Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
5

51Die dag zongen Debora en Barak, de zoon van Abinoam, dit lied:

2‘Loof de HEER, omdat Israël zijn haren dreigend loswierp,

loof de HEER, omdat Israël zich meldde voor de strijd.

3Koningen en vorsten, luister en hoor toe hoe ik de HEER bezing,

een lied zing voor de HEER, de God van Israël.

4

5:4
Ps. 68:8-9
HEER, de aarde beefde toen u voortschreed vanuit Seïr;

toen u optrok vanuit Edom stortte water uit de hemel en de wolken neer.

5Voor de heerser van de Sinai wankelden de bergen,

voor u, HEER, u, de God van Israël.

6

5:6
Recht. 3:31
Jes. 33:8
Onder Samgar, de zoon van Anat, in de tijd van Jaël,

begaf geen karavaan zich nog op weg.

Wie toch op reis moest, nam de kronkelpaden.

7Aanvoerders ontbraken, het land kende geen leiding

totdat jij, Debora, kwam en Israël tot leidsvrouw werd.

8

5:8
1 Sam. 13:19-22
Verkoos men andere goden, dan stond de vijand voor de poorten;

ons leger telde veertigduizend man, maar van schild of speer geen spoor.

9Loof de HEER!

Ik dank hen die niet aarzelden de strijders aan te voeren.

10Reizigers, gezeten op gezadelde ezelinnen,

en ook jullie die te voet moeten gaan,

11overstem met je verhalen het geklets bij de bronnen

en laat ieder bij het drenken zingen van de HEER die overwon,

van de overwinning door zijn aanvoerders voor Israël behaald.

Daar trok het volk van de HEER ten strijde, voorwaarts vanuit de steden.

12Ga voorop, Debora, vuur ons aan en zing een lied!

Barak, val aan! Grijp de vijand, jij zoon van Abinoam!

13Daar trokken toen de ware aanvoerders ten strijde,

het volk van de HEER trok met zijn helden op.5:13 Daar trokken toen de ware aanvoerders ten strijde,/ het volk van de HEER trok met zijn helden op – Volgens sommige handschriften van de Septuaginta. MT (betekenis van het Hebreeuws onzeker): ‘Mogen dan de ware aanvoerders heersen, het volk, moge de HEER over zijn helden heersen’.

14Uit Efraïm kwamen zij die in Amalek wonen

en voegden zich bij jou en je verwanten, Benjamin.

Uit Machir kwamen aanvoerders, uit Zebulon de leiders van het leger.

15Uit Issachar sloten de vorsten5:15 de vorsten – Volgens de oudste vertalingen. MT: ‘mijn vorsten’. zich bij Debora aan.

Na Issachar kwam Barak; hij ging het volk voor in de vlakte.

Maar de stam Ruben bleef steeds maar overleggen.

16Wat hield je bij je schaapskooi en het fluitspel van je herders?

Ruben bleef maar overleggen,

17Gilead kwam de Jordaan niet over, Dan bleef bij zijn schepen,

Aser bleef aan zee en verliet zijn havens niet,

18maar Zebulon en Naftali waagden hun leven op de heuvels.

19

5:19
Recht. 4:13
Daar kwamen de koningen, de stadsvorsten van Kanaän.

Zij streden bij Taänach, bij Megiddo, aan de oever van de stroom,

maar er viel voor hen geen zilver buit te maken.

20De sterren aan de hemel streden mee tegen de vijand,

zij hadden in hun baan zich tegen Sisera gekeerd.

21Vorsten werden meegesleurd door het water van de Kison,

de Kison, die aloude en snelstromende rivier.

Ga voort, mijn ziel, ga voort!

22Dreunend klonk de hoefslag van zijn wegstormende paarden,

van zijn schitterende paarden, in onstuimige galop.

23Vervloekt zij Meroz, dat de HEER geen hulp bood,

vervloekt! – zo spreekt de engel van de HEER –,

vervloekt zijn inwoners, zij sloten zich niet bij de helden aan.

24

5:24
Judit 13:18
Luc. 1:42
Geloofd zij Jaël, de beste aller vrouwen,

Jaël, de vrouw van Cheber, de Keniet.

Was ooit een tent gezegend met een vrouw als zij?

25Sisera vroeg om water en zij gaf hem melk te drinken,

room bracht ze hem te drinken, in een rijk versierde schaal.

26Met één hand vatte ze een tentpin, met de andere een hamer.

Ze dreef de tentpin door zijn slaap, spleet met een hamerslag zijn hoofd.

27Aan haar voeten viel hij neer, bezweek hij en bleef liggen.

Aan haar voeten bezweek hij, daar viel hij neer.

Waar hij bezweek, daar bleef hij liggen, verpletterend verslagen.

28Aan haar venster stond zijn moeder, ze tuurde en ze klaagde:

“Waar blijft zijn wagen toch? Klinkt het geratel van de wielen al?”

29De wijste van haar vrouwen gaf haar antwoord

en zei haar wat zij zelf reeds had bedacht:

30“Wellicht zijn ze nog bezig om hun schatten te verdelen:

elke man een meisje, of misschien wel twee.

En voor Sisera gekleurde stoffen met borduursel,

stoffen met borduursel waarmee hij zijn schatjes tooit.”

31

5:31
Recht. 3:11,30
8:28
2 Sam. 23:4
HEER, laat zo al uw vijanden ten onder gaan,

en maak wie u liefhebben onstuitbaar als de opgaande zon.’

Veertig jaar had het land rust.

6

Gideon geroepen

61-2

6:1-2
1 Sam. 13:6
Maar de Israëlieten deden wat slecht is in de ogen van de HEER. Daarom leverde hij hen uit aan het volk van Midjan, dat hen zeven jaar achtereen kwam plunderen. Uit angst voor de Midjanieten richtten de Israëlieten in bergspleten, grotten en op andere moeilijk bereikbare plekken schuilplaatsen in. 3Elk jaar wanneer het gewas op het veld stond, kwamen de Midjanieten, de Amalekieten en nog andere woestijnvolken uit het oosten aanzetten en vielen ze Israël binnen. 4
6:4
Lev. 26:16
Deut. 28:31
Ze sloegen er hun tenten op en vernietigden de oogsten, tot helemaal in Gaza. Niets lieten ze voor de Israëlieten over om van te leven, nog geen schaap, geen rund en geen ezel. 5Als een zwerm sprinkhanen kwamen ze aanzetten met hun vee en hun tenten: een onafzienbare massa mensen en kamelen die het land binnenviel en alles verwoestte. 6Door toedoen van Midjan verviel Israël tot bittere armoede, en het volk riep de HEER te hulp.

7Toen de Israëlieten de HEER tegen de Midjanieten te hulp riepen, 8stuurde hij een profeet, die hun zei: ‘Dit zegt de HEER, de God van Israël: Ik ben het die jullie uit Egypte heeft geleid, ik heb jullie verlost uit de slavernij. 9Ik heb jullie bevrijd uit de greep van de Egyptenaren en van de volken die jullie hier bedreigden; die heb ik voor jullie weggejaagd en ik heb jullie hun land gegeven. 10En ik heb jullie gezegd: Ook al wonen jullie nu in het land van de Amorieten, hun goden mogen jullie niet vereren want ik, de HEER, ben jullie God. Maar jullie hebben niet geluisterd naar wat ik zei.’

11

6:11
Joz. 17:2
Hebr. 11:32-33
Toen kwam er een engel van de HEER. Hij nam plaats onder de terebint bij Ofra, op het land van Joas, een afstammeling van Abiëzer. Joas’ zoon Gideon was juist bezig tarwe te dorsen. Om te zorgen dat de Midjanieten de tarwe niet zouden zien, deed hij dat in de wijnpers. 12
6:12
Luc. 1:28
De engel van de HEER vertoonde zich aan hem en zei: ‘De HEER zij met je, dappere krijgsman.’ 13‘Mag ik u vragen,’ antwoordde Gideon, ‘als de HEER ons werkelijk bijstaat, waarom overkomt dit ons dan allemaal? Waar blijft hij dan met zijn wonderbaarlijke daden, waarover onze voorouders hebben verteld? Uit Egypte heeft hij ze geleid, zeiden ze toch? Nu trekt hij zich in elk geval niets van ons aan en zijn we overgeleverd aan de Midjanieten!’ 14
6:14
Ex. 3:10-12
Toen wendde de HEER zich tot Gideon en zei: ‘Toon je moed en bevrijd Israël, dat is mijn opdracht.’ 15‘Mag ik u vragen,’ antwoordde Gideon, ‘hoe zou ik Israël kunnen bevrijden? Mijn familie heeft in onze stam, Manasse, niets in te brengen, en ikzelf ben de jongste van de familie.’ 16De HEER antwoordde: ‘Dat kun je omdat ik je bijsta. Je zult de Midjanieten verslaan alsof je met niet meer dan één man te doen had.’ 17
6:17
Ex. 4:1-9
Toen zei Gideon: ‘Heer, als ú het bent die tot mij spreekt en ik uw gunst geniet, geef me dan een teken. 18Gaat u vooral niet weg, ik wil iets halen om u aan te bieden.’ ‘Goed,’ antwoordde de HEER, ‘ik blijf hier totdat je terugkomt.’

19Gideon ging snel naar huis, maakte een geitenbokje klaar en bakte ongedesemd brood van een efa tarwebloem. Hij legde het vlees in een mand en goot het kookvocht in een kom, bracht het naar degene die onder de terebint zat te wachten en bood het hem aan. 20De engel van God zei tegen hem: ‘Leg het vlees en de broden hier op dit rotsblok en giet het kookvocht erover uit.’ Gideon deed wat hem gevraagd was. 21

6:21
Lev. 9:24
1 Kon. 18:38
1 Kron. 21:26
2 Kron. 7:1
Toen raakte de engel van de HEER met het uiteinde van zijn staf het voedsel aan en meteen laaide er een vuur uit het rotsblok op dat het vlees en de broden verteerde. Tegelijk was ook de engel van de HEER verdwenen. 22Toen begreep Gideon dat het een engel van de HEER was geweest, en hij riep uit: ‘Nee, HEER! Nee, mijn God! Ik heb oog in oog gestaan met een engel van de HEER!’ 23
6:23
Gen. 32:31
Maar de HEER stelde hem gerust: ‘Je hoeft niet bang te zijn, je zult niet sterven.’ 24Gideon bouwde op die plek een altaar voor de HEER, en noemde het ‘De HEER geeft rust’. Tot op de dag van vandaag staat dat altaar op het land van de afstammelingen van Abiëzer in Ofra.

25Diezelfde nacht zei de HEER tegen Gideon: ‘Neem de stier van je vader, dat prachtbeest dat nu al zeven jaar gespaard is. Sloop het altaar dat je vader voor Baäl heeft opgericht en hak de Asjerapaal die ernaast staat om. 26Bouw voor de HEER, je God, een altaar op het hoogste punt van het ommuurde terrein, zoals het hoort. Maak met het hout van de omgehakte Asjerapaal een vuur om de stier te offeren.’ 27Gideon nam tien van zijn knechten mee en deed wat de HEER hem had opgedragen. Uit vrees voor zijn familie en stadsgenoten durfde hij het niet overdag te doen, daarom deed hij het ’s nachts. 28De volgende ochtend zagen de inwoners van de stad dat het altaar van Baäl was afgebroken en dat de Asjerapaal ernaast was omgehakt. Ze zagen ook dat de stier was geofferd, en wel op een nieuw altaar. 29Ze vroegen zich af wie dat gedaan kon hebben, en na enig onderzoek kwamen ze erachter dat Gideon, de zoon van Joas, de schuldige was. 30Toen eisten ze van Joas: ‘Lever uw zoon aan ons uit. Hij moet sterven, want hij heeft het altaar van Baäl gesloopt en de Asjerapaal omgehakt.’ 31

6:31
1 Kon. 18:27
Maar Joas zei tegen de mensen die bij zijn huis te hoop waren gelopen: ‘U wilt het voor Baäl opnemen? U wilt hem te hulp komen? Wie het voor Baäl opneemt, zal nog voor de ochtend sterven! Als Baäl een god is, zal hij wel voor zichzelf opkomen wanneer iemand zijn altaar heeft gesloopt.’ 32En hij gaf Gideon de naam Jerubbaäl, en zei: ‘Laat Baäl het maar tegen hem opnemen omdat hij zijn altaar heeft gesloopt.’

33Weer sloten de Midjanieten, de Amalekieten en andere woestijnvolken uit het oosten zich aaneen. Ze staken de Jordaan over en sloegen hun tenten op in de vallei van Jizreël. 34Toen kwam de geest van de HEER over Gideon. Hij blies op de ramshoorn om de afstammelingen van Abiëzer onder de wapenen te roepen 35

6:35
Recht. 7:23
en zond boden naar het gebied van Manasse om daar iedereen op te roepen. Hij stuurde ook boden naar de stammen Aser, Zebulon en Naftali, en ook die voegden zich bij hem. 36
6:36
Recht. 6:17
Toen zei Gideon tegen God: ‘Ik wil graag weten of het werkelijk uw bedoeling is door mijn toedoen Israël te bevrijden, zoals u hebt gezegd. 37Daarom leg ik hier op de dorsvloer een wollen vacht. Als er morgenochtend dauw ligt op de wol terwijl de grond eromheen droog is, dan weet ik zeker dat u inderdaad door mijn toedoen Israël zult bevrijden.’ 38En zo gebeurde het. De volgende morgen wrong Gideon de wol uit. En er kwam water uit, wel een kom vol. 39Toen zei Gideon tegen God: ‘U moet niet kwaad op me worden als ik nog één keer aandring, maar ik wil nog een laatste proef nemen: nu moet de wol droog blijven en de grond eromheen nat zijn van dauw.’ 40Die nacht deed God wat Gideon had gevraagd: de wol bleef droog en de grond eromheen werd nat van dauw.

7

Gideon overvalt de Midjanieten

71De volgende morgen vroeg sloeg Jerubbaäl, Gideon dus, met zijn troepen zijn kamp op bij de Charodbron. De Midjanieten lagen iets noordelijker, in de vallei aan de voet van de More. 2Toen zei de HEER tegen Gideon: ‘Het leger dat je bij je hebt is te groot. Ik lever de Midjanieten niet aan jullie uit, want ik wil niet dat Israël zich erop beroemt dat het zich op eigen kracht heeft bevrijd. 3

7:3
Deut. 20:8
1 Mak. 3:56
Maak daarom bekend dat iedereen die bang is, kan vertrekken en via het bergland van Gilead terug naar huis kan gaan.’ Daarop vertrokken tweeëntwintigduizend man; tienduizend bleven er over. 4Maar de HEER zei tegen Gideon: ‘Het leger is nog steeds te groot. Laat je manschappen naar het water gaan, daar zal ik voor jou een keus uit hen maken. Ik zal je zeggen wie er met je mee moeten gaan en wie niet.’ 5Gideon liet de mannen naar het water gaan, en de HEER zei tegen hem: ‘Degenen die het water met hun tong oplikken, zoals honden doen, die moet je apart zetten van degenen die knielen om te drinken.’ 6Driehonderd man likten het water op met hun tong,7:6 Driehonderd man likten het water op met hun tong – Volgens een handschrift van de Septuaginta. MT: ‘Driehonderd man brachten het water met hun hand naar hun mond’. de overigen knielden om te drinken. 7‘Met die driehonderd man die het water met hun tong oplikten, zal ik jullie bevrijden,’ zei de HEER tegen Gideon. ‘Door hun toedoen zal ik Midjan aan je uitleveren. De rest van het leger kan naar huis terugkeren.’ 8Gideon hield dus alleen die driehonderd man bij zich en stuurde de rest van de Israëlieten weg, elk naar zijn eigen woonplaats. Maar eerst had hij hun proviand overgenomen, en al hun ramshoorns. Het kamp van de Midjanieten lag beneden hem, in de vallei.

9Die nacht zei de HEER tegen Gideon: ‘Het is zover! Doe een aanval op hun kamp; ik geef het je in handen. 10En als je geen aanval durft te wagen, sluip dan met je knecht Pura naar beneden 11om te horen waar ze het over hebben. Dat zal je moed geven voor de aanval.’ Samen met zijn knecht Pura sloop Gideon tot vlak bij de voorposten van de vijand. 12

7:12
Recht. 6:5
Jer. 46:22-23
De Midjanieten waren met de Amalekieten en nog andere woestijnvolken als sprinkhanen over de vlakte uitgezwermd. Hun kamelen waren ontelbaar als zandkorrels aan de zee. 13Toen Gideon aankwam, was er juist iemand aan het vertellen wat hij had gedroomd. ‘Wat ik nu toch gedroomd heb!’ zei hij. ‘Een gerstebrood rolde razendsnel rond door het kamp, botste tegen een tent aan en kegelde die omver, zodat hij in elkaar zakte.’ 14‘Dat kan niets anders zijn dan het zwaard van de Israëliet Gideon, de zoon van Joas,’ verklaarde zijn kameraad. ‘Dat betekent dat God hem ons met ons hele kamp in handen heeft gegeven.’

15Zodra Gideon de droom en de uitleg ervan had gehoord, boog hij zich dankbaar neer. Terug in het kamp spoorde hij de Israëlieten aan: ‘Het is zover! De HEER geeft jullie het kamp van Midjan in handen!’ 16Hij verdeelde de driehonderd man in drie groepen en gaf ieder van hen een ramshoorn en een lege waterkruik met een brandende fakkel erin. 17Toen zei hij: ‘Let goed op wat ik doe. Wanneer ik de voorposten van het kamp ben genaderd, moeten jullie precies hetzelfde doen als ik. 18Blazen wij, ik en mijn groep, op de ramshoorn, dan moeten jullie ook op je ramshoorn blazen, rond heel het kamp, en schreeuwen: “Voor de HEER en Gideon!”’ 19Aan het begin van de middelste nachtwake, vlak na de wisseling van de wacht, kwam Gideon met zijn groep van honderd man bij de voorposten van het kamp. Ze bliezen op hun ramshoorns en sloegen de kruiken die ze bij zich hadden aan stukken. 20Alle drie de groepen bliezen nu op hun ramshoorns en sloegen hun kruiken kapot. Ze hielden hun fakkels in de linkerhand en hun ramshoorns in de rechter en schreeuwden: ‘Te wapen voor de HEER en Gideon!’ 21Ze bleven rond het kamp staan en brachten de Midjanieten in rep en roer. 22

7:22
1 Sam. 14:20
Terwijl de driehonderd Israëlieten op hun ramshoorns bliezen, liet de HEER de Midjanieten in heel het kamp het zwaard tegen elkaar opnemen, tot ze uiteindelijk op de vlucht sloegen in de richting van Serera, naar Bet-Hassitta, tot aan de rivieroever bij Abel-Mechola, boven Tabbat.

Efraïm slaat de Midjanieten terug

23Gideon liet de weerbare Israëlieten uit Naftali, Aser en Manasse terugroepen om de Midjanieten te achtervolgen. 24Ook stuurde hij een afvaardiging naar het bergland van Efraïm, met de boodschap: ‘Ga de Midjanieten tegemoet en snijd hun de pas af door de Jordaanoever te bezetten tot aan Bet-Bara.’ Na deze oproep bezetten de mannen van Efraïm de Jordaanoever tot aan Bet-Bara. 25

7:25
Ps. 83:12
Jes. 10:26
Ze overmeesterden Oreb en Zeëb, de beide legeraanvoerders van de Midjanieten. Oreb werd gedood bij de Rots van Oreb, en Zeëb bij de Perskuip van Zeëb. Ze zetten de achtervolging op de Midjanieten in en brachten de hoofden van Oreb en Zeëb naar Gideon, die inmiddels de Jordaan was overgestoken.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]