Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
9

Genezing van een blinde

91In het voorbijgaan zag Jezus iemand die al vanaf zijn geboorte blind was. 2Zijn leerlingen vroegen: ‘Rabbi, hoe komt het dat hij blind was toen hij geboren werd? Heeft hij zelf gezondigd of zijn ouders?’ 3‘Hij niet en zijn ouders ook niet,’ was het antwoord van Jezus, ‘maar Gods werk moet door hem zichtbaar worden. 4

9:4
Joh. 4:34
11:9-10
12:35-36
Zolang het dag is, moeten we het werk doen van hem die mij gezonden heeft; straks komt de nacht en dan kan niemand iets doen. 5
9:5
Joh. 8:12
12:46
Zolang ik in de wereld ben, ben ik het licht voor de wereld.’ 6
9:6
Marc. 8:23
Na deze woorden spuwde hij op de grond. Met het speeksel maakte hij wat modder, hij streek die op de ogen van de blinde 7en zei tegen hem: ‘Ga naar het badhuis van Siloam en was u daar.’ (Siloam is in onze taal ‘gezondene’.) De man ging weg, waste zich, en toen hij terugkwam kon hij zien.

8Zijn buren en de mensen die hem kenden als bedelaar zeiden: ‘Is dat niet de man die altijd zat te bedelen?’ 9De een zei: ‘Ja, die is het,’ en de ander: ‘Nee, maar hij lijkt er wel op.’ De man zelf zei: ‘Ik ben het echt.’ 10Toen vroegen ze: ‘Hoe zijn je ogen opengegaan?’ 11Hij zei: ‘Iemand die Jezus heet, maakte wat modder, streek die op mijn ogen en zei: “Ga naar Siloam om u te wassen.” Ik ging erheen, en toen ik me gewassen had kon ik zien.’ 12

9:12
Joh. 5:12-13
Ze vroegen: ‘Waar is die man?’ ‘Dat weet ik niet,’ zei hij.

13Toen namen ze de man die blind geweest was mee naar de farizeeën. 14

9:14
Joh. 5:9
De dag dat Jezus modder gemaakt had en zijn ogen geopend had, was namelijk een sabbat. 15Ook de farizeeën vroegen hoe het kwam dat hij kon zien. En weer vertelde hij: ‘Hij heeft wat modder op mijn ogen gedaan, ik heb me gewassen en nu kan ik zien.’ 16
9:16
Joh. 3:2
7:43
10:19
Sommige farizeeën meenden: ‘Zo iemand komt niet van God, want hij houdt zich niet aan de sabbat,’ maar anderen zeiden: ‘Hoe zou een zondig mens zulke wondertekenen kunnen doen?’ Er ontstond verdeeldheid. 17
9:17
Joh. 4:19
Daarop vroegen ze aan de blinde: ‘Wat denk jij van die man? Het zijn immers jouw ogen die hij genezen heeft.’ ‘Hij is een profeet,’ was zijn antwoord.

18Maar de Joden wilden niet geloven dat hij blind geweest was en nu kon zien. Ze riepen zijn ouders 19en vroegen hun: ‘Is dat uw zoon die blind geboren zou zijn? Hoe kan hij dan nu zien?’ 20‘Dit is onze zoon,’ zeiden zijn ouders, ‘en hij is blind geboren, dat weten we zeker. 21Maar hoe hij nu kan zien, dat weten we niet, en wie zijn ogen geopend heeft, weten we ook niet. Vraag het hem zelf maar. Hij is oud genoeg om voor zichzelf te spreken.’ 22

9:22
Joh. 7:13
19:38
20:19
Dat zeiden de ouders omdat ze bang waren voor de Joden, omdat die toen al besloten hadden dat ze iedereen die Jezus als de messias zou erkennen uit de synagoge zouden zetten. 23Daarom zeiden de ouders dus dat hij oud genoeg was en dat ze het hem zelf moesten vragen.

24Toen riepen ze de man die blind geweest was weer bij zich. ‘Geef Gód de eer,’ zeiden ze, ‘die man is een zondaar, dat weten we toch.’ 25‘Of hij een zondaar is weet ik niet,’ zei hij, ‘maar één ding weet ik wel: ik was blind en nu kan ik zien.’ 26Ze drongen aan: ‘Wat heeft hij met je gedaan? Hoe heeft hij je ogen geopend?’ 27‘Dat heb ik u toch al verteld,’ zei hij, ‘maar u luistert niet! Wat wilt u nog meer horen? Wilt u soms leerling van hem worden?’ 28Nu vielen ze tegen hem uit: ‘Je bent zelf een leerling van hem! Wij zijn leerlingen van Mozes. 29Van Mozes weten we dat God met hem gesproken heeft, maar van deze man weten we niet waar hij vandaan komt.’ 30De man antwoordde: ‘Wat vreemd dat u niet begrijpt waar hij vandaan komt, terwijl hij mijn ogen geopend heeft. 31We weten dat God niet naar zondaars luistert, maar wel naar iemand die vroom is en zijn wil doet. 32Dat de ogen van iemand die blind geboren is geopend worden – dat is nog nooit vertoond! 33Als die man niet van God kwam, zou hij dit toch niet hebben kunnen doen?’ 34Toen riepen ze: ‘Jij, sinds je geboorte een en al zonde, wil jij ons de les lezen?’ En ze joegen hem weg.

35Jezus hoorde dat en zocht hem op. Hij vroeg: ‘Gelooft u in de Mensenzoon?’ 36‘Als ik wist wie het was, heer, zou ik in hem geloven,’ zei hij. 37

9:37
Joh. 4:26
‘U kijkt naar hem en u spreekt met hem,’ zei Jezus. 38Toen zei de man: ‘Ik geloof, Heer,’ en hij boog zich voor Jezus neer. 39
9:39
Joh. 12:39-40
Jezus zei: ‘Ik ben in de wereld gekomen om het oordeel te vellen. Dan zullen zij die niet zien, zien en zij die zien, zullen blind worden.’ 40Een paar farizeeën die bij hem stonden en dat hoorden, zeiden: ‘Wij zijn toch zeker niet blind!’ 41
9:41
Joh. 15:22
‘Was u maar blind,’ zei Jezus, ‘dan zou u zonder zonde zijn. Maar u beweert dat u kunt zien, en dus blijft uw zonde.’

10

De goede herder

101‘Waarachtig, ik verzeker u: wie de schaapskooi niet binnengaat door de deur maar ergens anders naar binnen klimt, is een dief of een rover. 2

10:2
Hebr. 13:20
Wie door de deur naar binnen gaat, is de herder van de schapen. 3
10:3
Joh. 10:27
Voor hem doet de bewaker open. De schapen luisteren naar zijn stem, hij roept zijn eigen schapen bij hun naam en leidt ze naar buiten. 4Wanneer hij al zijn schapen naar buiten gebracht heeft, loopt hij voor ze uit en de schapen volgen hem omdat ze zijn stem kennen. 5Iemand anders volgen ze niet, ze lopen juist van hem weg omdat ze de stem van een vreemde niet kennen.’ 6
10:6
Joh. 16:25
Jezus vertelde hun deze gelijkenis, maar ze begrepen niet wat hij bedoelde.

7Hij ging verder: ‘Waarachtig, ik verzeker u: ik ben de deur voor de schapen. 8Wie vóór mij kwamen waren allemaal dieven en rovers, maar de schapen hebben niet naar hen geluisterd. 9

10:9
Joh. 14:6
Ik ben de deur: wanneer iemand door mij binnenkomt zal hij gered worden; hij zal in en uit lopen, en hij zal weidegrond vinden. 10Een dief komt alleen om te roven, te slachten en te vernietigen, maar ik ben gekomen om hun het leven te geven in al zijn volheid.

11

10:11
Ps. 23:1
Jes. 40:11
Ezech. 34:11-15,23
Mat. 18:12-14
Ik ben de goede herder. Een goede herder geeft zijn leven voor de schapen. 12Een huurling, iemand die geen herder is, en die niet de eigenaar van de schapen is, laat de schapen in de steek en slaat op de vlucht zodra hij een wolf ziet aankomen. De wolf valt de kudde aan en jaagt de schapen uiteen; 13de man is een huurling en de schapen kunnen hem niets schelen. 14
10:14
Joh. 10:27
Ik ben de goede herder. Ik ken mijn schapen en mijn schapen kennen mij, 15
10:15
Mat. 11:27
Luc. 10:22
Joh. 1:18
zoals de Vader mij kent en ik de Vader ken. Ik geef mijn leven voor de schapen. 16Maar ik heb ook nog andere schapen, die niet uit deze schaapskooi komen. Ook die moet ik hoeden, ook zij zullen naar mijn stem luisteren: dan zal er één kudde zijn, met één herder. 17
10:17
Joh. 3:35
5:20
15:9
17:23
De Vader heeft mij lief omdat ik mijn leven geef, om het ook weer terug te nemen. 18
10:18
Joh. 14:31
Niemand neemt mijn leven, ik geef het zelf. Ik ben vrij om het te geven en om het weer terug te nemen – dat is de opdracht die ik van mijn Vader heb gekregen.’

19

10:19
Joh. 7:43
9:16
Opnieuw ontstond er verdeeldheid onder de Joden om wat hij zei. 20
10:20
Joh. 7:20
8:48,52
Veel mensen zeiden: ‘Hij is bezeten, hij is gek. Waarom luisteren jullie nog naar hem?’ 21
10:21
Joh. 3:2
9:30-33
Maar anderen zeiden: ‘Dit zijn niet de woorden van iemand die bezeten is, en een demon kan de ogen van blinden niet openen.’

Geloof en ongeloof

22In Jeruzalem werd het feest van de Tempelwijding gevierd; het was winter. 23Jezus liep in de tempel, in de zuilengang van Salomo. 24

10:24
Marc. 14:61
Daar kwamen de Joden om hem heen staan, en ze vroegen hem: ‘Hoe lang houdt u ons nog in het onzekere? Als u de messias bent, zeg het ons dan ronduit.’ 25
10:25
Joh. 5:36
10:37-38
Jezus antwoordde: ‘Dat heb ik u al gezegd, maar u gelooft het niet. Wat ik namens mijn Vader doe getuigt over mij, 26
10:26-27
Joh. 10:3-4,14
maar u wilt me niet geloven, omdat u niet bij mijn schapen hoort. 27Mijn schapen luisteren naar mijn stem, ik ken ze en zij volgen mij. 28
10:28
Joh. 3:16
6:39
17:12
18:9
Ik geef ze eeuwig leven: ze zullen nooit verloren gaan en niemand zal ze uit mijn hand roven. 29
10:29
Joh. 17:24
Wat mijn Vader mij gegeven heeft gaat alles te boven,10:29 Wat mijn Vader mij gegeven heeft gaat alles te boven – Andere handschriften lezen: ‘De Vader die [ze] mij gegeven heeft, is groter dan allen’. niemand kan het uit de hand van mijn Vader roven, 30
10:30
Joh. 10:38
17:21
en de Vader en ik zijn één.’

31

10:31
Joh. 8:59
Toen de Joden weer stenen opraapten omdat ze hem wilden stenigen, 32zei Jezus: ‘Ik heb door de Vader veel goeds voor u gedaan; waarom wilt u me stenigen?’ 33
10:33
Lev. 24:16
Marc. 14:64
Joh. 5:18
19:7
‘Voor een goede daad zullen we u niet stenigen,’ antwoordden ze, ‘maar wel voor godslastering: u bent een mens, maar u beweert dat u God bent!’ 34
10:34
Ps. 82:6
Jezus zei: ‘Staat er in uw wet niet geschreven: “Ik heb gezegd: ‘U bent goden’”? 35De Schrift blijft altijd van kracht; als mensen tot wie God spreekt goden genoemd worden, 36hoe kunt u mij, door de Vader geheiligd en naar de wereld gezonden, dan beschuldigen van godslastering wanneer ik zeg dat ik Gods Zoon ben? 37
10:37-38
Joh. 10:25
10:37
Joh. 5:36
Als wat ik doe niet van mijn Vader komt, geloof me dan niet, 38
10:38
Joh. 14:11
17:21
maar als dat wel het geval is en u gelooft me toch niet, geloof dan tenminste wat ik doe. Dan zult u begrijpen dat de Vader in mij is en dat ik in de Vader ben.’ 39
10:39
Joh. 8:59
En weer wilden ze hem grijpen, maar hij ontsnapte.

40

10:40
Joh. 1:28
Hij ging terug naar de overkant van de Jordaan, naar de plaats waar Johannes eerder gedoopt had. Daar bleef hij. 41Veel mensen kwamen naar hem toe; ze zeiden: ‘Johannes heeft weliswaar geen wonderteken gedaan, maar alles wat hij over deze man gezegd heeft is waar.’ 42
10:42
Joh. 8:30
En velen kwamen daar tot geloof in hem.

11

Lazarus uit de dood opgewekt

111

11:1
Luc. 10:38-39
Er was iemand ziek, een zekere Lazarus uit Betanië, het dorp waar Maria en haar zuster Marta woonden – 2
11:2
Joh. 12:3
dat was de Maria die Jezus met olie gezalfd heeft en zijn voeten met haar haar heeft afgedroogd; de zieke Lazarus was haar broer. 3De zusters stuurden iemand naar Jezus met de boodschap: ‘Heer, uw vriend is ziek.’ 4
11:4
Joh. 9:3
Toen Jezus dit hoorde zei hij: ‘Deze ziekte loopt niet uit op de dood, maar op de eer van God, zodat de Zoon van God geëerd zal worden.’ 5Jezus hield veel van Marta en haar zuster, en van Lazarus. 6Maar toen hij gehoord had dat Lazarus ziek was, bleef hij toch nog twee dagen waar hij was. 7Daarna zei hij tegen zijn leerlingen: ‘Laten we teruggaan naar Judea.’ 8
11:8
Joh. 8:59
10:31
‘Maar rabbi,’ protesteerden de leerlingen, ‘de Joden wilden u stenigen, en nu wilt u daar toch weer naartoe?’ 9
11:9
Joh. 8:12
9:4
12:35
Jezus zei: ‘Telt een dag niet twaalf uren? Wie overdag loopt, struikelt niet, want hij ziet het licht van deze wereld, 10maar wie ’s nachts loopt, struikelt doordat hij geen licht heeft.’ 11
11:11
Marc. 5:39
Nadat hij dat gezegd had zei hij: ‘Onze vriend Lazarus is ingeslapen, ik ga hem wakker maken.’ 12De leerlingen zeiden: ‘Als hij slaapt, zal hij wel beter worden, Heer.’ 13Zij dachten dat hij het over slapen had, terwijl Jezus bedoelde dat hij gestorven was. 14Toen zei hij hun ronduit: ‘Lazarus is gestorven, 15en om jullie ben ik blij dat ik er niet bij was: nu kunnen jullie tot geloof komen. Laten we dan nu naar hem toe gaan.’ 16Tomas (dat betekent ‘tweeling’) zei tegen de anderen: ‘Laten ook wij maar gaan, om met hem te sterven.’

17Toen Jezus daar aankwam, hoorde hij dat Lazarus al vier dagen in het graf lag. 18Betanië lag dicht bij Jeruzalem, op een afstand van ongeveer vijftien stadie, 19

11:19
Joh. 12:9,17
en er waren dan ook veel Joden naar Marta en Maria gekomen om hen te troosten nu hun broer gestorven was. 20Toen Marta hoorde dat Jezus onderweg was ging ze hem tegemoet, terwijl Maria thuisbleef. 21
11:21
Joh. 11:32
Marta zei tegen Jezus: ‘Als u hier was geweest, Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn. 22Maar zelfs nu weet ik dat God u alles zal geven wat u vraagt.’ 23Jezus zei: ‘Je broer zal uit de dood opstaan.’ 24‘Ja,’ zei Marta, ‘ik weet dat hij bij de opstanding op de laatste dag zal opstaan.’ 25
11:25
Joh. 5:21
8:51
Maar Jezus zei: ‘Ik ben de opstanding en het leven. Wie in mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft, 26en ieder die leeft en in mij gelooft zal nooit sterven. Geloof je dat?’ 27
11:27
Joh. 1:9
6:14
18:37
‘Ja Heer,’ zei ze, ‘ik geloof dat u de messias bent, de Zoon van God die naar de wereld zou komen.’

28Na deze woorden ging ze terug, ze nam haar zuster Maria apart en zei: ‘De meester is er, en hij vraagt naar je.’ 29Zodra Maria dit hoorde ging ze naar Jezus toe, 30die nog niet in het dorp was, maar op de plek waar Marta hem tegemoet was gekomen. 31Toen de Joden die bij haar in huis waren om haar te troosten, Maria zo haastig zagen weggaan, liepen ze achter haar aan, want ze dachten dat ze naar het graf ging om daar te weeklagen.

32

11:32
Joh. 11:21
Zodra Maria op de plek kwam waar Jezus was en hem zag, viel ze aan zijn voeten neer. Ze zei: ‘Als u hier was geweest, Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn!’ 33Jezus zag hoe zij en de Joden die bij haar waren weeklaagden, en dat ergerde hem. Diep bewogen 34vroeg hij: ‘Waar hebben jullie hem neergelegd?’ Ze zeiden: ‘Kom maar kijken, Heer.’ 35Jezus begon ook te huilen, 36en de Joden zeiden: ‘Wat heeft hij veel van hem gehouden!’ 37
11:37
Joh. 9:1-7
Maar er werd ook gezegd: ‘Hij heeft de ogen van een blinde geopend, hij had nu toch ook de dood van Lazarus kunnen voorkomen?’ 38Ook dit ergerde Jezus. Hij liep naar het graf, een spelonk met een steen voor de opening. 39Hij zei: ‘Haal de steen weg.’ Marta, de zuster van de dode, zei: ‘Maar Heer, de stank! Hij ligt er al vier dagen!’ 40Jezus zei tegen haar: ‘Ik heb je toch gezegd dat je Gods grootheid zult zien als je gelooft?’ 41
11:41
Joh. 17:1
Toen haalden ze de steen weg. Daarop keek hij omhoog en zei: ‘Vader, ik dank u dat u mij hebt verhoord. 42
11:42
Joh. 17:8
U verhoort mij altijd, dat weet ik, maar ik zeg dit ter wille van al die mensen hier, opdat ze zullen geloven dat u mij gezonden hebt.’ 43
11:43
Joh. 5:28-29
Daarna riep hij: ‘Lazarus, kom naar buiten!’ 44De dode kwam tevoorschijn, zijn handen en voeten in linnen gewikkeld, en zijn gezicht bedekt door een doek. Jezus zei tegen de omstanders: ‘Maak de doeken los, en laat hem gaan.’

45

11:45
Joh. 8:30
Veel Joden die naar Maria toe gekomen waren en gezien hadden wat Jezus deed, kwamen tot geloof in hem. 46Maar enkelen gingen naar de farizeeën om hun te vertellen wat Jezus gedaan had. 47Daarop riepen de hogepriesters en de farizeeën het Sanhedrin bijeen: ‘Wat moeten we doen? Deze man doet veel wondertekenen, 48en als we hem zijn gang laten gaan, zal iedereen in hem gaan geloven. Straks grijpen de Romeinen in; dan zullen ze onze tempel en ons volk vernietigen.’ 49
11:49
Luc. 3:2
Joh. 18:13
Een van hen, Kajafas, die dat jaar hogepriester was, zei tegen de anderen: ‘Jullie begrijpen het niet! 50Besef toch dat het in jullie eigen belang is dat één man sterft voor het hele volk, zodat niet het hele volk verloren gaat.’ 51
11:51-52
Joh. 10:16
Dat zei hij niet uit zichzelf: als hogepriester in dat jaar sprak hij de profetie dat Jezus zou sterven voor het volk, 52en niet alleen voor het volk, maar ook om de verstrooide kinderen van God bijeen te brengen. 53
11:53
Mat. 26:1-5
Marc. 14:1-2
Luc. 22:1-2
Joh. 5:18
7:1,19
8:37,40
Vanaf die dag overlegden ze hoe ze hem zouden doden.

54Jezus trad onder de Joden niet meer in het openbaar op, maar vertrok naar de omgeving van de woestijn, naar de stad Efraïm. Daar bleef hij met zijn leerlingen.

Maria zalft Jezus

55Het was kort voor Pesach, het Joodse paasfeest, en veel mensen uit de omgeving gingen al vóór het feest naar Jeruzalem om zich te reinigen. 56

11:56
Joh. 7:11
Daar keken ze uit naar Jezus; ze stonden in de tempel en zeiden tegen elkaar: ‘Wat denk je? Zou hij niet meer naar het feest komen?’ 57De hogepriesters en de farizeeën hadden opdracht gegeven hem aan te geven als men wist waar hij was, zodat ze hem konden arresteren.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]