Bijbel in Gewone Taal (BGT)
26

De bewakers van de tempelpoorten

261Ook de bewakers van de tempelpoorten werden in groepen verdeeld.

De eerste groep was de familie van Meselemja, de zoon van Kore, uit de familie van Asaf. Die familie stamde af van Korach. 2De zonen van Meselemja waren: Zecharja, de oudste, en Jediaël, Zebadja, Jatniël, 3Elam, Jochanan en Eljoënai. 4-9Meselemja had achttien dappere zonen en broers.

De tweede groep was de familie van Obed-Edom. God had Obed-Edom veel kinderen gegeven. De zonen van Obed-Edom waren: Semaja, de oudste, en Jozabad, Joach, Sachar, Netanel, Ammiël, Issachar en Peülletai. De zonen van Semaja waren: Otni, Refaël, Obed en Elzabad. Ze waren allemaal leiders van hun familie. De mensen hadden respect voor hen, want het waren dappere soldaten. Ook Elihu en Semachjahu, familieleden van Obed-Edom, waren dappere mannen. Alle 62 nakomelingen van Obed-Edom waren dapper en goed in hun werk.

10-11De derde groep was de familie van Chosa, een nakomeling van Merari. Hij had dertien zonen en broers. De zonen van Chosa waren: Simri, de belangrijkste, en Chilkia, Tebaljahu en Zecharja. Chosa koos Simri uit als leider van de familie, ook al was hij niet de oudste zoon.

De bewakers loten om hun dienst

12De bewakers van de tempelpoorten waren dus in groepen verdeeld. Net als de andere Levieten hadden ze om de beurt dienst bij de tempel. Elke groep werd geleid door een leider van de familie. 13Er werd geloot om te beslissen welke leider bij welke poort dienst had. Daarbij maakte het niet uit hoe oud een leider was.

14Meselemja moest de oostelijke poort bewaken, en zijn zoon Zecharja de noordelijke poort. Zecharja was een wijze raadgever. 15Obed-Edom moest de zuidelijke poort bewaken. Zijn zonen bewaakten de gebouwen waarin de voorraden bewaard werden. 16-17Suppim en Chosa moesten de westelijke poort bewaken, en ook de Sallechet-poort, aan het eind van de straat die omhooggaat.

Elke dag waren de diensten op dezelfde manier verdeeld. Er stonden zes bewakers aan de oostkant, vier aan de noordkant en vier aan de zuidkant. Verder stonden er twee bewakers bij elk van de gebouwen waarin de voorraden bewaard werden. 18En er stonden zes bewakers aan de westkant: vier bij de straat en twee bij de zuilenhal.

19Dat waren de groepen die de tempelpoorten moesten bewaken. Het waren nakomelingen van Korach en van Merari.

De bewakers van de schatten in de tempel

20Verder waren er nog Levieten met andere taken.

Achia moest de schatten in de tempel bewaken, 21-22samen met Zetam en Joël, de zonen van Jechiël. Jechiël, uit de familie van Ladan, was een nakomeling van Gerson. Alle leiders van de familie van Ladan stamden van Jechiël af.

23Nu volgen de taken van de nakomelingen van Amram, Jishar, Chebron en Uzziël.

24Sebuel had de leiding over alle bewakers van de schatten in de tempel. Hij was een nakomeling van Gersom, de zoon van Mozes.

25-28Selomit en zijn familieleden bewaakten de schatkamers waarin de geschenken voor de Heer bewaard werden. Daar lagen geschenken die uit oorlogen meegenomen waren door koning David, de legerleiders en de leiders van de families. Die geschenken waren bedoeld voor de tempel. Er lagen ook geschenken van de profeet Samuel, van koning Saul, de zoon van Kis, van Abner, de zoon van Ner, van Joab, de zoon van Seruja, en van veel andere belangrijke mensen.

Selomit was familie van Sebuel. Hij was een zoon van Zichri. Zichri was een zoon van Joram. Joram was een zoon van Jesaja. Jesaja was een zoon van Rechabja. Rechabja was een zoon van Eliëzer.

De rechters en bestuurders

29Kenanja en zijn zonen waren ambtenaren en rechters in steden buiten Jeruzalem. Ze waren nakomelingen van Jishar.

30Chasabja en zijn familieleden, 1700 belangrijke mannen, moesten het gebied ten westen van de Jordaan besturen. Dat deden ze in dienst van de Heer en in dienst van de koning. Chasabja en zijn familieleden waren nakomelingen van Chebron.

31-32Jeria, de leider van de familie van Chebron, had 2700 familieleden. Dat waren belangrijke mannen, en leiders van hun families. Zij moesten het gebied ten oosten van de Jordaan besturen. Dat deden ze in dienst van de Heer en in dienst van de koning.

Toen David veertig jaar koning was, liet hij onderzoek doen naar de nakomelingen van Chebron. Hij ontdekte dat er dappere soldaten van die familie woonden in Jazer, in het gebied Gilead.

27

De leiders en ambtenaren

De groepen soldaten en hun leiders

271De Israëlieten waren verdeeld in twaalf groepen van 24.000 mannen. Daarbij hoorden leiders van families, legerleiders en ambtenaren. Elke maand was er een andere groep aan de beurt om te dienen in het leger van de koning.

Nu volgen de namen van de leiders van die twaalf groepen.

2-3De leider van de groep in de eerste maand was Jasobam, de zoon van Zabdiël en leider van de legerleiders. Hij was een nakomeling van Peres. 4De leiders van de groep in de tweede maand waren Dodai uit Achoach, en Miklot. 5-6De leiders van de groep in de derde maand waren Benaja, de zoon van hogepriester Jojada, en Ammizabad, de zoon van Benaja. Benaja was beroemd, want hij was de leider van de dertig belangrijkste legerleiders van David.

7De leider van de groep in de vierde maand was Asaël, de broer van Joab. Na Asaël was zijn zoon Zebadja de leider. 8De leider van de groep in de vijfde maand was Samhut uit Jizrach. 9De leider van de groep in de zesde maand was Ira, de zoon van Ikkes, uit Tekoa. 10De leider van de groep in de zevende maand was Cheles uit Pelon, uit de stam Efraïm. 11De leider van de groep in de achtste maand was Sibbechai uit Chusa. Hij was een nakomeling van Zerach.

12De leider van de groep in de negende maand was Abiëzer uit Anatot, uit de stam Benjamin. 13De leider van de groep in de tiende maand was Maharai uit Netofa. Hij was een nakomeling van Zerach. 14De leider van de groep in de elfde maand was Benaja uit Piraton, uit de stam Efraïm. 15De leider van de groep in de twaalfde maand was Cheldai uit Netofa. Hij was een nakomeling van Otniël.

De leiders van de stammen van Israël

16Nu volgen de namen van de leiders van de stammen van Israël.

De leider van de stam Ruben was Eliëzer, de zoon van Zichri. De leider van de stam Simeon was Sefatja, de zoon van Maächa. 17De leider van de stam Levi was Chasabja, de zoon van Kemuel. De leider van de nakomelingen van Aäron was Sadok.

18De leider van de stam Juda was Elihu, een broer van David. De leider van de stam Issachar was Omri, de zoon van Michaël. 19De leider van de stam Zebulon was Jismaja, de zoon van Obadja. De leider van de stam Naftali was Jerimot, de zoon van Azriël.

20De leider van de stam Efraïm was Hosea, de zoon van Azazjahu. De leider van het deel van de stam Manasse ten westen van de Jordaan was Joël, de zoon van Pedaja. 21De leider van het deel van de stam Manasse ten oosten van de Jordaan was Jiddo, de zoon van Zecharja. De leider van de stam Benjamin was Jaäsiël, de zoon van Abner. 22De leider van de stam Dan was Azarel, de zoon van Jerocham.

Dat waren de leiders van de stammen van Israël.

David laat niet alle mannen tellen

23Toen David de Israëlieten liet tellen, werden de mannen die jonger waren dan twintig jaar niet meegeteld. Want de Heer had gezegd dat er zo veel Israëlieten zouden zijn dat je hen niet kon tellen. Net zo veel als er sterren aan de hemel zijn. 24Joab, de zoon van Seruja, was eerder wel begonnen met tellen. Maar toen werd de Heer boos op de Israëlieten, en kon Joab niet verder tellen.

Daarom staat nergens in de boeken van koning David hoeveel mensen er in Israël woonden.

De ambtenaren

25Azmawet, de zoon van Adiël, was verantwoordelijk voor de voorraden in het paleis van de koning. Jonatan, de zoon van Uzzia, was verantwoordelijk voor de voorraden in de rest van het land.

26Ezri, de zoon van Kelub, controleerde de arbeiders die op de akkers van de koning werkten. 27Simi uit Rama controleerde het werk in de wijngaarden, en Zabdi uit Sefam was verantwoordelijk voor de kelders waarin de wijn bewaard werd. 28Baäl-Chanan uit Geder was verantwoordelijk voor de tuinen met olijfbomen en vijgenbomen in de heuvels van Juda, en Joas was verantwoordelijk voor de voorraden olijfolie.

29Sitrai uit Saron was verantwoordelijk voor de koeien in het Saron-dal, en Safat, de zoon van Adlai, was verantwoordelijk voor de koeien in de andere dalen. 30Obil, een nakomeling van Ismaël, was verantwoordelijk voor de kamelen, en Jechdejahu uit Meronot was verantwoordelijk voor de ezelinnen. 31En Jaziz, een nakomeling van Hagar, was verantwoordelijk voor de geiten en de schapen.

Dat waren de ambtenaren die verantwoordelijk waren voor de bezittingen van koning David.

De raadgevers van de koning

32Jonatan, een oom van David, was een wijze raadgever van koning David. Hij was de schrijver van de koning. Jechiël, de zoon van Chachmoni, was de leraar van Davids zonen.

33-34Achitofel was ook een raadgever van de koning. Hij werd opgevolgd door Jojada, de zoon van Benaja, en door Abjatar. Chusai, een Arkiet, was de persoonlijke raadgever van de koning.

Joab was de belangrijkste legerleider van de koning.

28

Salomo wordt koning na David

David mag geen tempel bouwen

281Op een dag riep koning David alle leiders bij zich: de leiders van de stammen, de legerleiders en de hoogste ambtenaren. Iedereen in Israël die een belangrijke taak had, moest naar Jeruzalem komen.

2Toen iedereen bij elkaar was, ging David staan en zei: ‘Luister, mijn volk! Ik wilde graag zelf een tempel bouwen, een plaats voor onze God in Jeruzalem. Een plaats waar de heilige kist van de Heer voor altijd kan staan. Ik was zelfs al begonnen met de voorbereidingen. 3Maar toen zei God tegen mij: ‘Jij mag geen tempel voor mij bouwen. Want je hebt oorlogen gevoerd en mensen gedood.’’

Salomo zal de tempel bouwen

4David zei verder: ‘De Heer, de God van Israël, heeft mij en mijn nakomelingen uitgekozen om voor altijd koning van Israël te zijn. Eerst heeft hij Juda uitgekozen als de belangrijkste stam. Binnen die stam heeft hij de familie van mijn vader uitgekozen als de belangrijkste familie. En binnen die familie heeft hij mij uitgekozen om koning van Israël te zijn. 5De Heer heeft mij veel zonen gegeven. En uit al die zonen koos hij mijn zoon Salomo uit om de volgende koning van Israël te zijn.

6De Heer zei tegen mij: ‘Jouw zoon Salomo zal voor mij een tempel bouwen, met pleinen erbij. Hij zal voor mij een zoon zijn, en ik zal voor hem een vader zijn. 7Salomo heeft zich altijd precies gehouden aan mijn wetten en regels. Als hij dat blijft doen, zal ik ervoor zorgen dat er altijd één van zijn nakomelingen koning van Israël is.’

8Nu vraag ik jullie om een belofte te doen. Ik vraag dat waar alle Israëlieten bij zijn, en terwijl God het hoort. Beloof de Heer, jullie God, dat jullie je precies zullen houden aan zijn wetten. Dan zal dit goede land voor altijd van jullie en jullie nakomelingen zijn.

Salomo moet de Heer dienen

9En jij, mijn zoon Salomo, luister naar de God van je vader. Dien de Heer met je hele hart en met je hele ziel. Want hij weet wat mensen denken en willen. Als je de Heer zoekt, zal hij zorgen dat je hem vindt. Maar als je hem in de steek laat, dan zal hij jou ook in de steek laten, voor altijd. 10Bedenk dat de Heer wil dat jij zijn tempel bouwt. Wees niet bang, en ga aan het werk!’

De bouwtekening van de tempel

11Toen gaf David aan zijn zoon Salomo de tekeningen van de tempel. Hij liet zien waar alle ruimtes van de tempel moesten komen: de hal, de schatkamers, de zalen beneden en boven, en de allerheiligste zaal. 12David liet ook zien waar de tempelpleinen met de gebouwen eromheen moesten komen. En de schatkamers met de heilige voorwerpen en de geschenken voor de Heer.

13Verder vertelde David aan Salomo hoe de priesters en de Levieten in verschillende groepen in de tempel moesten werken. En hij vertelde wat hun taken waren. Ten slotte vertelde hij welke voorwerpen gebruikt moesten worden voor de dienst van de Heer.

De voorwerpen van goud en zilver

14David vertelde precies hoeveel goud en hoeveel zilver er voor de voorwerpen in de tempel gebruikt moest worden. Die voorwerpen waren: 15de verschillende gouden en zilveren kandelaars, en de lampen die daarbij hoorden, 16de gouden tafels voor het offerbrood en de zilveren tafels, 17de gouden vorken, schalen en kannen, en de kleine schaaltjes van zilver en goud. 18Ook vertelde David hoeveel zuiver goud Salomo moest gebruiken voor het wierookaltaar, en voor de wagen met de beelden van engelen die met hun vleugels de heilige kist bedekten.

19David zei: ‘De Heer heeft mij precies laten weten hoe alles gemaakt moet worden. Ik heb het voor je opgeschreven.’

Salomo krijgt hulp bij de tempelbouw

20Toen zei David tegen Salomo: ‘Mijn zoon, wees sterk en dapper, en ga aan het werk. Wees niet bang of zwak, want de Heer, mijn God, zal je helpen. Hij zal je steunen totdat al het werk aan de tempel klaar is. Hij zal je niet in de steek laten. 21De priesters en de Levieten zullen je helpen bij de dienst in de tempel. Vakmensen zullen je helpen bij het werk. En de leiders en het volk zullen alles doen wat je zegt.’