlijkheid en trouw belonen. Want de Heer heeft ervoor gezorgd dat ik u vandaag kon doden. En toch heb ik u geen kwaad gedaan. Want u bent uitgekozen door de Heer. Hij heeft u koning gemaakt. 24Ik heb u vandaag beschermd. Zo zal de Heer mij ook beschermen en mij redden uit elk gevaar.’ 25Toen zei Saul: ‘Ik bid dat de Heer goed voor je zal zijn, David. Alles wat je doet, zal lukken.’

Daarna ging David weg, en Saul ging terug naar huis.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]