Bijbel in Gewone Taal (BGT)
20

Oorlog tussen Aram en Israël

De koning van Aram begint een oorlog

201Koning Benhadad van Aram riep zijn hele leger bij elkaar om oorlog te voeren tegen Israël. Met paarden en wagens viel hij de stad Samaria aan. Hij kreeg daarbij hulp van 32 andere koningen.

2-3Benhadad stuurde boodschappers naar de stad. Hij gaf hun het volgende bericht mee voor koning Achab van Israël: ‘Achab, ik wil uw goud en uw zilver hebben, en ook uw mooiste vrouwen en uw sterkste zonen.’ 4Achab stuurde het volgende antwoord: ‘Ik geef ze aan u, machtige koning. Want ik ben van u, met alles wat ik heb.’

5Toen kreeg Achab opnieuw een boodschap van Benhadad: ‘Achab, ik heb u al gevraagd om uw goud en uw zilver, uw vrouwen en uw zonen. 6Maar dat is nog niet alles. Morgen om deze tijd stuur ik mijn dienaren naar u toe. Zij zullen overal rondkijken in uw paleis, en in de huizen van uw dienaren. En ze zullen alles meenemen wat voor u belangrijk is.’

Achab geeft niet toe aan Benhadad

7Koning Achab riep alle leiders van Israël bij zich. Hij zei tegen hen: ‘Die Benhadad wil ons alleen maar kwaad doen, dat is duidelijk! Hij heeft al gevraagd om mijn goud en mijn zilver, en om mijn vrouwen en mijn zonen. En ik heb gezegd dat hij die kan krijgen.’

8De leiders van Israël en de inwoners van de stad zeiden allemaal: ‘U moet niet meer naar Benhadad luisteren. Geef hem niet wat hij wil!’

9Toen zei Achab tegen de boodschappers van Benhadad: ‘Zeg maar tegen Benhadad: ‘Machtige koning, ik zal u alles geven waar u de eerste keer om gevraagd hebt. Maar wat u nu wilt, dat gaat te ver.’’ Met dat bericht gingen de boodschappers terug naar Benhadad.

10Meteen liet Benhadad aan Achab weten: ‘Uw stad zal helemaal verwoest worden, er zal niets van overblijven! Mijn soldaten zullen niets mee naar huis kunnen nemen, zelfs niet een klein stukje steen. Anders mogen de goden me straffen.’ 11Achab antwoordde: ‘Zeg tegen Benhadad dat hij niet te vroeg moet juichen. Hij zal eerst moeten vechten, en dan moet hij ook nog winnen!’

12Op het moment dat Benhadad dat hoorde, zat hij met de andere koningen in de schaduw wijn te drinken. Meteen gaf hij zijn officieren het bevel om de stad aan te vallen. Die stelden hun soldaten op voor de strijd.

Er komt een profeet bij Achab

13Toen kwam er een profeet bij koning Achab met de volgende boodschap: ‘Dit zegt de Heer: ‘Achab, heb je al die soldaten gezien? Ik zal ervoor zorgen dat jij ze verslaat, vandaag nog. Zo zul je merken dat ik de Heer ben.’’

14Achab vroeg aan de profeet: ‘Maar hoe zal de Heer dat doen?’ De profeet antwoordde: ‘Daar zal hij de soldaten van de provinciebestuurders voor gebruiken.’ Toen vroeg Achab: ‘En wie zal er als eerste aanvallen?’ ‘U!’ zei de profeet.

15Toen werd het leger van de Israëlieten opgesteld. Achab telde eerst de soldaten van de provinciebestuurders. Dat waren er 232. Daarna alle andere soldaten. Dat waren er zevenduizend.

16-17Aan het begin van de middag kwam het leger van Israël in actie. De soldaten van de provinciebestuurders gingen voorop.

Benhadad wordt verslagen

Intussen zat Benhadad nog steeds in de schaduw wijn te drinken, samen met de 32 andere koningen. Ze hadden al zo veel op dat ze dronken waren.

Benhadad had een paar mannen in de richting van de stad Samaria gestuurd. Die kwamen hem vertellen dat er een groep soldaten de stad uit gekomen was. 18Benhadad zei: ‘Misschien komen ze om te praten, misschien komen ze om te vechten. In elk geval moeten jullie ze levend bij mij brengen.’

19Maar intussen was het hele leger van de Israëlieten de stad uit gekomen. 20De Israëlieten begonnen hun vijanden één voor één te doden. Toen vluchtten de Aramese soldaten, en de Israëlieten achtervolgden hen. Maar Benhadad ontsnapte op zijn paard, met een paar van zijn soldaten.

21Ten slotte kwam ook koning Achab de stad uit. Hij versloeg het hele leger van de Arameeërs, met al hun paarden en wagens.

22Na het gevecht kwam de profeet opnieuw bij koning Achab en zei: ‘U kunt nu weer naar huis gaan. Maar u moet zorgen dat uw leger sterker wordt. Maak een goed plan, want volgend voorjaar zal de koning van Aram u opnieuw aanvallen.’

Benhadad vraagt advies

23Toen koning Benhadad weer in Damascus was, vroeg hij zijn raadgevers om advies. Die zeiden tegen hem: ‘We hebben tegen de Israëlieten gevochten op een berg, en zij hebben ons verslagen. Dat komt doordat hun God een God van bergen is. In de bergen is hij machtig. Maar als we de Israëlieten aanvallen op een vlak stuk land, dan winnen we zeker!

24Verder moet u die 32 koningen wegsturen. Laat andere mannen hun gebieden besturen. 25En zorg voor een nieuw leger, even sterk als het vorige, en met evenveel paarden en wagens. Als we dan de Israëlieten aanvallen in een vlakte, zullen we hen zeker verslaan.’

Benhadad luisterde goed naar zijn raadgevers en deed wat ze gezegd hadden.

Benhadad wordt opnieuw verslagen

26Toen het weer voorjaar werd, ging Benhadad met zijn leger naar de stad Afek. Daar wilde hij opnieuw oorlog voeren tegen de Israëlieten.

27Achab had intussen het leger van de Israëlieten bij elkaar geroepen, en hij had gezorgd dat er genoeg voedsel was voor de soldaten. Toen gingen de Israëlieten ook naar Afek. Ze stelden zich in twee groepen op, tegenover hun vijanden. Maar het leek alsof ze maar met heel weinig waren. Want het leger van de Arameeërs was veel groter, het vulde de hele vlakte.

28Toen kwam de profeet opnieuw bij koning Achab, met de volgende boodschap: ‘Dit zegt de Heer: ‘De Arameeërs hebben gezegd dat ik een God ben van bergen, en niet van vlaktes. Daarom zal ik ervoor zorgen dat je al die soldaten verslaat. Zo zul je merken dat ik de Heer ben.’’

29Zeven dagen lang stonden de twee legers tegenover elkaar. Toen begon eindelijk het gevecht. De Israëlieten doodden honderdduizend Arameeërs op één dag. 30De soldaten die nog leefden, vluchtten naar de stad Afek. Daar stortte de stadsmuur in, zodat er nog eens 27.000 Arameeërs stierven.

Achab sluit vrede met Benhadad

Ook koning Benhadad was de stad in gevlucht. Hij had zich ergens in een huis verstopt. 31Zijn raadgevers zeiden tegen hem: ‘Luister, wij hebben gehoord dat de koningen van Israël goed zijn voor hun vijanden. Nu willen wij rouwkleren aantrekken en een touw om onze nek doen, om te laten zien dat we ons overgeven. Als we zo naar de koning van Israël gaan, zal hij u misschien in leven laten.’

32De raadgevers trokken rouwkleren aan en deden een touw om hun nek. Zo kwamen ze bij koning Achab. Ze zeiden: ‘Uw dienaar Benhadad vraagt of u hem in leven wilt laten.’ Koning Achab zei: ‘Leeft hij dan nog? Hij is een vriend van mij!’

33Dat vonden de mannen een goed teken. Ze geloofden Achab graag en zeiden: ‘Jazeker, Benhadad is een vriend van u!’ Toen zei Achab: ‘Ga hem halen!’ Benhadad kwam uit de stad naar Achab toe, en Achab liet hem bij zich op zijn wagen klimmen.

34Benhadad zei tegen Achab: ‘Ik zal u de steden in Israël teruggeven die mijn vader veroverd heeft. En u kunt een eigen markt openen in Damascus. Net zoals mijn vader dat vroeger gedaan heeft in Samaria.’

Achab antwoordde: ‘Als we dat officieel kunnen afspreken, zal ik u laten gaan.’ Zo sloot Achab een verdrag met Benhadad, en daarna liet hij hem gaan.

Een profeet waarschuwt Achab

35Toen zei één van de profeten uit Samaria tegen een andere profeet: ‘Geef me alsjeblieft een klap.’ Hij vroeg dat in opdracht van de Heer. Maar die andere profeet wilde hem niet slaan.

36Toen zei de eerste profeet: ‘Je hebt niet gedaan wat de Heer gezegd heeft. Daarom zul je onderweg aangevallen worden door een leeuw.’ De ander vertrok. Meteen kwam hij een leeuw tegen, en hij werd door die leeuw gedood.

37De profeet ging naar iemand anders toe, en vroeg hem: ‘Geef me alsjeblieft een klap.’ Toen sloeg die man hem zo hard dat hij bloedde. 38De profeet deed een doek om zijn hoofd als verband. Daardoor kon niemand hem herkennen. Zo ging hij langs de weg staan om op koning Achab te wachten.

39Toen de koning voorbijkwam, riep de profeet naar hem: ‘Heer, ik wil u iets vertellen! Ik was midden in een gevecht. Toen kwam er iemand naar mij toe met een gevangene. Hij zei dat ik die moest bewaken. ‘En als hij toch ontsnapt,’ zei hij, ‘dan zul jij in zijn plaats sterven. Of je moet me 30 kilo zilver betalen.’ 40Maar ik moest op heel veel dingen letten, en opeens was de gevangene verdwenen.’

De koning zei: ‘Het is je eigen schuld als je gestraft wordt.’ 41Snel trok de man de doek voor zijn gezicht weg. Toen zag de koning dat hij een profeet was.

42De profeet zei tegen de koning: ‘Ook u zult gestraft worden. Want de Heer wilde dat Benhadad zou sterven, maar u hebt hem laten gaan. Daarom zult u in zijn plaats sterven. En uw volk zal sterven in plaats van zijn volk.’

43Somber en kwaad ging koning Achab terug naar zijn paleis in Samaria.

21

Achab en Nabot

Achab wil een wijngaard kopen

211Korte tijd later gebeurde het volgende. Koning Achab woonde in Samaria, maar hij had ook een paleis in de stad Jizreël. Naast dat paleis lag een wijngaard. Die was van een man die Nabot heette.

2Achab ging naar Nabot toe en zei tegen hem: ‘Wilt u die wijngaard misschien aan mij geven? Hij ligt naast mijn paleis, ik kan hem goed gebruiken als groentetuin. Ik zal u er een andere wijngaard voor geven, die nog mooier is. Of ik zal u ervoor betalen, als u dat liever wilt.’

3Maar Nabot antwoordde: ‘Dat kan ik echt niet doen. Want die grond is al heel lang in het bezit van mijn familie!’

Achab vertelt Izebel over Nabot

4Somber ging Achab naar huis terug. Hij was kwaad omdat hij de grond van Nabots familie niet kon krijgen.

Thuis ging Achab op zijn bed liggen met zijn gezicht naar de muur, en hij wilde niets eten. 5Toen kwam zijn vrouw Izebel naar hem toe. Ze vroeg: ‘Wat is er met jou aan de hand? Waarom ben je zo somber en wil je niet eten?’

6Achab antwoordde: ‘Ik heb in Jizreël met Nabot gesproken. Ik heb hem gevraagd om zijn wijngaard aan mij te verkopen. Of te ruilen voor een andere, als hij dat liever wilde. Maar dat heeft hij geweigerd.’

7‘Wat een onzin!’ zei Izebel. ‘Jij bent toch zeker de koning van Israël? Sta op en eet wat, dan zul je je vast beter voelen. Ik zorg er wel voor dat jij de wijngaard van die Nabot krijgt.’

Izebel stuurt een brief naar Jizreël

8Izebel schreef namens Achab een brief aan de leiders van de stad Jizreël, waar Nabot woonde. Ze zette er het stempel van de koning op.

9In die brief stond: ‘Kies een dag uit waarop het hele volk bij elkaar moet komen. Niemand mag op die dag iets eten of drinken. En zorg dat Nabot vooraan komt te zitten. 10Tegenover Nabot moeten twee mannen gaan zitten die bereid zijn om hem te beschuldigen. Zij moeten plechtig verklaren dat hij God en de koning vervloekt heeft. Dan moeten jullie hem naar een plek buiten de stad brengen en hem met stenen doodgooien.’

De dood van Nabot

11De leiders van Jizreël deden wat er in de brief van Izebel stond. 12Ze kozen een dag uit waarop iedereen moest vasten. Ze lieten het volk bij elkaar komen en zorgden ervoor dat Nabot vooraan kwam te zitten. 13Twee slechte mannen gingen tegenover hem zitten en beschuldigden hem waar iedereen bij was. Ze verklaarden plechtig dat hij God en de koning vervloekt had.

Daarna werd Nabot naar een plek buiten de stad gebracht en met stenen doodgegooid.

14De leiders stuurden aan Izebel het bericht dat Nabot dood was. 15Toen Izebel dat hoorde, ging ze naar Achab toe en zei tegen hem: ‘Nabot wilde zijn wijngaard niet verkopen, maar nu kun je die toch in bezit gaan nemen. Want Nabot leeft niet meer, hij is dood.’

16Toen Achab dat hoorde, ging hij meteen naar de stad Jizreël om de wijngaard van Nabot in bezit te nemen.

De Heer zal Achab en Izebel straffen

17Toen gaf de Heer opnieuw een opdracht aan Elia, de profeet uit Tisbe. 18De Heer zei: ‘Koning Achab is uit Samaria naar Jizreël gekomen. Daar wil hij de wijngaard van Nabot in bezit nemen. Je moet naar hem toe gaan 19en hem namens mij zeggen: ‘Achab, je hebt een man vermoord en zijn grond in bezit genomen. De honden hebben zijn bloed opgelikt. Op dezelfde plek zullen ze ook jouw bloed oplikken!’’

20Elia deed wat de Heer zei. Toen Achab Elia zag, zei hij: ‘O nee, Elia, mijn vijand! Je hebt me weer gevonden!’ Elia antwoordde: ‘Ja, ik heb u gevonden. Want u hebt uw macht gebruikt om iets te doen wat de Heer slecht vindt. 21Daarom zal hij u straffen. Hij zal niemand van uw familie in leven laten. Hij zal alle mannen doden, iedereen, jong en oud.

22Het zal met uw familie net zo gaan als met de familie van Jerobeam, de zoon van Nebat. En zoals met de familie van Basa, de zoon van Achia. Want u hebt ervoor gezorgd dat de Israëlieten niet meer trouw zijn aan de Heer. Daarmee hebt u de Heer beledigd.

23De Heer heeft ook over uw vrouw Izebel gesproken. Zij zal bij de stadsmuur van Jizreël opgegeten worden door de honden! 24Ook de mannen uit uw familie die in de stad sterven, zullen opgegeten worden door de honden. En de mannen die buiten op het veld sterven, zullen opgegeten worden door de roofvogels.’

Achab laat zien dat hij spijt heeft

25-29Toen Achab hoorde wat Elia zei, scheurde hij zijn kleren. Hij trok rouwkleren aan over zijn blote lijf. Die hield hij zelfs aan als hij ging slapen. Hij wilde niet eten, en hij liep rond met een somber gezicht.

Toen zei de Heer tegen Elia: ‘Heb je gezien wat Achab doet? Hij laat mij zien dat hij spijt heeft van zijn gedrag. Daarom zal ik hem niet straffen tijdens zijn leven. Ik zal zijn familie pas doden als hij opgevolgd is door zijn zoon.’

Achab was een slechte koning

Geen koning van Israël was zo slecht als Achab. Niemand heeft zijn macht zo verkeerd gebruikt als hij. Achab deed dingen die de Heer slecht vond. Dat kwam door de slechte invloed van zijn vrouw Izebel. Achab deed verschrikkelijke dingen: hij vereerde afgoden, net als de Amorieten. Dat volk was door de Heer weggejaagd toen de Israëlieten in Kanaän kwamen.

22

Het einde van Achab

Achab vraagt steun aan de koning van Juda

221Meer dan twee jaar was er vrede tussen de koning van Aram en de koning van Israël. 2In het derde jaar bracht Josafat, de koning van Juda, een bezoek aan Achab, de koning van Israël.

3Achab zei tegen zijn raadgevers: ‘Zoals jullie weten, is de stad Ramot in het gebied Gilead eigenlijk van ons. Maar de koning van Aram heeft die stad veroverd. Laten we zorgen dat we Ramot weer in ons bezit krijgen!’

4-5Daarna vroeg Achab aan Josafat: ‘Wilt u mij helpen om de stad Ramot aan te vallen?’ Josafat antwoordde: ‘U en ik horen bij elkaar. Mijn soldaten zijn ook uw soldaten, mijn paarden zijn ook uw paarden. Maar u moet eerst vragen wat de Heer wil.’

Achab vraagt raad aan de Heer

6Achab riep alle profeten bij elkaar. Dat waren er ongeveer vierhonderd. Hij vroeg hun: ‘Moet ik de stad Ramot in Gilead aanvallen, of kan ik dat beter niet doen?’ De profeten antwoordden: ‘U moet Ramot aanvallen. De Heer zal die stad aan u teruggeven.’

7Maar Josafat vroeg: ‘Is er hier misschien nog een andere profeet van de Heer aan wie we het kunnen vragen?’ 8Achab antwoordde: ‘Ja, er is nog iemand die voor ons kan vragen wat de Heer wil. Maar ik heb een hekel aan hem, want hij heeft mij nooit iets goeds te zeggen. Het is Micha, de zoon van Jimla. Hij voorspelt alleen maar ongeluk.’

Josafat zei: ‘Zulke dingen mag u niet zeggen!’ 9Toen liet Achab een dienaar bij zich komen. Hij gaf hem de opdracht om Micha meteen te gaan halen.

De profeet Sidkia

10Koning Achab van Israël en koning Josafat van Juda zaten allebei buiten de stadspoort van Samaria op een troon. Ze hadden hun koninklijke kleren aan. Ze keken hoe de profeten dansend en schreeuwend de toekomst voorspelden.

11Eén van die profeten was Sidkia, de zoon van Kenaäna. Hij had twee hoorns van ijzer op zijn hoofd gezet, en hij riep tegen Achab: ‘Dit zegt de Heer: ‘Zoals een stier zijn vijanden doodt met zijn hoorns, zo zult u de Arameeërs doden! Geen van hen zal in leven blijven.’’

12De andere profeten voorspelden net zulke dingen. Allemaal zeiden ze dat koning Achab de stad Ramot moest aanvallen. En dat het goed zou aflopen, omdat de Heer de stad aan Achab zou teruggeven.

De profeet Micha komt bij Achab

13De dienaar van koning Achab kwam bij de profeet Micha om hem op te halen. Hij zei tegen Micha: ‘De andere profeten zeggen allemaal dat de koning de stad Ramot zal veroveren. Zegt u alstublieft hetzelfde, voorspel iets goeds!’ 14Micha antwoordde: ‘Ik zal alleen tegen de koning zeggen wat de Heer tegen mij zegt. Dat is zo zeker als de Heer leeft.’

15Toen Micha bij de koning kwam, vroeg die aan hem: ‘Micha, moet ik samen met Josafat de stad Ramot in Gilead aanvallen? Of kunnen we dat beter niet doen?’ ‘Valt u Ramot maar aan, koning!’ zei Micha. ‘De Heer zal die stad aan u teruggeven.’

16De koning zei tegen Micha: ‘Wees eerlijk tegen mij als je namens de Heer spreekt. Dat heb ik je al zo vaak gezegd!’ 17Toen zei Micha: ‘Ik had een droom waarin ik de soldaten van Israël zag. Ze liepen overal rond in de bergen, het waren net schapen zonder herder. Toen zei de Heer tegen mij: ‘De soldaten van Israël hebben geen leider meer, ze kunnen beter naar huis teruggaan.’’

18Koning Achab zei tegen Josafat: ‘Ik heb het toch gezegd? Die man voorspelt nooit iets goeds over mij, hij zegt alleen maar slechte dingen!’

Micha voorspelt ongeluk

19Micha ging verder met spreken. Hij zei: ‘Luister naar de woorden van de Heer! Ik zag de Heer in de hemel op zijn troon zitten. Alle engelen en geesten stonden om hem heen. 20De Heer zei: ‘Wie van jullie gaat ervoor zorgen dat Achab de stad Ramot in Gilead aanvalt? Dan zal Achab sterven in het gevecht.’ Er werden verschillende voorstellen gedaan.

21Uiteindelijk kwam één van de geesten naar de Heer toe, en zei: ‘Ik zal ervoor zorgen dat Achab de stad Ramot aanvalt.’ ‘Hoe wil je dat doen?’ vroeg de Heer. 22De geest antwoordde: ‘Ik zal naar de aarde gaan en ervoor zorgen dat alle profeten van Achab liegen.’ ‘Dat is goed,’ zei de Heer. ‘Het zal je lukken.’

23En zo is het gegaan. De Heer heeft ervoor gezorgd dat al uw profeten liegen. Hij heeft besloten dat het slecht met u zal aflopen.’

Sidkia beschuldigt Micha

24Toen kwam de profeet Sidkia naar Micha toe en gaf hem een klap in zijn gezicht. Hij zei tegen Micha: ‘Wil jij soms beweren dat de Heer niet meer tegen mij spreekt, maar alleen nog tegen jou?’

25‘Je zult straks wel zien wie er gelijk heeft,’ antwoordde Micha. ‘Dan zul je zo bang zijn dat je je voor iedereen verbergt.’

26Toen zei koning Achab: ‘Breng Micha naar Amon, de bestuurder van de stad Samaria, en naar mijn zoon Joas. 27Zij moeten hem opsluiten in de gevangenis. Hij mag alleen maar water en brood hebben, totdat ik weer veilig terug ben.’ 28Micha zei tegen hem: ‘Als u veilig terugkomt, dan kwamen mijn woorden niet van de Heer.’ (Diezelfde profeet heeft eens gezegd: ‘Volken, luister allemaal!’)

Het gevecht om de stad Ramot

29Samen met koning Josafat ging koning Achab op weg naar de stad Ramot. 30Hij zei tegen Josafat: ‘Ik trek andere kleren aan voor het gevecht, maar u kunt uw koninklijke kleren aanhouden.’ Voordat het gevecht begon, trok Achab dus andere kleren aan. Dat deed hij om niet herkend te worden.

31Intussen riep de koning van Aram de 32 officieren van zijn strijdwagens bij zich. Hij gaf ze de volgende opdracht: ‘Ga niet zomaar met iedereen vechten. Jullie mogen alleen de koning van Israël aanvallen.’

32Zodra de officieren de wagen van Josafat zagen, riepen ze: ‘Dat is de koning van Israël!’ En ze reden naar hem toe om tegen hem te vechten. Josafat gaf een schreeuw. 33Toen de officieren zagen dat hij niet de koning van Israël was, lieten ze hem met rust.

De dood van koning Achab

34Tijdens het gevecht schoot een soldaat een pijl af die toevallig koning Achab raakte. De pijl ging door het harnas van Achab heen. Meteen zei Achab tegen de bestuurder van zijn strijdwagen: ‘Keer om, breng me naar het legerkamp. Ik ben zwaargewond, ik moet hier weg!’

35Maar de strijd werd steeds feller, en koning Achab bleef rechtop in de strijdwagen staan om tegen de Arameeërs te vechten. Laat in de middag stierf hij. De hele wagen zat onder het bloed.

36Toen het donker werd, gingen de soldaten terug naar het legerkamp. Daar kregen ze het bevel om naar huis terug te gaan.

Koning Achab wordt begraven

37De koning werd na zijn dood teruggebracht naar de stad Samaria. Daar werd hij begraven. 38Zijn wagen werd schoongewassen bij de vijver van Samaria. Dat was ook de plek waar de hoeren zich altijd wasten. De honden likten het bloed van de koning op, precies zoals de Heer gezegd had.

39Alle andere verhalen over Achab en zijn daden staan in de boeken over de koningen van Israël. Ook de verhalen over het ivoren paleis en alle steden die hij bouwde. 40Na zijn dood volgde zijn zoon Achazja hem op.

Koning Josafat van Juda

Het koningschap van Josafat

41Josafat, de zoon van Asa, was koning van Juda geworden toen Achab vier jaar koning van Israël was. 42Josafat was 35 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 25 jaar vanuit Jeruzalem. Zijn moeder heette Azuba. Zij was een dochter van Silchi.

43Josafat leefde precies zoals zijn vader Asa: hij deed altijd wat de Heer wilde. 44Maar de offerplaatsen verdwenen niet, het volk bleef daar offers brengen. 45Josafat leefde in vrede met de koning van Israël.

46Alle andere verhalen over Josafat staan in de boeken over de koningen van Juda. Ook de verhalen over zijn moed, en over de oorlogen die hij voerde. 47Na de dood van zijn vader Asa waren er nog steeds mensen die bij de offerplaatsen werkten. Die mensen werden door Josafat uit het land weggejaagd.

Josafat stuurt schepen naar Ofir

48Het land Edom had geen eigen koning. Het werd geleid door een bestuurder uit Juda. 49Josafat liet een aantal grote schepen vertrekken naar het land Ofir, om daar goud vandaan te halen. Maar dat mislukte, want de schepen zonken al bij de haven van de stad Esjon-Geber.

50Koning Achazja van Israël had nog voorgesteld dat zijn dienaren op de schepen mee zouden varen, maar dat wilde Josafat niet.

De dood van Josafat

51Josafat werd na zijn dood bij zijn voorouders begraven in het oude deel van Jeruzalem. Zijn zoon Joram volgde hem op.

Koning Achazja van Israël

Achazja wordt koning van Israël

52Toen Josafat zeventien jaar koning van Juda was, werd Achazja koning van Israël. Achazja was een zoon van Achab. Hij regeerde twee jaar vanuit de stad Samaria.

Achazja is een slechte koning

53Achazja deed dingen die de Heer slecht vond, net zoals zijn vader Achab en zijn moeder Izebel. En net zoals Jerobeam, de zoon van Nebat, door wie de Israëlieten ontrouw geworden waren aan de Heer. 54Achazja vereerde de god Baäl en knielde voor hem. Zo beledigde hij de Heer, de God van Israël, net zoals zijn vader gedaan had.