Bijbel in Gewone Taal (BGT)
7

De bouw van het paleis

De bouw van het paleis begint

71Daarna bouwde Salomo een paleis voor zichzelf. Hij deed er dertien jaar over om het paleis helemaal af te maken.

2-3Eerst bouwde hij een grote hal. Die heette het Bos van de Libanon. Het Bos van de Libanon was 50 meter lang, 25 meter breed en 15 meter hoog.

In deze hal stonden vier rijen zuilen van cederhout. Op die zuilen lagen balken van cederhout. En over de balken heen lagen 45 dwarsbalken van cederhout. Die balken vormden samen het dak.

4In de muren van de hal zaten links en rechts drie rijen vensters boven elkaar. Tussen de vensters zat steeds een afstand van drie stappen.

5Ook tussen de deuren zat steeds een afstand van drie stappen. De deuren waren rechthoekig.

De zuilenhal en de troonzaal

6Salomo liet ook een kleinere hal met zuilen maken. Deze zuilenhal was 25 meter lang en 15 meter breed. Hij lag voor het Bos van de Libanon. Tussen de zuilenhal en het Bos van de Libanon stond een hek.

7Verder liet Salomo een zaal maken waar hij kon rechtspreken: de troonzaal. Het hele plafond van die zaal was gemaakt van cederhout.

Woningen voor Salomo en zijn vrouw

8Achter de troonzaal, aan een ander plein, was de woning van Salomo. Die was op dezelfde manier gebouwd als de troonzaal. Voor zijn vrouw, de dochter van de farao, liet Salomo net zo’n woning maken.

Er wordt speciale steen gebruikt

9Salomo liet het hele paleis van een speciale harde steensoort maken. Alle gebouwen van het paleis werden daarvan gemaakt, van de straat tot aan het grote plein. De stenen waren op maat gemaakt. Ze werden gebruikt van de grond tot aan het dak.

10Het paleis werd gebouwd op een onderlaag van heel grote blokken van dezelfde steensoort. Het waren blokken van 5 meter lang en blokken van 4 meter lang. 11Op die onderlaag lagen weer andere blokken steen met daarbovenop balken van cederhout. Ook die blokken steen waren op maat gemaakt.

12Om het grote plein heen stond een muur. Die muur had drie lagen stenen, die op maat gemaakt waren. Op de stenen lag een laag balken van cederhout.

De muren om het binnenplein van de tempel waren op dezelfde manier gemaakt. En ook de muren van de hal van de tempel waren zo gemaakt.

De voorwerpen in de tempel

Chiram komt voor Salomo werken

13Salomo liet de bronswerker Chiram uit Tyrus naar zijn paleis komen. 14Chirams vader was ook bronswerker geweest in Tyrus, maar hij leefde niet meer. Chirams moeder kwam uit de stam Naftali.

Chiram was heel goed in zijn vak: het maken van allerlei voorwerpen van brons. Hij kwam in dienst bij koning Salomo, en hij maakte alles wat de koning wilde hebben.

Chiram maakt twee zuilen van brons

15Chiram maakte eerst twee zuilen van brons. De zuilen waren allebei 9 meter hoog en hadden een omtrek van 6 meter.

16-20Daarna maakte hij twee sierstukken van brons, om boven op de zuilen te zetten. Die sierstukken hadden de vorm van waterlelies. Ze waren allebei 2,5 meter hoog.

Op die sierstukken maakte hij een vlechtwerk van kettingen en kwastjes door elkaar. Zeven kettingen voor elk sierstuk. Onder aan het vlechtwerk maakte hij twee rijen appels van brons, honderd per rij.

Chiram zet de zuilen in de tempel

21Toen zette Chiram de zuilen bij de ingang van de tempel. De zuil aan de rechterkant kreeg de naam Jachin. De zuil aan de linkerkant kreeg de naam Boaz. 22De sierstukken werden op de zuilen gezet. Toen waren de zuilen klaar.

Chiram maakt een grote waterbak

23Daarna maakte Chiram ‘de Zee’. Dat was een grote ronde waterbak van brons. Die waterbak was 5 meter breed en 2,5 meter hoog, en de omtrek was 15 meter.

24-25De waterbak stond op twaalf stieren van brons. Drie stieren stonden met hun kop naar het noorden, drie stieren met hun kop naar het westen, drie stieren met hun kop naar het zuiden, en drie stieren met hun kop naar het oosten. De stieren stonden met hun kop naar buiten en met hun achterlijf naar binnen. De waterbak steunde op het achterlijf van de stieren.

Boven aan de waterbak zaten versieringen van brons, in de vorm van kleine pompoenen. Die zaten in twee rijen aan de bak vast, helemaal om de waterbak heen.

26De rand van de waterbak was 8 centimeter dik. De waterbak had van boven de vorm van een beker, of van een waterlelie die open is.

Er kon 90.000 liter water in de waterbak.

Chiram maakt tien waskarren

27Chiram maakte ook tien waskarren van brons. Elke kar was 2 meter lang, 2 meter breed en 1,5 meter hoog. 28Zo’n kar bestond uit stangen met bronzen platen ertussen. 29Op de platen en ook op de stangen maakte hij versieringen van leeuwen, stieren en engelen met vleugels. Boven en onder die versieringen zaten bloemenkransen van brons.

30Verder had elke kar vier wielen van brons. En ook de assen waar de wielen omheen draaiden, waren van brons.

Aan de vier hoeken zaten steunpunten van brons, tussen de bloemenkransen. Op die steunpunten kon een wasbak gezet worden.

31Boven in de kar zat een opening voor de wasbak, met een versierde ring eromheen. Die ring kwam boven de kar uit. De opening was 75 centimeter diep, en de ring was 50 centimeter hoog.

De bronzen platen aan de zijkanten waren vierkant, dus niet rond. 32Onder de bronzen platen zaten de vier wielen. De houders van de wielen zaten direct aan de kar vast. De wielen waren 75 centimeter hoog. 33Het waren gewone wielen, maar wel van brons.

34Aan elke waskar zaten dus vier steunpunten, één op elke hoek. Die steunpunten zaten direct aan de kar vast. 35Boven aan de kar was een rand van 25 centimeter hoog, met handvatten eraan. 36Op de handvatten en de bronzen platen maakte Chiram engelen met vleugels, en leeuwen en palmbomen. Daaromheen maakte hij bloemenkransen.

37Zo maakte hij tien waskarren. Ze waren allemaal op dezelfde manier gemaakt. Ze waren even groot, en ze hadden dezelfde vorm.

Chiram maakt wasbakken voor de karren

38Voor elke kar maakte Chiram een wasbak van brons, dus bij elkaar tien wasbakken. Zo’n wasbak was twee meter breed. Er kon ongeveer 1800 liter water in.

39Hij zette vijf karren rechts van de tempel, en vijf karren links. De waterbak ‘de Zee’ zette hij rechts van de tempel, bij de hoek op het zuidoosten.

Chiram maakt potten, scheppen en schalen

40Ten slotte maakte Chiram nog kookpotten, scheppen voor de as en schalen. Die schalen waren bedoeld om het bloed van de offerdieren in op te vangen.

Toen was hij klaar met het werk dat hij in opdracht van koning Salomo voor de tempel gedaan had.

Alles wat Chiram gemaakt heeft

41Chiram maakte dus de volgende voorwerpen voor de tempel.

Hij maakte twee zuilen en twee ronde sierstukken voor boven op de zuilen. Verder twee vlechtwerken als versiering voor de sierstukken. 42Ook maakte hij vierhonderd appels voor de twee vlechtwerken. Die appels maakte hij vast aan de sierstukken boven op de zuilen.

43Verder maakte Chiram tien waskarren, en tien wasbakken voor op de karren. 44En hij maakte de waterbak ‘de Zee’. Daar heeft hij er maar één van gemaakt. Hij maakte ook nog twaalf stieren voor onder ‘de Zee’.

45Ten slotte maakte hij potten, scheppen en schalen.

Dat heeft Chiram allemaal voor de tempel gemaakt, in opdracht van koning Salomo. Alles was van glanzend brons.

46De koning liet al die voorwerpen maken in speciale vormen van klei. Dat gebeurde in het dal van de Jordaan, tussen de steden Sukkot en Saretan.

47Salomo heeft die voorwerpen niet laten wegen, omdat het er veel te veel waren. En het brons was enorm zwaar.

Andere voorwerpen voor de tempel

48Salomo liet ook nog de volgende voorwerpen voor de tempel maken.

Hij liet het altaar maken, en de tafel waar het offerbrood op gelegd werd. Het altaar en de tafel werden met een laagje goud bedekt.

49Verder liet hij gouden kandelaars maken die voor de allerheiligste zaal neergezet moesten worden. Vijf aan de linkerkant en vijf aan de rechterkant.

Ook liet hij versieringen maken in de vorm van bloemen. En olielampen, en tangen om het licht te doven, allemaal helemaal van goud. 50En hij liet grote schotels en messen maken, helemaal van goud. En schalen voor de offers, en kommen en vuurbakken, ook van goud.

Ten slotte liet hij gouden platen maken voor de deuren naar de allerheiligste zaal en voor de deuren naar de grote zaal.

Heilige voorwerpen voor de tempel

51Toen was koning Salomo klaar met het werk aan de tempel.

Daarna bracht hij allerlei voorwerpen naar de tempel, in een speciale schatkamer. Een deel van die voorwerpen was van zilver en goud. Het waren heilige voorwerpen, want Salomo’s vader David had ze voor de Heer bestemd.

8

De tempel wordt in gebruik genomen

Alle leiders komen bij Salomo

81-2Alle Israëlieten waren in Jeruzalem bij elkaar voor het Loofhuttenfeest. Dat was in de zevende maand. Toen liet koning Salomo de leiders van de stammen en van de families bij zich komen in het oude deel van de stad. Want hij wilde samen met hen de heilige kist met de wet van de Heer naar de tempel brengen.

De priesters dragen de heilige kist

3Toen alle leiders bij Salomo waren, tilden de priesters de heilige kist op. 4Ze droegen de kist en de heilige tent naar de tempel. En ze namen ook alle heilige voorwerpen mee die bij de tent hoorden. De Levieten hielpen hen daarbij.

5Daarna bracht koning Salomo offers, samen met alle Israëlieten die bij de heilige kist stonden. Ze offerden schapen, geiten en koeien. Het waren zo veel dieren dat ze niet te tellen waren.

De kist wordt in de tempel gezet

6De priesters brachten de heilige kist met de wet van de Heer naar de plaats waar hij moest staan. Dat was in de allerheiligste zaal, achter in de tempel. Ze zetten de kist neer tussen de twee engelenbeelden. 7De vleugels van de engelen waren helemaal open, en beschermden de kist en de draagstokken van de kist.

8De draagstokken waren heel lang. Vanuit de grote zaal kon je de uiteinden niet zien. Behalve als je heel dichtbij stond, bij de ingang van de allerheiligste zaal. Die draagstokken zijn daar nog steeds.

9In de heilige kist lagen alleen twee grote stenen platen. Dat waren de stenen platen die Mozes daarin gelegd had op de berg Horeb. Daarop stond de wet van de Heer. Die wet had de Heer aan de Israëlieten gegeven toen ze uit Egypte weggingen.

Een wolk vult de tempel

10-11Toen de priesters uit de tempel naar buiten kwamen, vulde een wolk de tempel. In die wolk was de Heer aanwezig. Door die wolk konden de priesters hun werk in de tempel niet doen.

12Toen zei Salomo: ‘Heer, u woont in een donkere wolk. 13Ik heb nu een prachtige tempel voor u gebouwd, waar u voor altijd kunt wonen.’

Salomo zegent de Israëlieten

14Daarna draaide koning Salomo zich om naar het volk, en iedereen ging staan. Hij zegende alle Israëlieten die daar waren.

15De koning zei: ‘Laten we de Heer, de God van Israël, danken. Want hij heeft gedaan wat hij gezegd heeft. Hij heeft tegen mijn vader David gezegd: 16‘Ik heb mijn volk Israël uit Egypte bevrijd. Maar ik heb nooit een stad uitgekozen om daar een tempel voor mij te laten bouwen. In geen enkel gebied van de stammen van Israël. Wel heb ik jou, David, uitgekozen om koning te zijn van mijn volk Israël.’

17Toen wilde mijn vader David een tempel bouwen voor de Heer, de God van Israël. 18Maar de Heer zei tegen hem: ‘Het is goed dat je een tempel voor mij wilt bouwen. 19Maar die zul je niet zelf bouwen. Dat zal je zoon doen, jouw eigen kind. Hij zal voor mij een tempel bouwen.’

20En de Heer heeft ervoor gezorgd dat dat gebeurd is. Ik ben mijn vader David opgevolgd. Ik ben koning van Israël geworden, zoals de Heer gezegd heeft. En ik heb een tempel gebouwd voor de Heer, de God van Israël. 21Ik heb in de tempel een plek gemaakt voor de heilige kist met de wet van de Heer. Die wet heeft de Heer aan onze voorouders gegeven, toen hij hen bevrijdde uit Egypte.’

Het gebed van koning Salomo

Salomo begint zijn gebed

22Toen ging Salomo met zijn gezicht naar het altaar van de Heer staan. Alle Israëlieten waren daarbij aanwezig.

Salomo deed zijn handen omhoog naar de hemel en begon te bidden. 23Hij zei: ‘Heer, God van Israël, er is geen god zoals u, niet in de hemel en niet op de aarde. U houdt u aan uw beloftes. En u bent trouw aan het volk dat van u houdt en dat gehoorzaam is aan u. 24U hebt gedaan wat u beloofd hebt aan mijn vader David, uw dienaar. Vandaag hebt u gedaan wat u tegen hem gezegd hebt.

25Daarom vraag ik u, Heer, God van Israël: Laat nu ook de andere dingen gebeuren die u aan mijn vader David beloofd hebt. U hebt tegen hem gezegd: ‘Er zal altijd één van jouw nakomelingen koning van Israël zijn. Maar dan moeten ze mij wel echt trouw blijven, net zoals jij dat bent.’

26God van Israël, laat alles gebeuren zoals u aan mijn vader David beloofd hebt.

Salomo vraagt God om te luisteren

27Maar kunt u echt op aarde wonen, God? Zelfs de hoogste hemel is niet groot genoeg voor u. Dan is het huis dat ik voor u gebouwd heb, zeker niet groot genoeg.

28Luister naar mij, Heer, mijn God. Luister nu naar mijn gebed. Luister naar wat ik u vandaag vraag.

29-30Ik vraag u om dag en nacht goed op deze tempel te letten. Deze plaats waarvan u gezegd hebt: ‘Daar zal ik wonen.’ Luister naar het gebed van mij en uw volk, hier bij deze tempel. Luister naar ons vanuit de hemel waar u woont. Luister naar ons, en vergeef ons.

Salomo vraagt om een eerlijk oordeel

31Stel dat iemand een ander kwaad gedaan heeft. En die ander wil dat u een oordeel geeft over de persoon die hem kwaad gedaan heeft. Als die persoon dan naar uw altaar in deze tempel komt, 32luister dan! Luister vanuit de hemel, en geef een eerlijk oordeel over hem. Straf hem als hij schuldig is. Maar straf hem niet als hij onschuldig is.

Salomo vraagt vergeving voor het volk

33Stel dat de Israëlieten dingen doen die u niet wilt. En stel dat ze door vijanden worden verslagen en meegenomen. Maar als zij dan weer naar u teruggaan, als ze u weer eren en weer tot u gaan bidden bij deze tempel, 34luister dan! Luister naar hen vanuit de hemel. Vergeef de slechte daden van uw volk Israël. Breng hen terug naar dit land, dat u aan hun voorouders gegeven hebt.

Salomo vraagt om regen bij droogte

35Stel dat de mensen dingen doen die u niet wilt. En dat de hemel dan dichtgaat, zodat er geen regen valt. Als de mensen dan bidden bij deze tempel, als ze u dan eren en weer goed gaan leven, geef dan antwoord! 36Luister vanuit de hemel. Vergeef de slechte daden van uw volk Israël. Laat ze zien hoe ze goed moeten leven. En geef dan regen op het land, het land dat u voor altijd aan uw volk gegeven hebt.

Salomo vraagt om hulp bij rampen

37Stel dat er hongersnood is in het land, of een dodelijke ziekte. Of een ziekte waardoor het koren doodgaat. Of stel dat er overal sprinkhanen zijn. Of dat vijanden de steden van uw volk aanvallen. Dus stel dat er een ramp of een ziekte is. 38Misschien is er dan iemand van uw volk die tot u bidt, omdat hij ongelukkig is. Als hij dan met zijn handen omhoog bidt bij deze tempel, 39luister dan! Luister naar hem vanuit de hemel, de plaats waar u woont. Vergeef hem. En geef hem wat hij nodig heeft. Want u kent hem, alleen u weet hoe mensen zijn.

40Als u luistert, zullen de Israëlieten altijd eerbied voor u hebben. Zo lang als ze leven in het land dat u aan hun voorouders gegeven hebt.

Salomo vraagt om hulp voor vreemdelingen

41Stel dat er iemand uit een ver land komt, iemand die niet bij het volk van Israël hoort. Hij komt hierheen 42omdat hij over u gehoord heeft, over uw macht en uw kracht. En hij komt bij deze tempel bidden. 43Luister dan! Luister naar hem vanuit de hemel, de plaats waar u woont. Doe alles wat die vreemdeling u vraagt.

Dan zullen alle volken op aarde weten wie u bent. Dan zullen ze eerbied voor u hebben, net zoals uw volk Israël eerbied voor u heeft. En dan weten ze dat dit uw tempel is, het huis dat ik voor u gebouwd heb.

Salomo vraagt om hulp in de oorlog

44Stel dat uw volk oorlog voert, omdat u dat wilt. Als ze dan tot u bidden met hun gezicht naar de stad die u uitgekozen hebt, luister dan! Als ze dan tot u bidden met hun gezicht naar de tempel die ik voor u gebouwd heb, luister dan! 45Luister vanuit de hemel naar hun gebed, en help hen om te overwinnen.

Salomo vraagt om vergeving voor het volk

46Stel dat uw volk dingen doet die u niet wilt. En wie doet dat niet? Stel dat u dan boos op hen bent, en ze worden door hun vijanden verslagen. En stel dat die vijanden hen dan als gevangenen meenemen naar hun land, ver weg of dichtbij.

47Stel dat uw volk dan spijt krijgt in dat land waar ze gevangen zitten, en ze gaan weer tot u bidden en zeggen: ‘We hebben verkeerde dingen gedaan. We hebben fouten gemaakt, we zijn slecht geweest.’

48En stel dat ze u dan weer gaan vereren, met hun hele hart, in het land van de vijand die hen gevangengenomen heeft. En stel dat ze dan tot u bidden met hun gezicht naar het land dat u aan hun voorouders gegeven hebt. Met hun gezicht naar de stad die u uitgekozen hebt en de tempel die ik voor u gebouwd heb. Als ze zo tot u bidden, 49luister dan! Luister vanuit de hemel, de plaats waar u woont. Hoor hun gebed, en help hen!

50Vergeef dan uw volk, vergeef de Israëlieten alles wat ze verkeerd gedaan hebben. Vergeef hun fouten. Laat de mensen die hen gevangengenomen hebben, medelijden met hen krijgen. 51Want de Israëlieten zijn uw eigen volk. U hebt hen zelf bevrijd uit Egypte, dat land waar ze zo zwaar onderdrukt werden.

Salomo eindigt zijn gebed

52Heer, mijn God, luister naar mijn gebed. En luister naar de gebeden van uw volk Israël. Luister naar hen, hoor hen als ze u om hulp vragen! 53Want uit alle volken op aarde hebt u hen uitgekozen, Heer. Dat heeft uw dienaar Mozes namens u gezegd tegen onze voorouders, toen u hen uit Egypte bevrijdde.’

Salomo zegent het volk

54Tijdens het hele gebed lag Salomo geknield voor het altaar van de Heer. Hij hield zijn handen omhoog naar de hemel.

Toen hij klaar was met bidden, stond hij op. 55Hij zegende alle Israëlieten die daar bij de tempel waren. Hij zei met luide stem: 56‘Dank aan de Heer! Hij heeft zijn volk Israël vrede gegeven. Hij heeft gedaan wat hij beloofd heeft. Alle goede dingen die hij zijn dienaar Mozes heeft laten zeggen, zijn ook echt gebeurd.

57Nu vraag ik de Heer, onze God: Help ons, zoals u ook onze voorouders geholpen hebt. Blijf bij ons, laat ons niet alleen.

58Zorg ervoor dat wij naar u luisteren, zodat we doen wat u van ons vraagt. En zodat we ons houden aan de wetten en regels die u aan onze voorouders gegeven hebt.

59Ik vraag u om dit gebed nooit te vergeten. En ik vraag u om mij en uw volk Israël te geven wat we nodig hebben. 60Dan zullen alle volken op aarde weten dat u de enige God bent. Er is geen andere god.

61Volk van Israël, jullie moeten altijd trouw zijn aan de Heer, onze God. Jullie moeten je houden aan al zijn wetten en regels, zoals jullie dat ook vandaag doen.’

Het offerfeest

Salomo en het volk brengen offers

62Koning Salomo en alle Israëlieten die bij hem waren, brachten offers aan de Heer. 63Ze offerden 22.000 koeien, en 120.000 schapen en geiten. Met die offers namen ze de tempel van de Heer plechtig in gebruik.

64Maar het bronzen altaar van de tempel was te klein voor al die offers. Daarom maakte de koning op die dag ook het middelste deel van het binnenplein heilig. Toen konden daar ook offers gebracht worden.

Het volk viert feest

65Zo vierde Salomo feest met alle Israëlieten die bij elkaar gekomen waren uit het hele land, van het noorden tot het zuiden. Een feest voor God, de Heer. Het feest duurde zeven dagen en nog eens zeven dagen, veertien dagen dus.

Salomo stuurt het volk naar huis

66Daarna stuurde koning Salomo alle mensen naar huis. Ze namen afscheid van hem, en gingen terug naar hun woonplaats. Ze waren blij en vrolijk om alle goede dingen die de Heer voor zijn volk en zijn dienaar David gedaan had.

9

De belofte van de Heer

De Heer doet een belofte aan Salomo

91Salomo was klaar met de bouw van de tempel en het paleis. Hij had alles gebouwd wat hij wilde. 2Toen kwam de Heer voor de tweede keer in een droom bij hem, net als eerder in Gibeon.

3De Heer zei tegen Salomo: ‘Ik heb je gebed gehoord. Ik heb een heilige plaats gemaakt van de tempel die jij voor mij gebouwd hebt. De mensen kunnen mij hier altijd vereren. Ik zal altijd goed op deze tempel letten, en ik zal hem altijd beschermen.

4-5Verder zal ik ervoor zorgen dat er altijd één van jouw nakomelingen koning van Israël zal zijn. Dat heb ik ook aan je vader David beloofd. Maar dan moet je mij wel echt trouw zijn en leven zoals ik het wil, net zoals je vader David dat deed. En je moet precies doen wat ik vraag. Je moet je houden aan al mijn wetten en regels.’

De Heer waarschuwt Salomo

6De Heer zei verder: ‘Als je dat niet doet, zal ik je straffen. Als jij of je nakomelingen mij verlaten, als jullie andere goden gaan vereren, 7dan stuur ik alle Israëlieten weg. Ik jaag hen weg uit het land dat ik hun gegeven heb. Dan zullen de andere volken de Israëlieten alleen nog maar uitlachen. En dan wil ik niets meer te maken hebben met mijn heilige tempel.

8Dan blijft er van die tempel alleen maar een hoop stenen over. Iedereen die daar voorbijkomt, zal beven van angst. De mensen zullen schrikken en vragen: ‘Waarom heeft de Heer de tempel verwoest? Waarom heeft hij het volk weggejaagd?’ 9Dan krijgen ze dit antwoord: ‘Omdat de Israëlieten de Heer verlaten hebben. Hij is de God die hun voorouders bevrijd heeft uit Egypte. Maar ze zijn andere goden gaan vereren. Daarom heeft de Heer hun deze ellende aangedaan.’’

Salomo’s macht

Salomo beloont koning Chiram

10-14Salomo had er twintig jaar over gedaan om de tempel en het paleis te bouwen. Koning Chiram van Tyrus had Salomo geholpen. Hij had cederbomen en cipressen aan Salomo gegeven, en heel veel goud, zo veel als Salomo maar wilde. In totaal gaf Chiram 3600 kilo goud aan Salomo.

Salomo gaf Chiram als dank voor zijn hulp twintig steden in Galilea. Maar toen Chiram die steden bezocht, was hij er niet tevreden mee. Hij zei: ‘Wat zijn dat voor steden die je me gegeven hebt, vriend?’ Chiram noemde dat gebied Eres-Kabul, en zo heet het nog steeds.

Salomo laat mensen van andere volken voor zich werken

15Koning Salomo had mensen van andere volken als slaven voor zich laten werken. Zij hadden eerst de tempel en het paleis gebouwd. Daarna moesten ze bouwen aan het fort Millo, aan de muur om Jeruzalem heen, en aan de steden Hasor, Megiddo en Gezer.

16Wat Gezer betreft: Die stad was vroeger veroverd door de farao, de koning van Egypte. Hij had de stad in brand gestoken en alle inwoners gedood. Daarna had hij de stad aan zijn dochter gegeven. Het was een cadeau voor haar huwelijk met Salomo.

17En nu maakte Salomo van Gezer weer een sterke stad. Ook versterkte hij de stad Laag-Bet-Choron, 18en de steden Baälat en Tamar. Tamar ligt in de woestijn van Juda.

19Salomo versterkte ook andere steden. Daar kon hij zijn paarden en wagens naartoe brengen, en zijn voorraden bewaren. Hij bouwde alles wat hij wilde, in Jeruzalem, in de Libanon-bergen, en op andere plaatsen in zijn rijk.

20-21Salomo liet het zware werk doen door mensen die geen Israëlieten waren. Dat waren Amorieten, Hethieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten. Die volken woonden nog in het land omdat de Israëlieten hen niet gedood hadden. Hun nakomelingen moesten als slaven voor Salomo werken bij de bouw. En ze zijn altijd slaven gebleven.

De taken van de mannen van Israël

22De Israëlieten zelf hoefden niet voor Salomo te werken bij de bouw. Zij werkten als soldaat, als dienaar in het paleis, als ambtenaar of als officier van de koning. Of ze hadden de leiding over de strijdwagens en de ruiters. 23En 550 mannen controleerden het werk van de mensen die bij de bouw werkten.

24Toen de dochter van de farao vanuit het oude deel van de stad naar het nieuwe paleis verhuisd was, begon Salomo met de bouw van het fort Millo.

25Toen de tempel klaar was, bracht Salomo drie keer per jaar offers op het altaar dat hij voor de Heer gebouwd had.

Chiram stuurt zeemannen naar Salomo

26Koning Salomo liet ook schepen bouwen. Dat gebeurde in de buurt van de plaats Elat, in Esjon-Geber. Dat ligt in het land Edom, aan de Rode Zee.

27Koning Chiram stuurde zijn beste zeemannen naar die schepen toe. Zij moesten samenwerken met de zeemannen van Salomo.

28De zeemannen gingen met hun schepen naar Ofir. Uit dat land namen ze 12.600 kilo goud voor Salomo mee.