Bijbel in Gewone Taal (BGT)
13

David en de heilige kist

David wil de heilige kist ophalen

131Op een dag overlegde koning David met al zijn legerleiders. 2-3Daarna zei hij tegen het volk van Israël: ‘Toen Saul koning was, hebben we niet aan de heilige kist van God gedacht. Maar nu wil ik de kist naar Jeruzalem brengen. Tenminste, als jullie het goedvinden, en als de Heer, onze God, het goedvindt.

Laten we boodschappers sturen naar alle delen van het land. Zij moeten tegen alle mensen in Israël zeggen dat ze naar Jeruzalem moeten komen. Dat geldt ook voor de priesters en de Levieten die in hun eigen steden en dorpen wonen.’

4Het volk was het met David eens. Alle mensen vonden het een goed idee om de heilige kist naar Jeruzalem te brengen.

David gaat naar Kirjat-Jearim

5Toen riep David alle mannen uit Israël bij elkaar, van het noorden tot het zuiden. 6Samen reisden ze naar Baäla in Juda om de heilige kist van God op te halen. (Baäla is een andere naam voor Kirjat-Jearim.) De heilige kist was de troon van de Heer, de troon met de twee engelen met vleugels.

7De heilige kist stond in het huis van Abinadab. De kist werd opgehaald, en op een nieuwe wagen gezet. Uzza en Achio liepen met de wagen mee.

De Heer doodt Uzza

8Onderweg dansten David en de Israëlieten vrolijk voor God. Ze zongen, en ze speelden op harpen, trommels, trompetten en andere instrumenten.

9Toen kwamen ze bij het veld van Kidon, waar veel graan lag. De dieren die de wagen trokken, gleden plotseling uit. Uzza stak zijn hand uit, want hij wilde de heilige kist van God tegenhouden. 10Maar de Heer werd woedend en hij doodde Uzza meteen. Want Uzza had de heilige kist aangeraakt.

11David werd kwaad omdat de Heer Uzza gedood had. David noemde die plaats Peres-Uzza. Die plaats heet nog steeds zo.

David brengt de kist naar Gat

12-13Maar David werd ook bang voor God. Want hij wist niet hoe hij de heilige kist veilig in het oude deel van Jeruzalem kon krijgen. Daarom bracht hij de kist niet naar Jeruzalem, maar naar het huis van Obed-Edom, een man uit de stad Gat.

14De heilige kist van God bleef drie maanden in het huis van Obed-Edom. En de Heer maakte Obed-Edom en zijn hele familie rijk en gelukkig.

14

David gaat in Jeruzalem wonen

141Op een dag kreeg David bezoek van de dienaren van Churam. Churam was de koning van Tyrus. Hij stuurde hout, en mensen die voor David konden werken. Zo kon David een paleis laten bouwen.

2De Heer maakte David heel machtig. Toen wist David dat de Heer hem als koning van Israël uitgekozen had.

3Toen David naar Jeruzalem verhuisd was, nam hij nog meer vrouwen. En hij kreeg nog meer zonen en dochters. 4De zonen die David in Jeruzalem kreeg, waren: Sammua, Sobab, Natan, Salomo, 5Jibchar, Elisua, Elpelet 6Noga, Nefeg, Jafia, 7Elisama, Beëljada en Elifelet.

David verslaat de Filistijnen

8De Filistijnen hoorden dat David de nieuwe koning van Israël was. Daarom stuurden ze al hun soldaten om David gevangen te nemen. Toen David dat hoorde, ging hij de Filistijnen tegemoet.

9In het Refaïm-dal stonden overal Filistijnse soldaten. 10Toen vroeg David aan God: ‘Zal ik de Filistijnen aanvallen? Zult u mij dan laten winnen?’ De Heer antwoordde: ‘Ja, val hen aan! Ik zal je laten winnen.’ 11Toen viel David de Filistijnen aan, en hij won de strijd. Hij zei: ‘God heeft mijn vijanden laten schrikken. Ze zijn plotseling weggevlucht.’ Hij noemde die plaats Baäl-Perasim.

12Toen de Filistijnen wegvluchtten, lieten ze hun godenbeelden achter. David gaf opdracht om die beelden te verbranden.

David verslaat de Filistijnen opnieuw

13De Filistijnen wilden David nog een keer aanvallen. En weer stonden ze overal in het Refaïm-dal. 14Ook nu vroeg David aan God wat hij moest doen. En God antwoordde: ‘Je moet de Filistijnen niet meteen aanvallen. Trek eerst om hen heen zonder dat ze het merken. Ga door tot je achter hen bent, tussen de bomen. 15En wacht daar totdat je boven in de bomen een geluid hoort. Dat geluid zal klinken als een leger dat steeds dichterbij komt. Als je dat hoort, moet je aanvallen. Want dan ben ik er om het Filistijnse leger te verslaan.’

16David deed precies wat God tegen hem gezegd had. Hij vocht tegen de Filistijnen en jaagde hen terug naar hun eigen steden.

17David werd door deze overwinning beroemd in alle landen. De Heer zorgde ervoor dat alle volken bang werden voor David.

15

David maakt een tent voor de heilige kist

151David liet voor zichzelf een paleis bouwen in het oude deel van Jeruzalem. En hij liet een tent neerzetten voor de heilige kist van God. 2Toen zei David: ‘Alleen de Levieten mogen de heilige kist van de Heer dragen. En zij zijn ook de enigen die de Heer bij de heilige kist mogen dienen. Want de Heer heeft de Levieten daarvoor uitgekozen.’

3-4Daarna liet David alle Israëlieten naar Jeruzalem komen.

De Levieten dragen de heilige kist

Toen riep David de nakomelingen van Aäron en de andere Levieten bij zich. Zij moesten de heilige kist van de Heer naar de tent brengen die David neergezet had.

5Die Levieten waren: 120 mensen uit de familie van Kehat, onder leiding van Uriël, 6220 mensen uit de familie van Merari, onder leiding van Asaja, 7130 mensen uit de familie van Gerson, onder leiding van Joël, 8tweehonderd mensen uit de familie van Elisafan, onder leiding van Semaja, 9tachtig mensen uit de familie van Chebron, onder leiding van Eliël, 10en 112 mensen uit de familie van Uzziël, onder leiding van Amminadab.

11Toen riep David de priesters Sadok en Abjatar en de Levieten Uriël, Asaja, Joël, Semaja, Eliël en Amminadab bij zich. 12Hij zei: ‘Jullie zijn de leiders van de families van de Levieten. Jullie moeten je voorbereiden, precies volgens de regels van de Heer. En jullie familieleden ook. Pas daarna mogen jullie de heilige kist van de Heer, de God van Israël, naar de plaats brengen die ik klaargemaakt heb. 13We hebben al eerder geprobeerd de heilige kist naar Jeruzalem te brengen. Maar we hebben ons niet aan de regels van de Heer gehouden, want jullie waren er niet bij. Daarom heeft de Heer ons toen gestraft.’

14Toen bereidden de priesters en de Levieten zich voor om de heilige kist van de Heer, de God van Israël, naar de tent te brengen. 15Daarna droegen de Levieten de heilige kist met draagstokken op hun schouders. Dat moest volgens de regels van de Heer, die Mozes aan de Israëlieten gegeven had.

De Levieten maken muziek

16De leiders van de Levieten moesten van David uit hun families ook zangers uitkiezen. Die moesten met luide stem vrolijke liederen zingen, en muziek maken met harpen en andere instrumenten.

17Dit waren de belangrijkste zangers: Heman, de zoon van Joël, Asaf, de zoon van Berechja, en Etan, de zoon van Kusajahu, uit de familie van Merari. Die zangers waren allemaal familie van elkaar.

18Andere zangers waren: Zecharja, Ben, Jaäziël, Semiramot, Jechiël, Unni, Eliab, Benaja, Maäseja, Mattitja, Elifelehu, Miknejahu, en Obed-Edom en Jeïël, de bewakers van de poorten. Die zangers waren ook familie van Heman, Asaf en Etan.

19De zangers Heman, Asaf en Etan maakten muziek met koperen bekkens. 20Zecharja, Aziël, Semiramot, Jechiël, Unni, Eliab, Maäseja en Benaja speelden op harpen met hoge tonen. 21En Mattitja, Elifelehu, Miknejahu, Obed-Edom, Jeïël en Azazjahu speelden op harpen met lage tonen.

Andere taken voor de Levieten

22Kenanja was één van de leiders van de Levieten. Hij zorgde ervoor dat de heilige kist op de juiste manier gedragen werd. Want hij wist hoe dat moest. 23-24Berechja en Elkana moesten de heilige kist bewaken, samen met Obed-Edom en Jechia. De priesters Sebanja, Josafat, Netanel, Amasai, Zecharja, Benaja en Eliëzer liepen voor de heilige kist van God uit. Zij bliezen op trompetten.

David gaat de heilige kist ophalen

25Toen ging David op weg, samen met zijn legerleiders en de belangrijkste mannen van Israël. Ze gingen de heilige kist met de wet van de Heer feestelijk ophalen uit het huis van Obed-Edom. 26God hielp de Levieten bij het dragen van de heilige kist. Daarom offerden de Levieten zeven stieren en zeven rammen.

27David had een linnen jas aan. Ook alle Levieten hadden een linnen jas aan: de mannen die de kist droegen, de zangers, en Kenanja, die de leiding had. David had ook nog een linnen priesterhemd aan.

De heilige kist komt in Jeruzalem

28-29Zo kwam de heilige kist met de wet van de Heer in het oude deel van Jeruzalem. Alle Israëlieten juichten, en ze speelden op trompetten, harpen en andere instrumenten. Op dat moment stond Davids vrouw Michal, de dochter van Saul, bij het raam. Ze zag David dansen en springen. Toen had ze geen respect meer voor hem.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]