Bijbel in Gewone Taal (BGT)
13

131Net toen hij wilde gaan offeren, kwam er een profeet naar het altaar toe. De Heer had die profeet uit Juda naar Betel gestuurd.

2In opdracht van de Heer begon de profeet tegen het altaar te praten. Hij riep: ‘Altaar, altaar, luister! Dit zegt de Heer: ‘In de familie van David zal een jongen geboren worden die Josia heet. Luister, altaar! Nu nog brengen priesters van de offerplaatsen offers op jou. Maar Josia zal die priesters doden en ze zelf hier op jou offeren. Er zullen botten van mensen op jou verbrand worden!’

3Ik zeg dit namens de Heer. En als bewijs daarvan zal het volgende wonder gebeuren: het altaar zal in tweeën breken, en de as die erop ligt, zal op de grond vallen.’

4Koning Jerobeam hoorde wat de profeet zei. Hij wees naar hem over het altaar heen en zei: ‘Grijp hem!’ Maar zijn arm werd stijf, hij kon hem niet meer buigen.

5Op datzelfde moment brak het altaar in tweeën, en de as viel op de grond. Precies zoals de profeet namens de Heer gezegd had.

Jerobeam vraagt de profeet om hulp

6Toen zei de koning tegen de profeet: ‘Alstublieft, zorg ervoor dat de Heer, uw God, niet boos op mij blijft. Bid voor mij, zodat ik mijn arm weer kan buigen!’

Dat deed de profeet, en zijn gebed zorgde ervoor dat de Heer niet meer boos was. De koning kon zijn arm weer buigen, net als daarvoor.

De profeet gaat niet met Jerobeam mee

7Daarna zei de koning tegen de profeet: ‘Kom mee naar mijn huis. Daar kunt u wat eten en drinken. En ik zal u ook een geschenk geven.’ 8Maar de profeet zei: ‘Ik ga niet mee, ook al geeft u mij de helft van uw bezit. Ik zal in deze stad niets eten en drinken. 9Want de Heer heeft tegen me gezegd: ‘Je mag hier niets eten en drinken. En je moet teruggaan langs een andere weg dan waarlangs je gekomen bent.’’

10Daarom ging de profeet een andere kant op. Hij ging langs een andere weg terug.

De profeet is toch ongehoorzaam

11In die tijd woonde er in Betel een oude profeet. Zijn zonen kwamen hem vertellen wat er die dag gebeurd was. En wat de profeet uit Juda tegen de koning gezegd had.

12De oude profeet vroeg: ‘Welke kant is hij op gegaan?’ Zijn zonen legden hem dat uit. 13Toen zei de oude profeet tegen hen: ‘Haal mijn ezel.’ Dat deden ze. De oude profeet ging op de ezel zitten en reed weg.

14Hij ging de profeet uit Juda achterna. Hij zag hem zitten onder een eikenboom, en vroeg hem: ‘Ben jij de profeet uit Juda?’ ‘Ja,’ zei de ander, ‘dat ben ik.’ 15Toen zei de oude profeet: ‘Kom mee naar mijn huis in Betel, dan krijg je wat te eten.’ 16De profeet uit Juda antwoordde: ‘Nee, ik ga niet met je mee. Ik wil hier niets eten of drinken. 17Want de Heer heeft me dat verboden. En hij heeft gezegd dat ik niet langs dezelfde weg terug mag gaan.’

18Toen zei de oude profeet: ‘Ik ben ook een profeet, net als jij. Een engel heeft namens de Heer tegen mij gezegd: ‘Neem deze man mee naar huis, en geef hem wat te eten en te drinken.’’ Maar dat was een leugen.

19Toen ging de profeet uit Juda toch mee om iets te eten en te drinken.

De Heer straft de profeet uit Juda

20De twee profeten zaten aan tafel. Toen begon de oude profeet in opdracht van de Heer te spreken. 21Hij zei tegen de profeet uit Juda: ‘Je hebt niet gedaan wat de Heer, je God, tegen je gezegd heeft. Je hebt niet naar hem geluisterd. 22Want je bent met mij teruggegaan langs dezelfde weg als waarlangs je gekomen bent. En je hebt hier in Betel gegeten en gedronken. Daarom zul je na je dood niet bij je familie begraven worden.’

23Na de maaltijd liet de oude profeet een ezel brengen voor de profeet uit Juda. 24Op die ezel ging de profeet uit Juda weg uit Betel. Maar onderweg werd hij aangevallen door een leeuw. De leeuw doodde hem, en zijn lichaam bleef op de weg liggen. De leeuw en de ezel bleven ernaast staan.

25Toen kwamen er mensen langs. Ze zagen het lichaam op de weg liggen, en ze zagen de leeuw erbij staan. Ze vertelden erover in Betel, waar de oude profeet woonde. 26Die hoorde het verhaal, en zei: ‘Dat moet het lichaam zijn van de profeet die niet naar de Heer geluisterd heeft. Daarom heeft de Heer een leeuw gestuurd om hem te doden. Precies zoals hij gezegd had.’

De profeet uit Juda wordt begraven

27De oude profeet zei tegen zijn zonen: ‘Ga mijn ezel halen.’ Dat deden ze. 28De oude profeet ging op weg en kwam bij het lichaam van de profeet uit Juda. De leeuw en de ezel stonden er nog steeds bij. De leeuw had het lichaam niet opgegeten, en hij had de ezel niets gedaan.

29Toen tilde de oude profeet het lichaam op. Hij legde het op de ezel en bracht het terug naar Betel. Daar wilde hij rouwen om de dode profeet, en zijn lichaam begraven. 30Hij legde het in zijn eigen graf. Iedereen rouwde en klaagde met hem mee. Ze zongen het klaaglied: ‘Ach, mijn broer, mijn broer!’

31Na de begrafenis zei de oude profeet tegen zijn zonen: ‘Als ik sterf, begraaf me dan in dit graf, naast deze profeet. Leg mijn lichaam naast dat van hem. 32Het zal allemaal gebeuren, alles wat de profeet namens de Heer gezegd heeft over het altaar in Betel. En over de andere tempels en offerplaatsen in de steden van Samaria.’

Jerobeam blijft slechte dingen doen

33Maar ook na die gebeurtenissen bleef Jerobeam slechte dingen doen. Hij bleef zelf priesters uitkiezen voor de offerplaatsen. Hij maakte iedereen priester die dat wilde.

34Ook de nakomelingen van Jerobeam bleven met die slechte dingen doorgaan. Daarom werden ze uiteindelijk allemaal gedood. Er bleef niemand meer over.

14

Jerobeam wordt gestraft

Jerobeams zoon Abia wordt ziek

141In die tijd werd Abia, de zoon van Jerobeam, ziek. 2-3Jerobeam zei tegen zijn vrouw: ‘Sta op en trek andere kleren aan. Zorg dat de mensen je niet herkennen als mijn vrouw. Neem tien broden mee, een paar koeken en een pot honing. Ga dan naar de stad Silo, naar de profeet Achia. Hij heeft vroeger tegen mij gezegd dat ik koning zou worden van het volk. Hij kan je vertellen hoe het verder zal gaan met onze zoon.’

Jerobeams vrouw gaat naar Achia

4De vrouw van Jerobeam deed wat haar man gezegd had. Ze ging naar Silo. Daar kwam ze bij het huis van de profeet Achia.

Achia was al erg oud, en hij kon niet meer zien. 5De Heer had tegen hem gezegd: ‘De vrouw van Jerobeam komt je iets vragen over haar zieke zoon. Ze heeft kleren aan waarmee ze niet herkend wil worden.’ En de Heer zei tegen Achia wat hij tegen de vrouw van Jerobeam moest zeggen.

Achia voorspelt wat er gaat gebeuren

6Toen Achia de vrouw bij de deur hoorde aankomen, zei hij: ‘Kom binnen, vrouw van Jerobeam! Waarom wilt u niet herkend worden?

Ik heb een slecht bericht voor u. 7U moet naar Jerobeam teruggaan en tegen hem zeggen: ‘Dit zegt de Heer, de God van Israël: ‘Jerobeam, ik heb jou uitgekozen uit het volk. Ik heb jou koning van Israël gemaakt. 8Ik heb ervoor gezorgd dat jij hier koning bent in plaats van één van Davids zonen. Maar jij bent niet zo gehoorzaam als mijn dienaar David. David deed wat ik wilde. Hij hield zich aan mijn wetten, met zijn hele hart. 9Maar jij bent je eigen weg gegaan, je deed meer kwaad dan alle vroegere koningen. Je hebt beelden van andere goden gemaakt, en die ben je gaan vereren. Daarmee heb je mij beledigd, je bent mij ontrouw geworden.

10Daarom zal ik ongeluk brengen in jouw familie. Alle mannen in je familie zal ik doden, iedereen, jong en oud. Ik zal je familie wegdoen als afval. Er zal niemand meer overblijven. 11De mannen die in de stad sterven, zullen opgegeten worden door de honden. En de mannen die buiten op het veld sterven, zullen opgegeten worden door de vogels.’

Dat heeft de Heer gezegd.’’

Achia stuurt Jerobeams vrouw naar huis

12Verder zei Achia: ‘U moet nu teruggaan naar huis. Zodra u thuiskomt, zal uw zoon sterven. 13Het hele volk van Israël zal om hem rouwen, en ze zullen hem begraven. Hij is de enige van de hele familie van Jerobeam die een graf zal krijgen. Want hij is de enige in wie de Heer, de God van Israël, nog iets goeds ziet.

14Vandaag nog zal de Heer iemand anders koning maken. En die nieuwe koning zal de hele familie van Jerobeam doden.

15De Heer zal de Israëlieten streng straffen. Hij zal hen wegsturen uit dit goede land, het land dat hij aan hun voorouders gegeven heeft. Hij zal hen wegjagen tot voorbij de rivier de Eufraat. Want ze hebben de godin Asjera vereerd. En daarmee hebben ze de Heer beledigd.

16De Heer zal de Israëlieten in de steek laten. Want Jerobeam is de Heer ontrouw geworden, en daardoor zijn de Israëlieten ook ontrouw geworden.’

De zoon van Jerobeam sterft

17Toen vertrok de vrouw van Jerobeam. Ze ging terug naar de stad Tirsa. Zodra ze thuiskwam, stierf haar zoon. 18De jongen werd begraven, en het hele volk van Israël rouwde om hem. Precies zoals de profeet Achia namens de Heer gezegd had.

De dood van Jerobeam

19Er is nog meer te vertellen over de tijd dat Jerobeam koning was, en over de oorlogen die hij gevoerd heeft. Dat is allemaal opgeschreven in de boeken over de koningen van Israël.

20Jerobeam was 22 jaar koning. Toen stierf hij. Zijn zoon Nadab volgde hem op.

Rechabeam is koning van het zuiden

Rechabeam is koning van Juda

21Rechabeam, de zoon van Salomo, was in die tijd koning van het land Juda. Hij was 41 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde zeventien jaar vanuit Jeruzalem, de stad die de Heer uit alle steden in Israël als woonplaats uitgekozen had.

Rechabeams moeder heette Naäma. Ze kwam uit het land Ammon.

Het volk doet kwaad

22Het volk van Juda deed dingen die de Heer slecht vond. Met hun slechte gedrag maakten ze de Heer boos. Ze maakten hem nog bozer dan hun voorouders gedaan hadden.

23Net als hun voorouders bouwden ze overal offerplaatsen, op elke heuvel en onder iedere groene boom. Daar zetten ze heilige palen en heilige stenen neer. 24Overal in het land werkten mensen bij de offerplaatsen.

Het volk deed net zulke afschuwelijke dingen als de volken die de Heer vroeger uit het land weggejaagd had.

Farao Sisak verovert Jeruzalem

25Toen Rechabeam vijf jaar koning was, viel farao Sisak met zijn leger Jeruzalem aan. 26Hij roofde alle heilige voorwerpen uit de tempel en alle kostbare spullen uit het paleis. Ook nam hij alle gouden schilden mee die Salomo had laten maken.

27Toen liet koning Rechabeam nieuwe schilden maken van brons. Hij gaf ze aan de soldaten die het paleis bewaakten. 28Steeds als de koning naar de tempel kwam, namen de soldaten de schilden mee naar de tempel. En daarna brachten ze de schilden weer naar het paleis.

De dood van Rechabeam

29Alle andere verhalen over Rechabeam staan opgeschreven in de boeken over de koningen van Juda.

30Er was voortdurend oorlog tussen Rechabeam en Jerobeam.

31Toen Rechabeam stierf, werd hij bij zijn voorouders begraven in het oude deel van Jeruzalem. Zijn moeder heette Naäma, en ze kwam uit het land Ammon. Zijn zoon Abiam volgde hem op.

15

Koning Abiam van Juda

Abiam wordt koning van Juda

151Abiam werd koning van Juda toen Jerobeam, de zoon van Nebat, achttien jaar koning van Israël was. 2Abiam regeerde drie jaar vanuit Jeruzalem. Zijn moeder heette Maächa. Zij was een dochter van Abisalom.

Abiam is een slechte koning

3Abiam deed net zulke slechte dingen als zijn vader Rechabeam. Hij diende de Heer, zijn God, niet zo trouw als zijn voorvader David gedaan had. 4Maar toch gaf de Heer aan Abiam een zoon die hem kon opvolgen. Want er moest altijd een nakomeling van David koning zijn in Jeruzalem. Dat had de Heer aan David beloofd. 5Want David had steeds gedaan wat de Heer wilde. Hij was altijd gehoorzaam geweest aan de Heer, behalve in de zaak van de Hethiet Uria.

De dood van Abiam

6-7Net als zijn vader Rechabeam voerde Abiam voortdurend oorlog tegen Jerobeam.

Alle andere verhalen over Abiam staan opgeschreven in de boeken over de koningen van Juda.

8Toen Abiam stierf, werd hij begraven in het oude deel van Jeruzalem. Zijn zoon Asa volgde hem op.

Koning Asa van Juda

Asa wordt koning van Juda

9Asa werd koning van Juda toen Jerobeam twintig jaar koning van Israël was. 10Asa regeerde 41 jaar vanuit Jeruzalem. Hij was een kleinzoon van Maächa, de dochter van Abisalom.

Asa is een goede koning

11Asa deed wat de Heer wilde, net als zijn voorvader David. 12Hij jaagde de mensen die bij de offerplaatsen werkten, weg uit het land. En hij liet alle godenbeelden weghalen die zijn voorouders gemaakt hadden.

13Ook zorgde hij ervoor dat zijn grootmoeder Maächa niet langer koningin genoemd mocht worden. Want zij had een beeld laten maken van de godin Asjera. Asa liet dat beeld in stukken slaan, en daarna liet hij het verbranden in het Kidron-dal.

14De offerplaatsen zelf verdwenen niet, maar Asa bleef zijn leven lang trouw aan de Heer.

15Hij liet goud, zilver en andere dingen naar de tempel brengen. Dat waren geschenken voor de Heer, van zijn vader en van hemzelf.

Asa voert oorlog tegen Basa

16Koning Asa van Juda en koning Basa van Israël waren voortdurend met elkaar in oorlog. 17Basa viel met zijn leger het land Juda aan. Hij veroverde de stad Rama en versterkte die. Zo zorgde hij ervoor dat niemand het gebied van koning Asa in of uit kon gaan.

18Toen liet Asa al het goud en zilver uit de tempel en het paleis halen. Hij gaf het aan zijn dienaren mee om het naar de stad Damascus te brengen. Daar moesten ze het aan Benhadad geven, de koning van Aram. Benhadad was een zoon van Tabrimmon en een kleinzoon van Chezjon.

De dienaren moesten namens Asa tegen Benhadad zeggen: 19‘Onze vaders hielpen elkaar. Laten wij dat ook doen! Kijk, ik geef u goud en zilver als geschenk. En ik vraag u: Steun koning Basa van Israël niet langer, maar steun mij. Dan zal Basa zich terugtrekken uit mijn land.’

20Benhadad deed wat Asa hem vroeg. Hij gaf zijn legerleiders het bevel om de steden van Israël aan te vallen. Ze veroverden Ijjon, Dan, Abel-Bet-Maächa, het hele gebied van Kinneret en het hele gebied Naftali.

21Toen koning Basa dat hoorde, stopte hij met de bouw van de muur om Rama. Hij ging terug naar de stad Tirsa.

22Koning Asa liet de muur om Rama helemaal afbreken. Alle mensen uit Juda moesten meehelpen. De stenen en het hout van de muur gebruikte hij voor de muren van twee andere steden: Geba en Mispa, in het gebied Benjamin.

De dood van Asa

23Alle andere verhalen over Asa staan opgeschreven in de boeken over de koningen van Juda. Ook de verhalen over zijn overwinningen, en over de steden die hij versterkte.

Toen Asa oud was, kon hij niet goed meer lopen. 24Na zijn dood werd hij bij zijn voorouders begraven in het oude deel van Jeruzalem. Zijn zoon Josafat volgde hem op.

Koning Nadab van Israël

Nadab wordt koning van Israël

25Toen Asa twee jaar koning van Juda was, werd Nadab koning van Israël. Nadab was een zoon van Jerobeam. Hij regeerde twee jaar over Israël.

Nadab is een slechte koning

26Nadab deed dingen die de Heer slecht vond. Net als zijn vader Jerobeam, door wie de Israëlieten ontrouw geworden waren aan de Heer.

De dood van Nadab

27Basa, de zoon van Achia, uit het gebied Issachar, wilde koning Nadab doden. Daarvoor maakte hij samen met anderen een plan. Hij doodde Nadab toen die met zijn leger de Filistijnse stad Gibbeton aanviel. 28-29Op dat moment was Asa drie jaar koning van Juda.

Toen werd Basa koning van Israël. En meteen liet hij alle andere familieleden van Jerobeam doden. Geen enkele nakomeling van Jerobeam bleef in leven, allemaal werden ze gedood.

Zo gebeurde wat de profeet Achia uit Silo al namens de Heer gezegd had. 30Want Jerobeam had slechte dingen gedaan. Daarmee had hij de Heer, de God van Israël, beledigd. En daardoor waren de Israëlieten ontrouw geworden aan de Heer.

31Alle andere verhalen over Nadab staan opgeschreven in de boeken over de koningen van Israël.

Koning Basa van Israël

Basa wordt koning van Israël

32-33Basa werd koning van Israël toen Asa drie jaar koning van Juda was. Basa was een zoon van Achia. Hij regeerde 24 jaar vanuit de stad Tirsa.

Koning Basa en koning Asa waren voortdurend met elkaar in oorlog.

Basa is een slechte koning

34Basa deed dingen die de Heer slecht vond. Net als koning Jerobeam, door wie de Israëlieten ontrouw geworden waren aan de Heer.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]