Bijbel in Gewone Taal (BGT)
18

De Heer stuurt Elia naar koning Achab

181Het had al meer dan twee jaar niet geregend in Israël. Toen gaf de Heer opnieuw een opdracht aan de profeet Elia. Hij zei tegen hem: ‘Je moet naar koning Achab gaan, om te zeggen dat het land weer regen zal krijgen.’

2Toen ging Elia op weg naar koning Achab.

Achab en Obadja zoeken eten voor hun dieren

Er was grote hongersnood in de stad Samaria. 3Daarom liet koning Achab zijn dienaar Obadja bij zich komen, die de leiding had in het paleis.

Obadja had veel eerbied voor de Heer. 4In de tijd dat koningin Izebel de profeten van de Heer had laten doden, had Obadja honderd van die profeten gered. Hij had hen in twee grotten verstopt, vijftig profeten in elke grot. Obadja had ervoor gezorgd dat ze genoeg te eten en te drinken hadden.

5Achab zei tegen Obadja: ‘Onze paarden en ezels hebben niet genoeg te eten. Laten we daarom gaan kijken bij alle bronnen en rivieren in het land. Als we daar gras vinden, kunnen we onze dieren in leven houden en hoeven we ze niet te doden.’

6Achab en Obadja verdeelden het land in tweeën. Achab ging de ene kant op, Obadja de andere kant.

Obadja komt Elia tegen

7Terwijl Obadja onderweg was, kwam hij opeens Elia tegen. Toen hij de profeet herkende, maakte hij een diepe buiging. Hij zei: ‘Bent u het, Elia? Bent u het echt?’

8‘Jazeker,’ zei Elia. ‘Ga naar je meester toe om te zeggen dat ik naar hem op weg ben.’

9‘Doe me dat alstublieft niet aan!’ antwoordde Obadja. ‘U wilt toch niet dat Achab mij doodt? 10Mijn meester heeft overal naar u laten zoeken, in elk land, bij elk volk. Dat is zo zeker als de Heer, uw God, leeft! En steeds zeiden de mensen dat u daar niet was. Dan moesten ze plechtig verklaren dat ze u niet konden vinden.

11En nu moet ik aan mijn meester gaan vertellen dat u hier bent! 12Als ik dat doe, wordt u natuurlijk meegenomen door de geest van de Heer. Dan weet ik niet meer waar u bent. En als mijn meester u dan niet kan vinden, zal hij mij doden.

Ik heb altijd veel eerbied gehad voor de Heer, mijn hele leven lang. 13Hebt u niet gehoord wat ik gedaan heb toen Izebel alle profeten van de Heer wilde doden? Ik heb honderd profeten verstopt! Vijftig in één grot, en nog eens vijftig in een andere grot. En ik heb ervoor gezorgd dat ze te eten en te drinken hadden. 14En nu moet ik aan mijn meester gaan vertellen dat u hier bent? Dan zal hij me zeker doden.’

15Maar Elia antwoordde: ‘Ik doe wat de Heer zegt, ik ga vandaag naar Achab toe. Dat is zo zeker als de machtige Heer leeft!’

16Toen ging Obadja naar koning Achab om hem te vertellen dat Elia eraan kwam.

Elia spreekt met koning Achab

Achab ging Elia tegemoet. 17Toen hij hem zag, riep hij: ‘Daar ben je dus, Elia! Wat een ellende heb jij in Israël gebracht!’

18‘Nee,’ antwoordde Elia. ‘Dat hebt u zelf gedaan, samen met uw familie. Want u bent ongehoorzaam geweest aan de Heer, en u bent de god Baäl gaan vereren.

19Nu moet u het volgende doen: Laat het hele volk naar mij toe komen op de berg Karmel. En ook alle 450 profeten van de god Baäl, en de vierhonderd profeten van de godin Asjera. Al die profeten die te eten en te drinken krijgen in het paleis van koningin Izebel.’

Het volk moet kiezen: de Heer of Baäl

20Achab deed wat Elia zei. Hij liet de Israëlieten en de profeten bij elkaar komen op de berg Karmel. 21Daar zei Elia tegen het volk: ‘Hoe lang gaat het nog duren voordat jullie een keus maken? Als de Heer de ware God is, kies dan voor de Heer. Als het Baäl is, kies dan voor Baäl.’

Het volk gaf Elia geen antwoord. 22Toen zei Elia tegen hen: ‘Ik ben de enige profeet van de Heer die nog over is. En er zijn hier 450 profeten van Baäl.

23Jullie moeten ons twee stieren brengen. De profeten van Baäl mogen er één uitkiezen. Die moeten ze in stukken snijden en op een stapel hout leggen. Maar ze mogen het hout niet in brand steken. Ik zal zelf de andere stier slachten en op een stapel hout leggen. En ook ik zal het hout niet in brand steken. 24Dan moeten de profeten van Baäl tot hun god bidden, en ik zal bidden tot de Heer. De god die antwoord geeft, dat is de ware God.’

Dat vond iedereen een goed voorstel.

Baäl geeft geen antwoord

25Elia zei tegen de profeten van Baäl: ‘Jullie zijn met een grote groep, beginnen jullie maar. Kies één van deze twee stieren uit, en maak die klaar voor het offer. Bid dan tot jullie god, maar steek het hout niet in brand.’

26Dat deden de profeten van Baäl. Ze kozen een stier uit, en maakten die klaar voor het offer. En toen begonnen ze te bidden: ‘Baäl, geef ons antwoord!’ Ze bleven de hele ochtend bidden, en ze dansten om de houtstapel heen. Maar er kwam geen antwoord.

27Toen de ochtend voorbij was, begon Elia hen uit te dagen. Hij zei: ‘Baäl is toch jullie god? Jullie moeten harder roepen! Misschien zit hij na te denken, of misschien is hij met iets anders bezig. Of hij is op reis gegaan. Misschien slaapt hij wel, dan moeten jullie hem wakker maken!’

28De profeten van Baäl riepen steeds harder. En ze sneden zichzelf met messen en zwaarden, zoals ze altijd deden als ze offers brachten. Het bloed stroomde over hun lijf. 29En ze bleven maar dansen en schreeuwen.

Het werd steeds later, de middag was al half voorbij. Maar het bleef stil, er kwam geen antwoord. Baäl hoorde niets.

Elia brengt een offer aan de Heer

30Toen zei Elia dat de Israëlieten dichterbij moesten komen. Dat deden ze.

Elia bouwde een altaar voor de Heer, want het oude altaar was verwoest. 31Hij pakte twaalf stenen, omdat er twaalf stammen van Israël waren. Want de Israëlieten stamden af van de twaalf zonen van Jakob, die van de Heer de naam Israël kreeg.

32Met die twaalf stenen bouwde Elia het altaar voor de Heer. Om het altaar heen groef hij een lange, diepe geul. 33Hij stapelde het hout op, sneed de stier in stukken en legde het vlees op het hout. 34Toen zei hij: ‘Vul vier kruiken met water, en giet het water over het offer en het hout heen.’ Dat gebeurde drie keer. 35Het water stroomde over het altaar heen, en ook de geul kwam vol water te staan.

36De middag was intussen bijna voorbij. Elia ging bij het altaar staan en zei: ‘Heer, God van Abraham, Isaak en Jakob! Laat nu zien dat u de ware God van Israël bent, en dat ik uw dienaar ben. Ik doe deze dingen omdat u het wilt. 37Geef mij antwoord, Heer, geef antwoord! Dan zal dit volk begrijpen dat u de ware God bent. En dat ze weer naar u moeten luisteren.’

De Heer neemt het offer van Elia aan

38Toen stuurde de Heer vuur uit de hemel. Door dat vuur verbrandde het vlees van de stier, en ook het hout en de stenen verbrandden. Zelfs de as verdween, en ook het water in de geul. 39Toen de Israëlieten dat zagen, knielden ze op de grond. Ze riepen: ‘De Heer is de ware God, de Heer is de ware God!’

40Toen zei Elia tegen de Israëlieten: ‘Grijp de profeten van Baäl! Laat ze niet ontsnappen!’ De profeten werden gevangengenomen, en Elia liet hen naar het Kison-dal brengen. Daar liet hij hen doden.

De Heer laat het regenen

41Daarna zei Elia tegen koning Achab: ‘Ga nu snel iets eten en drinken. Want ik hoor de regen al komen.’ 42Achab ging weg om iets te eten en te drinken.

Elia zelf ging naar de top van de berg Karmel. Hij knielde op de grond en legde zijn hoofd tussen zijn knieën. 43Hij zei tegen zijn knecht: ‘Ga jij eens naar een plek toe waar je de zee kunt zien. En kom me dan vertellen wat je ziet.’ De knecht ging kijken, kwam terug en zei: ‘Ik zie niets bijzonders.’ Elia zei: ‘Ga nog maar eens.’ Dat gebeurde zo zeven keer.

44Bij de zevende keer zei de knecht: ‘Nu zie ik een klein wolkje boven de zee, niet groter dan een hand.’ Toen zei Elia: ‘Ga Achab waarschuwen! Zeg tegen hem dat hij snel met zijn wagen de berg af moet rijden. Anders lukt het niet meer door de harde regen!’

45Meteen werd de lucht helemaal zwart. Het ging heel hard waaien en regenen. Achab klom op zijn wagen en reed weg naar de stad Jizreël.

46Toen voelde Elia dat de Heer hem kracht gaf. Elia trok zijn mantel een stuk omhoog en rende voor Achab uit, tot vlak bij Jizreël.

19

Elia vlucht voor koningin Izebel

191Achab vertelde aan zijn vrouw Izebel wat Elia allemaal gedaan had. Hij vertelde haar ook dat Elia alle profeten van Baäl had laten doden.

2Toen stuurde Izebel een boodschapper naar Elia toe. De boodschapper moest namens haar zeggen: ‘Morgen om deze tijd zult u net zo dood zijn als die profeten! Als dat niet zo is, mogen de goden mij, koningin Izebel, straffen.’

3Toen Elia dat hoorde, werd hij bang. Hij vluchtte weg om zijn leven te redden. In Berseba, helemaal in het zuiden van Juda, liet hij zijn knecht achter. 4Zelf ging hij de woestijn in.

Elia wil sterven

Nadat Elia een hele dag gelopen had, ging hij onder een struik zitten. Daar vroeg hij aan God of hij mocht sterven. Hij zei: ‘Heer, het is genoeg geweest, laat mij maar doodgaan. Ik ben het niet waard om nog langer te leven.’ 5Elia ging liggen en viel onder de struik in slaap.

Maar toen kwam er een engel. Die raakte Elia aan en zei: ‘Sta op, en eet wat.’ 6Toen Elia opkeek, zag hij naast zich een vers brood en een kruik met water. Hij at van het brood en dronk van het water. Daarna ging hij weer liggen.

7Maar de engel van de Heer kwam terug. Hij raakte hem opnieuw aan, en zei: ‘Sta op, en eet wat. Anders heb je niet genoeg kracht om verder te lopen.’

Elia gaat naar de berg Horeb

8Toen stond Elia op. Hij at en hij dronk. Dat gaf hem genoeg kracht om in veertig dagen en veertig nachten naar de berg Horeb te lopen, de berg van God. 9Daar ging hij in een grot liggen slapen.

De volgende ochtend begon de Heer tegen hem te spreken. Hij zei: ‘Waarom ben je hier, Elia?’

10Elia antwoordde: ‘Heer, machtige God, ik heb met al mijn kracht voor u gevochten. Maar de Israëlieten blijven ontrouw aan u. Ze hebben uw altaren verwoest en uw profeten gedood. Ik ben de enige die nog overgebleven is. En nu willen ze ook mij doden!’

De Heer komt bij Elia

11De Heer zei tegen Elia: ‘Kom naar buiten, ga op de berg staan om mij te ontmoeten.’

Toen kwam de Heer voorbij.

Het begon met een zware storm. Het waaide zo hard dat de berg begon te schudden en de rotsen openscheurden. Maar de Heer was niet in de storm.

Na de storm kwam er een aardbeving. Maar daarin was de Heer ook niet. 12Na de aardbeving kwam er een vuur, maar de Heer was ook niet in het vuur.

Na het vuur klonk er alleen het zachte suizen van de stilte. 13Toen Elia dat hoorde, deed hij zijn mantel voor zijn gezicht. Hij liep naar buiten en ging voor de opening van de grot staan. Daar hoorde hij een stem die zei: ‘Waarom ben je hier, Elia?’

14Elia antwoordde: ‘Heer, machtige God, ik heb met al mijn kracht voor u gevochten. Maar de Israëlieten blijven ontrouw aan u. Ze hebben uw altaren verwoest en uw profeten gedood. Ik ben de enige die nog overgebleven is. En nu willen ze ook mij doden!’

De Heer geeft Elia een opdracht

15De Heer zei: ‘Ga hier weg, ga naar de woestijn bij de stad Damascus. Ga dan naar Hazaël om hem te vertellen dat hij koning van Aram zal worden. Als teken daarvan moet je olie over zijn hoofd gieten. 16Dat moet je ook doen bij Jehu, de zoon van Nimsi, en bij Elisa, de zoon van Safat, die uit de stad Abel-Mechola komt. Want Jehu zal koning worden van Israël, en Elisa zal jou opvolgen als profeet.

17-18Er zullen in Israël heel veel mensen gedood worden. De mensen die niet gedood worden door Hazaël, zullen gedood worden door Jehu. En de mensen die niet door Jehu gedood worden, zullen gedood worden door Elisa.

Maar ik zal zevenduizend mensen in leven laten. Dat zijn de mensen die niet voor de god Baäl hebben geknield en zijn beeld niet hebben gekust.’

Elia neemt Elisa mee

19Elia ging weg van de berg Horeb. Onderweg zag hij Elisa, de zoon van Safat. Die was samen met een aantal andere mannen op het land aan het werk. Met twaalf paar ossen ploegden ze het land. Elisa zelf liep achteraan, met het twaalfde paar ossen.

Elia ging naar Elisa toe, gooide zijn mantel over hem heen en liep verder.

20Elisa liet zijn ossen in de steek en liep snel achter Elia aan. Hij zei: ‘Ik ga met u mee, maar ik wil eerst afscheid nemen van mijn vader en moeder!’ Elia antwoordde: ‘Doe wat je wilt, ik dwing je niet om mee te komen.’

21Elisa ging terug naar zijn ossen. Met het hout van de ploeg maakte hij een vuur. Hij slachtte de ossen en braadde het vlees. Daarmee gaf hij een maaltijd voor iedereen die hij kende.

Daarna ging hij met Elia mee om hem te helpen.

20

Oorlog tussen Aram en Israël

De koning van Aram begint een oorlog

201Koning Benhadad van Aram riep zijn hele leger bij elkaar om oorlog te voeren tegen Israël. Met paarden en wagens viel hij de stad Samaria aan. Hij kreeg daarbij hulp van 32 andere koningen.

2-3Benhadad stuurde boodschappers naar de stad. Hij gaf hun het volgende bericht mee voor koning Achab van Israël: ‘Achab, ik wil uw goud en uw zilver hebben, en ook uw mooiste vrouwen en uw sterkste zonen.’ 4Achab stuurde het volgende antwoord: ‘Ik geef ze aan u, machtige koning. Want ik ben van u, met alles wat ik heb.’

5Toen kreeg Achab opnieuw een boodschap van Benhadad: ‘Achab, ik heb u al gevraagd om uw goud en uw zilver, uw vrouwen en uw zonen. 6Maar dat is nog niet alles. Morgen om deze tijd stuur ik mijn dienaren naar u toe. Zij zullen overal rondkijken in uw paleis, en in de huizen van uw dienaren. En ze zullen alles meenemen wat voor u belangrijk is.’

Achab geeft niet toe aan Benhadad

7Koning Achab riep alle leiders van Israël bij zich. Hij zei tegen hen: ‘Die Benhadad wil ons alleen maar kwaad doen, dat is duidelijk! Hij heeft al gevraagd om mijn goud en mijn zilver, en om mijn vrouwen en mijn zonen. En ik heb gezegd dat hij die kan krijgen.’

8De leiders van Israël en de inwoners van de stad zeiden allemaal: ‘U moet niet meer naar Benhadad luisteren. Geef hem niet wat hij wil!’

9Toen zei Achab tegen de boodschappers van Benhadad: ‘Zeg maar tegen Benhadad: ‘Machtige koning, ik zal u alles geven waar u de eerste keer om gevraagd hebt. Maar wat u nu wilt, dat gaat te ver.’’ Met dat bericht gingen de boodschappers terug naar Benhadad.

10Meteen liet Benhadad aan Achab weten: ‘Uw stad zal helemaal verwoest worden, er zal niets van overblijven! Mijn soldaten zullen niets mee naar huis kunnen nemen, zelfs niet een klein stukje steen. Anders mogen de goden me straffen.’ 11Achab antwoordde: ‘Zeg tegen Benhadad dat hij niet te vroeg moet juichen. Hij zal eerst moeten vechten, en dan moet hij ook nog winnen!’

12Op het moment dat Benhadad dat hoorde, zat hij met de andere koningen in de schaduw wijn te drinken. Meteen gaf hij zijn officieren het bevel om de stad aan te vallen. Die stelden hun soldaten op voor de strijd.

Er komt een profeet bij Achab

13Toen kwam er een profeet bij koning Achab met de volgende boodschap: ‘Dit zegt de Heer: ‘Achab, heb je al die soldaten gezien? Ik zal ervoor zorgen dat jij ze verslaat, vandaag nog. Zo zul je merken dat ik de Heer ben.’’

14Achab vroeg aan de profeet: ‘Maar hoe zal de Heer dat doen?’ De profeet antwoordde: ‘Daar zal hij de soldaten van de provinciebestuurders voor gebruiken.’ Toen vroeg Achab: ‘En wie zal er als eerste aanvallen?’ ‘U!’ zei de profeet.

15Toen werd het leger van de Israëlieten opgesteld. Achab telde eerst de soldaten van de provinciebestuurders. Dat waren er 232. Daarna alle andere soldaten. Dat waren er zevenduizend.

16-17Aan het begin van de middag kwam het leger van Israël in actie. De soldaten van de provinciebestuurders gingen voorop.

Benhadad wordt verslagen

Intussen zat Benhadad nog steeds in de schaduw wijn te drinken, samen met de 32 andere koningen. Ze hadden al zo veel op dat ze dronken waren.

Benhadad had een paar mannen in de richting van de stad Samaria gestuurd. Die kwamen hem vertellen dat er een groep soldaten de stad uit gekomen was. 18Benhadad zei: ‘Misschien komen ze om te praten, misschien komen ze om te vechten. In elk geval moeten jullie ze levend bij mij brengen.’

19Maar intussen was het hele leger van de Israëlieten de stad uit gekomen. 20De Israëlieten begonnen hun vijanden één voor één te doden. Toen vluchtten de Aramese soldaten, en de Israëlieten achtervolgden hen. Maar Benhadad ontsnapte op zijn paard, met een paar van zijn soldaten.

21Ten slotte kwam ook koning Achab de stad uit. Hij versloeg het hele leger van de Arameeërs, met al hun paarden en wagens.

22Na het gevecht kwam de profeet opnieuw bij koning Achab en zei: ‘U kunt nu weer naar huis gaan. Maar u moet zorgen dat uw leger sterker wordt. Maak een goed plan, want volgend voorjaar zal de koning van Aram u opnieuw aanvallen.’

Benhadad vraagt advies

23Toen koning Benhadad weer in Damascus was, vroeg hij zijn raadgevers om advies. Die zeiden tegen hem: ‘We hebben tegen de Israëlieten gevochten op een berg, en zij hebben ons verslagen. Dat komt doordat hun God een God van bergen is. In de bergen is hij machtig. Maar als we de Israëlieten aanvallen op een vlak stuk land, dan winnen we zeker!

24Verder moet u die 32 koningen wegsturen. Laat andere mannen hun gebieden besturen. 25En zorg voor een nieuw leger, even sterk als het vorige, en met evenveel paarden en wagens. Als we dan de Israëlieten aanvallen in een vlakte, zullen we hen zeker verslaan.’

Benhadad luisterde goed naar zijn raadgevers en deed wat ze gezegd hadden.

Benhadad wordt opnieuw verslagen

26Toen het weer voorjaar werd, ging Benhadad met zijn leger naar de stad Afek. Daar wilde hij opnieuw oorlog voeren tegen de Israëlieten.

27Achab had intussen het leger van de Israëlieten bij elkaar geroepen, en hij had gezorgd dat er genoeg voedsel was voor de soldaten. Toen gingen de Israëlieten ook naar Afek. Ze stelden zich in twee groepen op, tegenover hun vijanden. Maar het leek alsof ze maar met heel weinig waren. Want het leger van de Arameeërs was veel groter, het vulde de hele vlakte.

28Toen kwam de profeet opnieuw bij koning Achab, met de volgende boodschap: ‘Dit zegt de Heer: ‘De Arameeërs hebben gezegd dat ik een God ben van bergen, en niet van vlaktes. Daarom zal ik ervoor zorgen dat je al die soldaten verslaat. Zo zul je merken dat ik de Heer ben.’’

29Zeven dagen lang stonden de twee legers tegenover elkaar. Toen begon eindelijk het gevecht. De Israëlieten doodden honderdduizend Arameeërs op één dag. 30De soldaten die nog leefden, vluchtten naar de stad Afek. Daar stortte de stadsmuur in, zodat er nog eens 27.000 Arameeërs stierven.

Achab sluit vrede met Benhadad

Ook koning Benhadad was de stad in gevlucht. Hij had zich ergens in een huis verstopt. 31Zijn raadgevers zeiden tegen hem: ‘Luister, wij hebben gehoord dat de koningen van Israël goed zijn voor hun vijanden. Nu willen wij rouwkleren aantrekken en een touw om onze nek doen, om te laten zien dat we ons overgeven. Als we zo naar de koning van Israël gaan, zal hij u misschien in leven laten.’

32De raadgevers trokken rouwkleren aan en deden een touw om hun nek. Zo kwamen ze bij koning Achab. Ze zeiden: ‘Uw dienaar Benhadad vraagt of u hem in leven wilt laten.’ Koning Achab zei: ‘Leeft hij dan nog? Hij is een vriend van mij!’

33Dat vonden de mannen een goed teken. Ze geloofden Achab graag en zeiden: ‘Jazeker, Benhadad is een vriend van u!’ Toen zei Achab: ‘Ga hem halen!’ Benhadad kwam uit de stad naar Achab toe, en Achab liet hem bij zich op zijn wagen klimmen.

34Benhadad zei tegen Achab: ‘Ik zal u de steden in Israël teruggeven die mijn vader veroverd heeft. En u kunt een eigen markt openen in Damascus. Net zoals mijn vader dat vroeger gedaan heeft in Samaria.’

Achab antwoordde: ‘Als we dat officieel kunnen afspreken, zal ik u laten gaan.’ Zo sloot Achab een verdrag met Benhadad, en daarna liet hij hem gaan.

Een profeet waarschuwt Achab

35Toen zei één van de profeten uit Samaria tegen een andere profeet: ‘Geef me alsjeblieft een klap.’ Hij vroeg dat in opdracht van de Heer. Maar die andere profeet wilde hem niet slaan.

36Toen zei de eerste profeet: ‘Je hebt niet gedaan wat de Heer gezegd heeft. Daarom zul je onderweg aangevallen worden door een leeuw.’ De ander vertrok. Meteen kwam hij een leeuw tegen, en hij werd door die leeuw gedood.

37De profeet ging naar iemand anders toe, en vroeg hem: ‘Geef me alsjeblieft een klap.’ Toen sloeg die man hem zo hard dat hij bloedde. 38De profeet deed een doek om zijn hoofd als verband. Daardoor kon niemand hem herkennen. Zo ging hij langs de weg staan om op koning Achab te wachten.

39Toen de koning voorbijkwam, riep de profeet naar hem: ‘Heer, ik wil u iets vertellen! Ik was midden in een gevecht. Toen kwam er iemand naar mij toe met een gevangene. Hij zei dat ik die moest bewaken. ‘En als hij toch ontsnapt,’ zei hij, ‘dan zul jij in zijn plaats sterven. Of je moet me 30 kilo zilver betalen.’ 40Maar ik moest op heel veel dingen letten, en opeens was de gevangene verdwenen.’

De koning zei: ‘Het is je eigen schuld als je gestraft wordt.’ 41Snel trok de man de doek voor zijn gezicht weg. Toen zag de koning dat hij een profeet was.

42De profeet zei tegen de koning: ‘Ook u zult gestraft worden. Want de Heer wilde dat Benhadad zou sterven, maar u hebt hem laten gaan. Daarom zult u in zijn plaats sterven. En uw volk zal sterven in plaats van zijn volk.’

43Somber en kwaad ging koning Achab terug naar zijn paleis in Samaria.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]