Bijbel in Gewone Taal (BGT)
11

Salomo is ontrouw aan de Heer

Salomo heeft buitenlandse vrouwen

111-4De Heer had tegen de Israëlieten gezegd: ‘Er mogen geen huwelijken zijn tussen jullie en de andere volken. Want anders gaan jullie hun goden vereren.’ Maar koning Salomo vond juist buitenlandse vrouwen aantrekkelijk. Hij had zevenhonderd vrouwen, en verder nog driehonderd bijvrouwen. Hij was niet alleen getrouwd met de dochter van de farao, maar hij had ook vrouwen uit Moab, uit Ammon, uit Edom en uit Sidon, en Hethitische vrouwen.

Salomo gaat andere goden vereren

Door al die vrouwen dacht Salomo steeds minder aan de Heer. Toen hij oud was, diende hij de Heer niet meer zo trouw als zijn vader David gedaan had. Salomo begon ook andere goden te vereren. 5Hij begon Astarte te vereren, de godin van het volk van Sidon. En hij ging Milkom vereren, de afschuwelijke god van het volk van Ammon.

6Salomo deed dingen die de Heer slecht vond. Hij was niet trouw aan de Heer, zoals zijn vader David. 7Hij liet een offerplaats maken voor Kemos, de afschuwelijke god van het volk van Moab. En hij liet een offerplaats maken voor Milkom, de afschuwelijke god van het volk van Ammon. Die offerplaatsen waren op een heuvel in de buurt van Jeruzalem.

8Salomo liet offerplaatsen maken voor al zijn buitenlandse vrouwen, zodat ze offers konden brengen aan hun goden.

De Heer wordt boos op Salomo

9Toen werd de Heer boos op Salomo. Want Salomo was niet langer trouw aan de Heer, de God van Israël. En de Heer had toch twee keer in een droom tegen hem gesproken. 10Hij had hem in die dromen verboden om andere goden te vereren. Maar Salomo hield zich daar niet aan.

11Toen zei de Heer tegen Salomo: ‘Jij hebt je niet gehouden aan onze afspraak. Je hebt je niet gehouden aan de regels die ik je gegeven heb. Daarom zal ik ervoor zorgen dat jouw zonen geen koning van Israël meer zullen zijn. Iemand anders zal koning worden, één van je eigen dienaren. 12Maar dat zal pas gebeuren na je dood, omdat ik een belofte gedaan heb aan je vader David. Het zal gebeuren als je zoon koning is. 13Dan zal ik het hele koninkrijk van hem afnemen, behalve één gebied, waar Jeruzalem ligt. Dat ene gebied mogen je nakomelingen houden, omdat je vader David mij trouw gediend heeft. En omdat ik Jeruzalem als mijn stad uitgekozen heb.’

Salomo’s vijanden

De eerste vijand: Hadad

14Toen zorgde de Heer ervoor dat Salomo vijanden kreeg. Eén van hen was Hadad, een zoon van de koning van Edom.

15-16Jaren geleden hadden de Israëlieten oorlog gevoerd tegen Edom. Joab, de legerleider van David, had toen in Edom de gedode soldaten van Israël begraven. Joab was met zijn leger zes maanden in Edom gebleven. En in die zes maanden hadden ze alle mannen uit Edom gedood, alle mannen en jongens die ze maar tegenkwamen.

17Maar Hadad, die toen nog een kind was, was ontsnapt. Hij was gevlucht, samen met enkele dienaren van zijn vader.

Hadad komt bij de farao in Egypte

18Hadad en de dienaren waren via Midjan naar de woestijn van Paran gereisd. Vanaf daar gingen er nog meer mensen met hen mee. Zo kwamen ze aan in Egypte, bij de farao. De farao gaf hun een huis en een stuk land. En hij zorgde ervoor dat ze genoeg te eten hadden.

19De farao zag Hadad als een goede vriend. Daarom liet hij hem trouwen met de zus van zijn vrouw Tachpenes.

20Hadad en zijn vrouw kregen een zoon, die ze Genubat noemden. Koningin Tachpenes haalde de jongen bij haar zus weg. En ze voedde hem op in het paleis, samen met de zonen van de farao.

Hadad wil terug naar Edom

21In Egypte hoorde Hadad dat koning David en legerleider Joab gestorven waren.

Toen zei Hadad tegen de farao: ‘Laat mij teruggaan naar Edom, naar mijn eigen land.’ 22Maar de farao zei: ‘Waarom wil je terug naar je eigen land? Je hebt het hier toch goed?’ Hadad zei: ‘Ja, ik heb het hier zeker goed, maar laat me alstublieft gaan.’

En zo gebeurde het.

De tweede vijand: Rezon

23-25God zorgde ervoor dat Salomo nog een vijand kreeg. Dat was Rezon, de zoon van Eljada. Rezon was soldaat geweest in het leger van Hadadezer, de koning van Soba. David had dat leger in een oorlog verslagen, en hij had Hadadezer gedood. Maar Rezon kon vluchten.

Rezon bracht een hele groep mannen bij elkaar, en hij werd zelf de leider van die groep. De mannen gingen in Damascus wonen. En ze heersten er alsof ze koningen waren. Rezon zelf werd koning van heel Aram.

Zolang Salomo koning van Israël was, was Rezon zijn vijand. Net als Hadad deed Rezon de Israëlieten veel kwaad, want hij haatte hen.

De voorspelling van Achia

Achia scheurt zijn jas in twaalf stukken

26Jerobeam was één van Salomo’s ambtenaren. Hij kwam uit de stad Sereda, in het gebied Efraïm. Hij was een zoon van Nebat, die gestorven was. Jerobeams moeder leefde nog, ze heette Serua.

Ook Jerobeam werd een vijand van koning Salomo. 27Dat kwam zo: Salomo bouwde aan het fort Millo. Daarmee maakte hij de muur om Jeruzalem af. 28Jerobeam werkte ook aan dat fort. Hij was sterk en werkte hard. Toen Salomo hem aan het werk zag, was hij heel tevreden. Hij gaf Jerobeam de leiding over de arbeiders uit de gebieden Efraïm en Manasse.

29Op een keer was Jerobeam buiten Jeruzalem. Daar kwam hij de profeet Achia uit Silo tegen, in het open veld. Verder was er niemand. Achia had een nieuwe jas aan.

30Toen deed Achia zijn nieuwe jas uit, en scheurde die in twaalf stukken. 31Hij zei tegen Jerobeam: ‘Neem tien van deze stukken. Want de Heer, de God van Israël, zegt: ‘Ik zal het koninkrijk van Salomo in stukken scheuren. Aan jou, Jerobeam, geef ik tien gebieden. 32Salomo mag één gebied houden. Dat is omdat hij een zoon van David is, en omdat ik Jeruzalem als mijn stad uitgekozen heb.

33Ik scheur het koninkrijk in stukken omdat Salomo en zijn volk mij verlaten hebben. Ze vereren Astarte, de godin van Sidon. Ze vereren Kemos, de god van Moab. En ze vereren Milkom, de god van Ammon.

Ze zijn mij niet trouw gebleven. Ze hebben veel verkeerde dingen gedaan. En ze hebben zich niet gehouden aan mijn wetten en regels, zoals Salomo’s vader David dat wel deed.

Israël krijgt twee koningen

34Maar ik zal het koninkrijk niet van Salomo zelf afnemen. Hij zal koning blijven zolang hij leeft. Want hij is een zoon van mijn dienaar David, die ik als koning uitgekozen heb. En David heeft zich wel aan mijn wetten en regels gehouden.

35Salomo’s zoon zal na hem koning worden. Maar ik zal ervoor zorgen dat die zoon geen koning van het hele land blijft. Ik zal jou, Jerobeam, koning maken over tien gebieden. 36Salomo’s zoon mag één gebied houden. Hij zal heersen in Jeruzalem, de stad die ik uitgekozen heb als woonplaats. Daar moet altijd een nakomeling van David koning zijn.

37Maar jij zult koning zijn over alle andere gebieden, ik zal jou koning van Israël maken. 38En ik zal je altijd helpen. Als je maar naar mij luistert en doet wat ik wil. Als je je maar houdt aan mijn wetten en regels, zoals ook mijn dienaar David dat deed. Dan zal ik ervoor zorgen dat er altijd één van jouw nakomelingen koning zal zijn, zoals ik dat ook aan David beloofd heb. Dan zal ik Israël aan jou geven.

39Zo zal ik de nakomelingen van David straffen voor de fouten van Salomo. Maar niet voor altijd.’’

Jerobeam vlucht naar Egypte

40Toen Salomo hoorde wat de profeet Achia gezegd had, probeerde hij Jerobeam te doden. Maar Jerobeam vluchtte naar Egypte, naar farao Sisak. Daar bleef hij totdat Salomo gestorven was.

De dood van Salomo

41Alle andere verhalen over Salomo en over zijn wijsheid staan opgeschreven in de boeken over zijn leven.

42Salomo was veertig jaar koning in Jeruzalem. Hij heerste over heel Israël. 43Toen stierf hij, en hij werd begraven in het oude deel van Jeruzalem. Daarna volgde zijn zoon Rechabeam hem op.

12

Israël wordt in tweeën verdeeld

Het volk komt bij elkaar in Sichem

121Rechabeam, de zoon van Salomo, ging naar de stad Sichem. Daar waren alle Israëlieten uit het noorden bij elkaar gekomen om hem officieel koning te maken.

2Jerobeam, de zoon van Nebat, was nog steeds in Egypte. Hij was daarheen gevlucht uit angst voor koning Salomo. Hij hoorde dat Rechabeam koning zou worden, maar hij bleef in Egypte. 3Daarom stuurden de Israëlieten mensen naar Egypte om Jerobeam te halen, en hij ging met hen mee.

Het volk wil geen strenge koning

Jerobeam en de Israëlieten die in Sichem bij elkaar waren, gingen naar Rechabeam. Ze zeiden tegen hem: 4‘Uw vader Salomo heeft ons veel te hard laten werken. Kunt u ervoor zorgen dat ons leven minder zwaar wordt? Dan zullen wij u dienen.’ 5Rechabeam zei: ‘Daar moet ik over nadenken. Kom overmorgen bij me terug.’ Toen gingen de Israëlieten weer weg.

Rechabeam gaat naar de raadgevers van Salomo

6Rechabeam vroeg eerst advies aan de raadgevers van zijn vader Salomo. Hij vroeg hun: ‘Wat moet ik het volk antwoorden?’ 7De raadgevers zeiden: ‘U moet laten merken dat u naar hen wilt luisteren. Als u belooft dat hun leven minder zwaar wordt, zullen ze u altijd trouw blijven.’

Rechabeam vraagt zijn vrienden om raad

8Maar Rechabeam luisterde niet naar de raadgevers van Salomo. In plaats daarvan ging hij naar vrienden die hij al van vroeger kende. Die vroeg hij nu om raad. 9Hij vroeg hun: ‘Wat zal ik antwoorden? Moet ik inderdaad minder streng voor het volk zijn dan mijn vader?’

10De vrienden zeiden: ‘Het volk heeft je gevraagd om hun leven minder zwaar te maken. Minder zwaar dan toen je vader koning was. Zeg tegen hen: ‘Vergeleken met mij was mijn vader maar een slappeling. 11Ik zal nog veel strenger zijn! Ik zal jullie laten werken tot je erbij neervalt!’’

Rechabeam luistert niet naar het volk

12Twee dagen later kwamen Jerobeam en het volk terug bij koning Rechabeam. Zo was het afgesproken. 13-14Rechabeam antwoordde het volk zoals zijn vrienden hem gezegd hadden. Hij deed dus niet wat de raadgevers van Salomo gezegd hadden. Hij zei: ‘Mijn vader heeft jullie hard laten werken. Maar ik zal nog veel strenger zijn. Ik zal jullie laten werken tot je erbij neervalt!’

15De koning luisterde dus niet naar het volk. Dat had de Heer zo beslist. Want er moest gebeuren wat de profeet Achia uit Silo tegen Jerobeam gezegd had.

Het volk wil Rechabeam niet meer

16De Israëlieten merkten dat de koning niet naar hen luisterde. Toen zeiden ze tegen hem: ‘U bent wel familie van David, maar wat hebben wij met David te maken? Wat hebben wij te maken met die zoon van Isaï? Helemaal niets! U moet maar voor uzelf zorgen! Kom, mannen van Israël, laten we teruggaan naar huis.’ En zo gebeurde het.

Rechabeam is alleen nog koning van Juda

17-18Koning Rechabeam wilde met de Israëlieten onderhandelen. Daarom stuurde hij Adoniram, de man die de arbeiders moest controleren, naar hen toe. Maar de Israëlieten gooiden stenen naar Adoniram, net zo lang tot hij dood was. Rechabeam vluchtte in een wagen naar Jeruzalem. Het lukte hem om te ontsnappen. Nu was Rechabeam alleen nog koning van de inwoners van Juda.

19Zo maakten de Israëlieten in het noorden zich los van de familie van David, voor altijd.

Jerobeam wordt koning van het noorden

Jerobeam wordt koning van Israël

20Iedereen in het noorden wist nu dat Jerobeam terug was uit Egypte. Daarom vroegen ze hem om weer naar Sichem te komen. Daar kwamen ze bij elkaar, en ze maakten hem koning.

Niemand steunde Rechabeam meer, behalve de mensen in Juda.

Rechabeam wil Jerobeam aanvallen

21Toen Rechabeam terug was in Jeruzalem, besloot hij om de Israëlieten in het noorden aan te vallen. Want hij was de zoon van Salomo, en hij wilde weer koning zijn van het hele land. Daarom bracht hij 180.000 soldaten uit Juda en Benjamin bij elkaar.

God houdt Rechabeam tegen

22Toen gaf God een opdracht aan de profeet Semaja. 23Semaja moest het volgende zeggen tegen koning Rechabeam en tegen de inwoners van Juda en Benjamin: 24‘Dit zegt de Heer: ‘Voer geen oorlog tegen de Israëlieten in het noorden. Jullie zijn toch samen één volk? Ga allemaal terug naar huis. Ik, de Heer, heb het zo gewild. Ik wilde dat Israël en Juda niet meer één land zouden zijn.’’

De inwoners van Juda en Benjamin luisterden naar Semaja. Ze gingen terug naar huis, zoals de Heer wilde.

Jerobeam is een slechte koning

Jerobeam maakt beelden voor het volk

25Jerobeam ging in de stad Sichem wonen, in het bergland van Efraïm. Die stad had hij eerst versterkt. Later ging hij naar Penuel, en die stad versterkte hij ook.

26-27Jerobeam dacht bij zichzelf: De Israëlieten blijven maar offers brengen in de tempel in Jeruzalem. Als dat zo doorgaat, zal er straks weer een nakomeling van David koning van het hele volk worden. Ze zullen weer kiezen voor koning Rechabeam van Juda, hun vroegere koning. Dan zullen ze mij doden, en teruggaan naar Rechabeam.

28Jerobeam vroeg zich af wat hij moest doen. Toen besloot hij om twee gouden beelden te laten maken, twee gouden stieren. Hij zei tegen het volk: ‘Jullie zijn nu vaak genoeg naar Jeruzalem gegaan! Kijk naar deze beelden! Hier is jullie god, die jullie uit Egypte bevrijd heeft.’

29Het ene beeld liet hij neerzetten in de stad Betel, het andere in de stad Dan. 30Een lange stoet Israëlieten bracht dat tweede beeld naar Dan.

Door dat te doen, maakten Jerobeam en het volk een grote fout.

Jerobeam doet nog meer slechte dingen

31Jerobeam liet ook tempels bouwen op de offerplaatsen. De priesters die hij daar liet werken, waren geen nakomelingen van Levi, maar gewone mannen uit het volk.

32Ook besloot Jerobeam dat er voortaan een feest zou zijn op de vijftiende dag van de achtste maand. Dat feest moest lijken op het Loofhuttenfeest in Juda. Jerobeam wilde offers brengen aan de stierenbeelden. Daarom ging hij voortaan op dat feest naar het altaar in Betel. Daar liet hij ook de priesters van de andere tempels werken.

33De Israëlieten vierden dus feest op de vijftiende dag van de achtste maand. Jerobeam had die datum zelf bepaald.

Een profeet uit Juda waarschuwt Jerobeam

Op één van die feesten ging koning Jerobeam de trappen van het altaar in Betel op om offers te brengen.

13

131Net toen hij wilde gaan offeren, kwam er een profeet naar het altaar toe. De Heer had die profeet uit Juda naar Betel gestuurd.

2In opdracht van de Heer begon de profeet tegen het altaar te praten. Hij riep: ‘Altaar, altaar, luister! Dit zegt de Heer: ‘In de familie van David zal een jongen geboren worden die Josia heet. Luister, altaar! Nu nog brengen priesters van de offerplaatsen offers op jou. Maar Josia zal die priesters doden en ze zelf hier op jou offeren. Er zullen botten van mensen op jou verbrand worden!’

3Ik zeg dit namens de Heer. En als bewijs daarvan zal het volgende wonder gebeuren: het altaar zal in tweeën breken, en de as die erop ligt, zal op de grond vallen.’

4Koning Jerobeam hoorde wat de profeet zei. Hij wees naar hem over het altaar heen en zei: ‘Grijp hem!’ Maar zijn arm werd stijf, hij kon hem niet meer buigen.

5Op datzelfde moment brak het altaar in tweeën, en de as viel op de grond. Precies zoals de profeet namens de Heer gezegd had.

Jerobeam vraagt de profeet om hulp

6Toen zei de koning tegen de profeet: ‘Alstublieft, zorg ervoor dat de Heer, uw God, niet boos op mij blijft. Bid voor mij, zodat ik mijn arm weer kan buigen!’

Dat deed de profeet, en zijn gebed zorgde ervoor dat de Heer niet meer boos was. De koning kon zijn arm weer buigen, net als daarvoor.

De profeet gaat niet met Jerobeam mee

7Daarna zei de koning tegen de profeet: ‘Kom mee naar mijn huis. Daar kunt u wat eten en drinken. En ik zal u ook een geschenk geven.’ 8Maar de profeet zei: ‘Ik ga niet mee, ook al geeft u mij de helft van uw bezit. Ik zal in deze stad niets eten en drinken. 9Want de Heer heeft tegen me gezegd: ‘Je mag hier niets eten en drinken. En je moet teruggaan langs een andere weg dan waarlangs je gekomen bent.’’

10Daarom ging de profeet een andere kant op. Hij ging langs een andere weg terug.

De profeet is toch ongehoorzaam

11In die tijd woonde er in Betel een oude profeet. Zijn zonen kwamen hem vertellen wat er die dag gebeurd was. En wat de profeet uit Juda tegen de koning gezegd had.

12De oude profeet vroeg: ‘Welke kant is hij op gegaan?’ Zijn zonen legden hem dat uit. 13Toen zei de oude profeet tegen hen: ‘Haal mijn ezel.’ Dat deden ze. De oude profeet ging op de ezel zitten en reed weg.

14Hij ging de profeet uit Juda achterna. Hij zag hem zitten onder een eikenboom, en vroeg hem: ‘Ben jij de profeet uit Juda?’ ‘Ja,’ zei de ander, ‘dat ben ik.’ 15Toen zei de oude profeet: ‘Kom mee naar mijn huis in Betel, dan krijg je wat te eten.’ 16De profeet uit Juda antwoordde: ‘Nee, ik ga niet met je mee. Ik wil hier niets eten of drinken. 17Want de Heer heeft me dat verboden. En hij heeft gezegd dat ik niet langs dezelfde weg terug mag gaan.’

18Toen zei de oude profeet: ‘Ik ben ook een profeet, net als jij. Een engel heeft namens de Heer tegen mij gezegd: ‘Neem deze man mee naar huis, en geef hem wat te eten en te drinken.’’ Maar dat was een leugen.

19Toen ging de profeet uit Juda toch mee om iets te eten en te drinken.

De Heer straft de profeet uit Juda

20De twee profeten zaten aan tafel. Toen begon de oude profeet in opdracht van de Heer te spreken. 21Hij zei tegen de profeet uit Juda: ‘Je hebt niet gedaan wat de Heer, je God, tegen je gezegd heeft. Je hebt niet naar hem geluisterd. 22Want je bent met mij teruggegaan langs dezelfde weg als waarlangs je gekomen bent. En je hebt hier in Betel gegeten en gedronken. Daarom zul je na je dood niet bij je familie begraven worden.’

23Na de maaltijd liet de oude profeet een ezel brengen voor de profeet uit Juda. 24Op die ezel ging de profeet uit Juda weg uit Betel. Maar onderweg werd hij aangevallen door een leeuw. De leeuw doodde hem, en zijn lichaam bleef op de weg liggen. De leeuw en de ezel bleven ernaast staan.

25Toen kwamen er mensen langs. Ze zagen het lichaam op de weg liggen, en ze zagen de leeuw erbij staan. Ze vertelden erover in Betel, waar de oude profeet woonde. 26Die hoorde het verhaal, en zei: ‘Dat moet het lichaam zijn van de profeet die niet naar de Heer geluisterd heeft. Daarom heeft de Heer een leeuw gestuurd om hem te doden. Precies zoals hij gezegd had.’

De profeet uit Juda wordt begraven

27De oude profeet zei tegen zijn zonen: ‘Ga mijn ezel halen.’ Dat deden ze. 28De oude profeet ging op weg en kwam bij het lichaam van de profeet uit Juda. De leeuw en de ezel stonden er nog steeds bij. De leeuw had het lichaam niet opgegeten, en hij had de ezel niets gedaan.

29Toen tilde de oude profeet het lichaam op. Hij legde het op de ezel en bracht het terug naar Betel. Daar wilde hij rouwen om de dode profeet, en zijn lichaam begraven. 30Hij legde het in zijn eigen graf. Iedereen rouwde en klaagde met hem mee. Ze zongen het klaaglied: ‘Ach, mijn broer, mijn broer!’

31Na de begrafenis zei de oude profeet tegen zijn zonen: ‘Als ik sterf, begraaf me dan in dit graf, naast deze profeet. Leg mijn lichaam naast dat van hem. 32Het zal allemaal gebeuren, alles wat de profeet namens de Heer gezegd heeft over het altaar in Betel. En over de andere tempels en offerplaatsen in de steden van Samaria.’

Jerobeam blijft slechte dingen doen

33Maar ook na die gebeurtenissen bleef Jerobeam slechte dingen doen. Hij bleef zelf priesters uitkiezen voor de offerplaatsen. Hij maakte iedereen priester die dat wilde.

34Ook de nakomelingen van Jerobeam bleven met die slechte dingen doorgaan. Daarom werden ze uiteindelijk allemaal gedood. Er bleef niemand meer over.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]