NBV21 (NBV21)
3

Heb ontzag voor de HEER

31

3:1-3
Deut. 6:6-9
3:1-2
Spr. 4:10
Mijn zoon, vergeet mijn lessen niet,

houd in je hart mijn richtlijnen vast.

2

3:2
Spr. 9:11
Ze vermeerderen de dagen van je leven,

geven je vele jaren van geluk.

3

3:3
Spr. 6:21
7:3
Mogen liefde en trouw je nooit verlaten,

wind ze om je hals,

schrijf ze in je hart.

4God en de mensen zullen je genegen zijn

en je zult waardering ondervinden.

5

3:5
Ps. 37:5; Spr. 28:26
Vertrouw op de HEER met heel je hart,

steun niet op eigen inzicht.

6

3:6
Spr. 16:3
Denk aan Hem bij alles wat je doet,

dan baant Hij voor jou de weg.

7

3:7
Ps. 34:10,15
Rom. 12:16
Wees niet eigenzinnig,

maar heb ontzag voor de HEER

en ga het kwaad uit de weg.

8Het zal je sterken als een medicijn,

het verkwikt je lichaam.

9

3:9-10
Mal. 3:10-12
Eer de HEER met al je rijkdom,

met het beste van de oogst.

10

3:10
Deut. 28:8
Graan zal je voorraadschuren vullen,

je kuipen lopen over van wijn.

11

3:11-12
Hebr. 12:5-6
3:11
Job 5:17
Mijn zoon, een berisping van de HEER

mag je nooit terzijde schuiven,

zijn bestraffing moet je zonder afschuw ondergaan,

12

3:12
Deut. 8:5
Op. 3:19
want de HEER straft wie Hij liefheeft,

als een vader die van zijn kinderen houdt.

13Gelukkig de mens die wijsheid ontdekt,

de mens die inzicht wint.

14

3:14
Spr. 2:4
Wijsheid levert meer op dan zilver,

geeft meer profijt dan goud,

15is kostbaarder dan edelstenen.

Alles wat je ooit zou kunnen wensen

valt bij de wijsheid in het niet.

16

3:16
Spr. 8:18
Met haar ene hand schenkt ze een lang leven,

eer en rijkdom geeft ze met haar andere hand.

17De wegen van de wijsheid zijn lieflijk,

al haar paden vredig.

18

3:18
Spr. 11:30
Ze is een levensboom voor wie haar omhelst,

wie haar omarmt, mag zich gelukkig prijzen.

19

3:19
Spr. 8:22-31
De HEER heeft de aarde met wijsheid gegrondvest,

de hemel met inzicht gevestigd.

20Door zijn kennis brak het water los uit de diepte

en druppelt er dauw uit de wolken.

21Mijn zoon, streef naar bedachtzaamheid en tact,

verlies die nooit uit het oog.

22

3:22
Spr. 1:9
Ze zullen een bron van leven voor je zijn,

een sieraad om je hals.

23

3:23
Spr. 4:12
Je zult veilig je weg kunnen gaan,

nergens zul je struikelen.

24

3:24
Ps. 3:6
Je hoeft niet bang te zijn wanneer je slapen gaat,

je slaap zal vredig zijn.

25

3:25
Ps. 91:5
En wees niet bang voor plotseling onheil,

voor de rampspoed die goddelozen overkomt.

26

3:26
Job 5:19-27
Je kunt vertrouwen op de HEER,

Hij beschermt je tegen hinderlagen.

27

3:27

Onthoud een ander niet waarop hij recht heeft,

terwijl je het hem geven kunt.

28Zeg nooit tegen je medemens:

‘Ga weg, kom morgen maar terug,’

terwijl je hebt wat je hem schuldig bent.

29Behandel hem niet zo schandalig

terwijl hij zijn vertrouwen in je heeft gesteld.

30Maak geen ruzie met iemand

die je geen kwaad berokkend heeft.

31

3:31
Ps. 37:1; Spr. 23:17
Wees niet jaloers op iemand die geweld gebruikt,

volg hem beslist niet na,

32want de HEER verafschuwt wie dat dwaalspoor gaat,

maar wie rechtschapen is geeft Hij zijn vertrouwen.

33De HEER vervloekt het huis van goddelozen,

maar de woning van rechtvaardigen zegent Hij.

34

3:34
Jak. 4:6
1 Petr. 5:5
Met spotters drijft Hij de spot,

maar verdrukten schenkt Hij zijn gunst.

35Wijzen verwerven eer,

dwazen torsen schande.