Bijbel in Gewone Taal (BGT)

Oorlog tegen de Filistijnen

Saul kiest een leger uit

131Saul was dertig jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde twee jaar over Israël.

2Saul vormde een leger van drieduizend mannen. De rest van het volk stuurde hij naar huis.

Daarna gingen er tweeduizend soldaten met Saul mee. Zij gingen naar de omgeving van Michmas en de bergen van Betel. De andere duizend soldaten gingen met Sauls zoon Jonatan mee. Zij gingen naar de stad Gibea in het gebied Benjamin.

Jonatan valt de Filistijnen aan

3Jonatan viel de Filistijnen aan die een kamp hadden bij de stad Gibea. En hij versloeg hen. De andere Filistijnen hoorden dat.

Toen stuurde Saul boodschappers naar de Israëlieten. Zij bliezen op de trompet en riepen: ‘Luister, Israëlieten! 4Saul heeft de Filistijnen bij Gibea verslagen. Nu zijn de Filistijnen heel erg kwaad op ons.’

Iedereen in Israël hoorde dat. En alle soldaten kregen de opdracht om met Saul mee te gaan naar de stad Gilgal.

De Filistijnen verzamelen zich

5Intussen maakten de Filistijnen zich klaar voor een oorlog tegen Israël. Ze verzamelden drieduizend strijdwagens en zesduizend paarden. En de soldaten waren ontelbaar, net zoals het zand bij de zee. Ze gingen naar de stad Michmas, in de buurt van de stad Bet-Awen.

6De Filistijnen kwamen steeds dichter bij het leger van Israël. En de Israëlieten merkten dat het gevaarlijk werd. Daarom verstopten de soldaten zich tussen de rotsen, in de bergen, in putten en in diepe gaten in de grond. 7Sommige soldaten gingen naar de andere kant van de rivier de Jordaan. Zij gingen naar de stad Gad of het gebied Gilead.

Saul brengt een offer

Intussen was Saul met een deel van het leger in Gilgal. Iedereen was doodsbang. 8Saul had afgesproken om daar te wachten op Samuel. Maar na zeven dagen was Samuel nog steeds niet gekomen. Eén voor één liepen de soldaten bij Saul weg.

9Toen besloot Saul om zelf een offer te brengen. Hij gaf opdracht om de offerdieren bij hem te brengen. En hij offerde de dieren zelf. 10Net toen hij klaar was, kwam Samuel. Saul liep naar hem toe en wilde hem groeten.

11Maar Samuel zei: ‘Wat heb je gedaan?’ Toen antwoordde Saul: ‘Ik merkte dat de soldaten één voor één wegliepen. En u kwam maar niet, ook al was dat wel de afspraak. Intussen zijn de Filistijnen al bij de stad Michmas. 12Ik dacht bij mezelf: Straks komen ze hierheen om tegen mij te vechten. En dan heb ik de Heer niet om hulp gevraagd.

Toen heb ik het maar gewaagd om zelf een offer te brengen.’

Samuel is boos op Saul

13Samuel zei tegen Saul: ‘Je bent verschrikkelijk dom geweest. Je had moeten doen wat de Heer, je God, gezegd heeft. Dan had hij ervoor gezorgd dat je voor altijd koning van Israël zou blijven. 14Maar nu zul je niet lang koning meer zijn. Want je hebt niet gedaan wat de Heer heeft gezegd. Daarom zal hij iemand zoeken die wel zijn wil doet. En de Heer zal hem koning maken van zijn volk.’

15Toen ging Samuel weg uit Gilgal. Hij ging naar de stad Gibea in het gebied Benjamin.

De Filistijnen vallen het land aan

Saul telde hoeveel soldaten er bij hem waren. Het waren er zeshonderd. 16Met dat leger waren Saul en zijn zoon Jonatan bij Gibea in het gebied Benjamin. En het leger van de Filistijnen was bij Michmas.

17Drie groepen Filistijnse soldaten deden steeds aanvallen in Israël. De eerste groep ging naar het noorden, in de richting van Ofra. Dat ligt in het gebied Sual. 18De tweede groep ging naar het westen, in de richting van Bet-Choron. En de derde groep ging naar het oosten, in de richting van de grens. Zij gingen naar het gebied waar je over het Hyena-dal heen de woestijn kunt zien.

De Israëlieten hebben geen wapens

19Er was in die tijd niemand in Israël die ijzer kon bewerken. Daar hadden de Filistijnen voor gezorgd. Ze dachten: We willen niet dat de Israëlieten wapens van ijzer gaan maken. 20De Israëlieten moesten dus altijd naar de Filistijnen gaan om hun gereedschap scherp te laten maken. 21En de Filistijnen vroegen daar veel geld voor.

22Toen begon de oorlog. Maar niemand in het leger van Saul en Jonatan had een zwaard of een speer. Behalve Saul en zijn zoon Jonatan.

Het kamp van Saul

23Een deel van het Filistijnse leger ging naar het dal tussen de bergen bij de stad Michmas.