Bijbel in Gewone Taal (BGT)
16

161Daarom gaf de Heer een opdracht aan de profeet Jehu, de zoon van Chanani. Jehu moest namens de Heer het volgende zeggen tegen koning Basa: 2‘Basa, jij had vroeger helemaal geen macht. Maar ik, de Heer, heb jou koning gemaakt van mijn volk Israël. En nu heb jij net zulke slechte dingen gedaan als Jerobeam. Daardoor is mijn volk mij ontrouw geworden. Ze hebben me beledigd met hun afgoden.

3Daarom zal ik jou en je familie vernietigen, net zoals ik de familie van Jerobeam vernietigd heb. 4Degenen die in de stad sterven, zullen opgegeten worden door de honden. En degenen die buiten op het veld sterven, zullen opgegeten worden door de vogels.’

5-7Dat was de boodschap van de Heer voor koning Basa en zijn familie. Want Basa had dingen gedaan die de Heer slecht vond, net zulke slechte dingen als Jerobeam en zijn familie. Daarmee had Basa de Heer beledigd. Bovendien had Basa de familie van Jerobeam gedood.

De dood van Basa

Alle andere verhalen over Basa en zijn overwinningen staan opgeschreven in de boeken over de koningen van Israël.

Toen Basa stierf, werd hij begraven in de stad Tirsa. Zijn zoon Ela volgde hem op.

Koning Ela van Israël

Ela wordt koning van Israël

8Ela werd koning van Israël toen Asa 26 jaar koning van Juda was. Ela regeerde twee jaar vanuit de stad Tirsa.

9Ela had een dienaar die Zimri heette. Zimri had de leiding over een deel van het leger. Hij maakte samen met anderen een plan om de koning te doden.

De dood van Ela

Op een keer was koning Ela in het huis van Arsa, de man die de leiding had in het paleis. Ela had zo veel wijn gedronken dat hij dronken was. 10Toen kwam Zimri het huis binnen en doodde Ela. Dat gebeurde toen Asa 27 jaar koning van Juda was.

Na de dood van Ela werd Zimri koning. 11-12Hij doodde meteen de hele familie van Ela, alle mannen en ook zijn vrienden. Er bleef niemand over om Zimri te straffen voor zijn misdaad.

Zo gebeurde wat de profeet Jehu al namens de Heer gezegd had over Basa, de vader van Ela. 13Want Basa en Ela hadden slechte dingen gedaan. En daardoor waren de Israëlieten ontrouw geworden aan de Heer, hun God. Ze hadden hem beledigd met hun afgoden.

14Alle andere verhalen over Ela staan opgeschreven in de boeken over de koningen van Israël.

Koning Zimri van Israël

Zimri wordt koning van Israël

15Zimri werd koning van Israël toen Asa 27 jaar koning van Juda was. Zimri regeerde zeven dagen vanuit de stad Tirsa.

In die tijd probeerde het leger van Israël de Filistijnse stad Gibbeton te veroveren. 16Maar toen hoorden de soldaten dat Zimri koning Ela vermoord had. Nog diezelfde dag kozen ze in het legerkamp hun leider Omri als koning.

17Omri en het hele leger gingen daar weg. Ze trokken naar Tirsa en vielen die stad aan.

Zimri sterft

18Toen Zimri zag dat het leger in de stad was, sloot hij zich op in het paleis. Hij stak het in brand, en hij stierf in de vlammen. 19Dat gebeurde omdat hij dingen gedaan had die de Heer slecht vond. Net als Jerobeam, door wie de Israëlieten ontrouw geworden waren aan de Heer.

20Alle andere verhalen over Zimri en over de moord op Ela staan opgeschreven in de boeken over de koningen van Israël.

Koning Omri van Israël

Omri wordt koning van Israël

21Na de dood van Zimri was het volk van Israël verdeeld in twee groepen. De ene helft wilde Tibni, de zoon van Ginat, als koning. De andere helft steunde Omri. 22De groep van Omri was het sterkst. Na de dood van Tibni werd Omri koning van het hele volk.

23Omri werd koning van Israël toen Asa 31 jaar koning van Juda was. Omri regeerde twaalf jaar, de eerste zes jaar vanuit de stad Tirsa.

24Daarna kocht hij een berg, van een man die Semer heette. Hij betaalde er 60 kilo zilver voor. Op die berg bouwde hij een stad voor zichzelf. Hij noemde die stad Samaria, naar Semer, de vorige eigenaar van de berg.

Omri is een slechte koning

25Omri deed dingen die de Heer slecht vond. Hij deed meer kwaad dan alle vroegere koningen van Israël. 26Hij deed net zulke slechte dingen als Jerobeam. Door Jerobeams slechte gedrag waren de Israëlieten ontrouw geworden aan de Heer, hun God. Zij beledigden hem met hun afgoden.

De dood van Omri

27Alle andere verhalen over Omri en zijn overwinningen staan opgeschreven in de boeken over de koningen van Israël.

28Toen Omri stierf, werd hij begraven in Samaria. Zijn zoon Achab volgde hem op.

Koning Achab van Israël

Achab wordt koning van Israël

29Achab werd koning van Israël toen Asa 38 jaar koning van Juda was. Achab regeerde 22 jaar vanuit de stad Samaria.

Achab is een slechte koning

30Achab deed dingen die de Heer slecht vond. Hij deed meer kwaad dan alle vroegere koningen van Israël. 31Hij deed net zulke slechte dingen als Jerobeam.

Maar hij maakte het nog veel erger. Want hij trouwde met Izebel, die een dochter was van Etbaäl, de koning van Sidon. En hij begon de god Baäl te vereren. 32Hij liet in Samaria een tempel bouwen voor Baäl, met een altaar om hem offers te brengen. 33Ook liet hij een heilige paal maken voor de godin Asjera.

Zo beledigde hij de Heer, de God van Israël. Hij beledigde hem nog erger dan alle vroegere koningen van Israël gedaan hadden.

Jericho wordt weer opgebouwd

34In de tijd van Achab werd de stad Jericho weer opgebouwd door Chiël, een man uit Betel.

Toen Chiël begon met de bouw van de stadsmuur, stierf zijn oudste zoon Abiram. En toen hij bijna klaar was met de poorten, stierf zijn jongste zoon Segub.

Zo gebeurde wat Jozua, de zoon van Nun, vroeger namens de Heer over Jericho gezegd had.

17

De profeet Elia

Elia vlucht voor Achab

171Er kwam een profeet bij koning Achab. Hij heette Elia, en hij kwam uit het dorp Tisbe, dat in het gebied Gilead ligt. Elia zei tegen Achab: ‘Ik ben een profeet van de Heer, de God van Israël. Luister goed naar mij! De komende jaren zal het niet regenen, behalve als ik het zeg. Dat is zo zeker als de Heer leeft.’

2De Heer gaf Elia de volgende opdracht: 3‘Je moet hier weggaan! Ga naar het oosten en verberg je bij de rivier de Kerit, aan de overkant van de Jordaan. 4Je kunt water drinken uit de rivier. En ik heb de raven opdracht gegeven om je daar eten te brengen.’

5Elia deed wat de Heer tegen hem gezegd had. Hij ging naar de rivier de Kerit. 6Elke ochtend en elke avond brachten de raven hem brood en vlees. En hij dronk water uit de rivier.

Elia gaat naar Sarefat

7Maar al gauw was er geen water meer in de rivier, omdat er geen regen viel in het land. 8Toen zei de Heer tegen Elia: 9‘Ga naar de stad Sarefat, in de buurt van Sidon, en blijf daar voorlopig. Er woont daar een weduwe bij wie je kunt logeren. Ik heb haar gezegd dat ze voor jou moet zorgen.’

10Elia ging naar Sarefat. Toen hij vlak bij de stadspoort was, zag hij daar een weduwe die hout aan het zoeken was. Hij riep haar en vroeg: ‘Wilt u een beetje water voor me halen, zodat ik iets kan drinken?’ 11Toen ze wegliep, riep Elia: ‘En neemt u dan ook een stuk brood voor me mee!’

12Maar de vrouw antwoordde: ‘Ik heb helemaal niets meer in huis. Alleen nog wat meel in een pot, en een restje olijfolie in een kruik. Ik heb een paar takken bij elkaar gezocht voor een vuur. Nu kan ik nog net iets te eten maken voor mij en mijn zoon. Maar als dat op is, zullen we doodgaan van de honger. Dat is zo zeker als de Heer, uw God, leeft!’

13Toen zei Elia tegen haar: ‘Maakt u zich geen zorgen. Ga naar huis en doe wat u van plan was. Maar bak eerst wat brood voor mij en breng me dat. Dan kunt u daarna iets klaarmaken voor uzelf en uw zoon. 14Want er zal steeds genoeg meel en olie zijn, ook al valt er nog geen regen op het land. Dat heeft de Heer, de God van Israël, beloofd.’

15De vrouw ging naar huis en deed wat Elia gezegd had. Zijzelf, de mensen in haar huis en Elia hadden elke dag genoeg te eten. 16De pot met meel raakte niet leeg, en er zat altijd olie in de kruik. Zo had de Heer het beloofd en zo had Elia het gezegd.

Elia en de zoon van de weduwe

17Korte tijd later werd de zoon van de vrouw ziek. Hij werd zo ziek dat hij stierf. 18De vrouw zei tegen Elia: ‘Profeet, wat doet u mij aan? Bent u naar mij toe gekomen om te laten zien hoe slecht ik ben? Bent u hier om mijn zoon te laten sterven?’

19‘Geef uw zoon maar aan mij,’ antwoordde Elia. Hij tilde de jongen van haar schoot en droeg hem naar boven, naar de kamer waar hij logeerde. Daar legde hij hem op het bed.

20Elia riep naar de Heer: ‘Heer, mijn God, deze vrouw heeft mij als gast ontvangen. Waarom doet u nu juist haar kwaad? Waarom hebt u haar zoon laten sterven?’ 21Toen ging hij drie keer languit boven op de jongen liggen. En hij riep naar de Heer: ‘Heer, mijn God, laat het leven toch terugkomen in deze jongen, laat hem leven!’ 22De Heer luisterde naar het gebed van Elia, en het leven kwam terug in de jongen.

23Toen tilde Elia de jongen op en droeg hem naar beneden. Hij gaf hem aan zijn moeder terug en zei: ‘Kijk, uw zoon leeft!’ 24En de vrouw zei tegen Elia: ‘Nu weet ik zeker dat u door God gestuurd bent, en dat u namens hem spreekt.’

18

De Heer stuurt Elia naar koning Achab

181Het had al meer dan twee jaar niet geregend in Israël. Toen gaf de Heer opnieuw een opdracht aan de profeet Elia. Hij zei tegen hem: ‘Je moet naar koning Achab gaan, om te zeggen dat het land weer regen zal krijgen.’

2Toen ging Elia op weg naar koning Achab.

Achab en Obadja zoeken eten voor hun dieren

Er was grote hongersnood in de stad Samaria. 3Daarom liet koning Achab zijn dienaar Obadja bij zich komen, die de leiding had in het paleis.

Obadja had veel eerbied voor de Heer. 4In de tijd dat koningin Izebel de profeten van de Heer had laten doden, had Obadja honderd van die profeten gered. Hij had hen in twee grotten verstopt, vijftig profeten in elke grot. Obadja had ervoor gezorgd dat ze genoeg te eten en te drinken hadden.

5Achab zei tegen Obadja: ‘Onze paarden en ezels hebben niet genoeg te eten. Laten we daarom gaan kijken bij alle bronnen en rivieren in het land. Als we daar gras vinden, kunnen we onze dieren in leven houden en hoeven we ze niet te doden.’

6Achab en Obadja verdeelden het land in tweeën. Achab ging de ene kant op, Obadja de andere kant.

Obadja komt Elia tegen

7Terwijl Obadja onderweg was, kwam hij opeens Elia tegen. Toen hij de profeet herkende, maakte hij een diepe buiging. Hij zei: ‘Bent u het, Elia? Bent u het echt?’

8‘Jazeker,’ zei Elia. ‘Ga naar je meester toe om te zeggen dat ik naar hem op weg ben.’

9‘Doe me dat alstublieft niet aan!’ antwoordde Obadja. ‘U wilt toch niet dat Achab mij doodt? 10Mijn meester heeft overal naar u laten zoeken, in elk land, bij elk volk. Dat is zo zeker als de Heer, uw God, leeft! En steeds zeiden de mensen dat u daar niet was. Dan moesten ze plechtig verklaren dat ze u niet konden vinden.

11En nu moet ik aan mijn meester gaan vertellen dat u hier bent! 12Als ik dat doe, wordt u natuurlijk meegenomen door de geest van de Heer. Dan weet ik niet meer waar u bent. En als mijn meester u dan niet kan vinden, zal hij mij doden.

Ik heb altijd veel eerbied gehad voor de Heer, mijn hele leven lang. 13Hebt u niet gehoord wat ik gedaan heb toen Izebel alle profeten van de Heer wilde doden? Ik heb honderd profeten verstopt! Vijftig in één grot, en nog eens vijftig in een andere grot. En ik heb ervoor gezorgd dat ze te eten en te drinken hadden. 14En nu moet ik aan mijn meester gaan vertellen dat u hier bent? Dan zal hij me zeker doden.’

15Maar Elia antwoordde: ‘Ik doe wat de Heer zegt, ik ga vandaag naar Achab toe. Dat is zo zeker als de machtige Heer leeft!’

16Toen ging Obadja naar koning Achab om hem te vertellen dat Elia eraan kwam.

Elia spreekt met koning Achab

Achab ging Elia tegemoet. 17Toen hij hem zag, riep hij: ‘Daar ben je dus, Elia! Wat een ellende heb jij in Israël gebracht!’

18‘Nee,’ antwoordde Elia. ‘Dat hebt u zelf gedaan, samen met uw familie. Want u bent ongehoorzaam geweest aan de Heer, en u bent de god Baäl gaan vereren.

19Nu moet u het volgende doen: Laat het hele volk naar mij toe komen op de berg Karmel. En ook alle 450 profeten van de god Baäl, en de vierhonderd profeten van de godin Asjera. Al die profeten die te eten en te drinken krijgen in het paleis van koningin Izebel.’

Het volk moet kiezen: de Heer of Baäl

20Achab deed wat Elia zei. Hij liet de Israëlieten en de profeten bij elkaar komen op de berg Karmel. 21Daar zei Elia tegen het volk: ‘Hoe lang gaat het nog duren voordat jullie een keus maken? Als de Heer de ware God is, kies dan voor de Heer. Als het Baäl is, kies dan voor Baäl.’

Het volk gaf Elia geen antwoord. 22Toen zei Elia tegen hen: ‘Ik ben de enige profeet van de Heer die nog over is. En er zijn hier 450 profeten van Baäl.

23Jullie moeten ons twee stieren brengen. De profeten van Baäl mogen er één uitkiezen. Die moeten ze in stukken snijden en op een stapel hout leggen. Maar ze mogen het hout niet in brand steken. Ik zal zelf de andere stier slachten en op een stapel hout leggen. En ook ik zal het hout niet in brand steken. 24Dan moeten de profeten van Baäl tot hun god bidden, en ik zal bidden tot de Heer. De god die antwoord geeft, dat is de ware God.’

Dat vond iedereen een goed voorstel.

Baäl geeft geen antwoord

25Elia zei tegen de profeten van Baäl: ‘Jullie zijn met een grote groep, beginnen jullie maar. Kies één van deze twee stieren uit, en maak die klaar voor het offer. Bid dan tot jullie god, maar steek het hout niet in brand.’

26Dat deden de profeten van Baäl. Ze kozen een stier uit, en maakten die klaar voor het offer. En toen begonnen ze te bidden: ‘Baäl, geef ons antwoord!’ Ze bleven de hele ochtend bidden, en ze dansten om de houtstapel heen. Maar er kwam geen antwoord.

27Toen de ochtend voorbij was, begon Elia hen uit te dagen. Hij zei: ‘Baäl is toch jullie god? Jullie moeten harder roepen! Misschien zit hij na te denken, of misschien is hij met iets anders bezig. Of hij is op reis gegaan. Misschien slaapt hij wel, dan moeten jullie hem wakker maken!’

28De profeten van Baäl riepen steeds harder. En ze sneden zichzelf met messen en zwaarden, zoals ze altijd deden als ze offers brachten. Het bloed stroomde over hun lijf. 29En ze bleven maar dansen en schreeuwen.

Het werd steeds later, de middag was al half voorbij. Maar het bleef stil, er kwam geen antwoord. Baäl hoorde niets.

Elia brengt een offer aan de Heer

30Toen zei Elia dat de Israëlieten dichterbij moesten komen. Dat deden ze.

Elia bouwde een altaar voor de Heer, want het oude altaar was verwoest. 31Hij pakte twaalf stenen, omdat er twaalf stammen van Israël waren. Want de Israëlieten stamden af van de twaalf zonen van Jakob, die van de Heer de naam Israël kreeg.

32Met die twaalf stenen bouwde Elia het altaar voor de Heer. Om het altaar heen groef hij een lange, diepe geul. 33Hij stapelde het hout op, sneed de stier in stukken en legde het vlees op het hout. 34Toen zei hij: ‘Vul vier kruiken met water, en giet het water over het offer en het hout heen.’ Dat gebeurde drie keer. 35Het water stroomde over het altaar heen, en ook de geul kwam vol water te staan.

36De middag was intussen bijna voorbij. Elia ging bij het altaar staan en zei: ‘Heer, God van Abraham, Isaak en Jakob! Laat nu zien dat u de ware God van Israël bent, en dat ik uw dienaar ben. Ik doe deze dingen omdat u het wilt. 37Geef mij antwoord, Heer, geef antwoord! Dan zal dit volk begrijpen dat u de ware God bent. En dat ze weer naar u moeten luisteren.’

De Heer neemt het offer van Elia aan

38Toen stuurde de Heer vuur uit de hemel. Door dat vuur verbrandde het vlees van de stier, en ook het hout en de stenen verbrandden. Zelfs de as verdween, en ook het water in de geul. 39Toen de Israëlieten dat zagen, knielden ze op de grond. Ze riepen: ‘De Heer is de ware God, de Heer is de ware God!’

40Toen zei Elia tegen de Israëlieten: ‘Grijp de profeten van Baäl! Laat ze niet ontsnappen!’ De profeten werden gevangengenomen, en Elia liet hen naar het Kison-dal brengen. Daar liet hij hen doden.

De Heer laat het regenen

41Daarna zei Elia tegen koning Achab: ‘Ga nu snel iets eten en drinken. Want ik hoor de regen al komen.’ 42Achab ging weg om iets te eten en te drinken.

Elia zelf ging naar de top van de berg Karmel. Hij knielde op de grond en legde zijn hoofd tussen zijn knieën. 43Hij zei tegen zijn knecht: ‘Ga jij eens naar een plek toe waar je de zee kunt zien. En kom me dan vertellen wat je ziet.’ De knecht ging kijken, kwam terug en zei: ‘Ik zie niets bijzonders.’ Elia zei: ‘Ga nog maar eens.’ Dat gebeurde zo zeven keer.

44Bij de zevende keer zei de knecht: ‘Nu zie ik een klein wolkje boven de zee, niet groter dan een hand.’ Toen zei Elia: ‘Ga Achab waarschuwen! Zeg tegen hem dat hij snel met zijn wagen de berg af moet rijden. Anders lukt het niet meer door de harde regen!’

45Meteen werd de lucht helemaal zwart. Het ging heel hard waaien en regenen. Achab klom op zijn wagen en reed weg naar de stad Jizreël.

46Toen voelde Elia dat de Heer hem kracht gaf. Elia trok zijn mantel een stuk omhoog en rende voor Achab uit, tot vlak bij Jizreël.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]