Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
63

De wraak van de HEER

631

63:1-6
Jes. 34:1-17
Jer. 49:7-22
Ezech. 25:12-14
Amos 1:11-12
Ob. 1-14
Mal. 1:2-5
‘Wie is het die uit Edom komt, uit Bosra,

in purper gekleed, met praal getooid,

die zich groots en machtig verheft?’

Ik ben het die in gerechtigheid spreekt

en bij machte is te redden.

2‘Hoe komen uw kleren zo rood,

als de kleren van iemand die de wijnpers treedt?’

3

63:3
Joël 4:13
Op. 14:20
19:15
Ik heb de perskuip alleen getreden,

geen van de volken hielp me daarbij.

Ik trad hen in mijn woede,

vertrapte hen in mijn toorn.

Hun bloed bespatte mijn kleren,

al mijn kleren werden besmeurd.

4Ik had besloten tot een dag van wraak,

het jaar van vergelding was aangebroken.

5

63:5
Jes. 59:16
Toen zag ik dat er niemand was die hielp,

ik was geschokt dat niemand mij aanmoedigde.

Op eigen kracht bracht ik redding,

door mijn woede aangespoord.

6Ik heb de volken in mijn woede vertrapt,

met mijn toorn heb ik hen dronken gevoerd.

Hun bloed liet ik op aarde neervloeien.

Waar is onze beschermer?

7

63:7
Ps. 89:2
Ik zal de liefde van de HEER gedenken

en zijn roemrijke daden bezingen:

alles wat de HEER voor ons heeft gedaan,

de goedheid die hij het volk van Israël bewees

in zijn ontferming en onbegrensde liefde.

8Hij zei: ‘Natuurlijk, het is mijn volk!

Mijn kinderen zijn te vertrouwen.’

Daarom wilde hij hun redder zijn.

9

63:9
Ex. 19:4
Jes. 46:3
In al hun nood was ook hijzelf in nood:

zij werden gered door de engel van zijn tegenwoordigheid.

In zijn liefde en mededogen heeft hij hen zelf verlost,

hij tilde hen op en heeft hen gedragen, alle jaren door.

10

63:10
Jes. 1:2-4
Ef. 4:30
Maar zij zijn in opstand gekomen

en hebben zijn heilige geest gekrenkt.

Daarom werd hij hun tot vijand

en bond hij de strijd met hen aan.

11

63:11
Neh. 9:20
Ps. 77:21
Toen dacht hij aan de dagen van weleer,

aan Mozes en zijn volk.

Waar is hij die zijn volk door de zee voerde,

waar zijn de herders van zijn kudde?

Waar is hij die hen bezielde

met zijn heilige geest?

12Die Mozes terzijde stond met zijn luisterrijke arm,

die voor hen het water kliefde

om zich een eeuwige naam te verwerven?

13

63:13
Ex. 14:21
Jes. 51:10
Die hen door de diepte leidde

als paarden door de woestijn,

zonder dat ze struikelden,

14als vee dat afdaalt naar het dal?

Het was de geest van de HEER die hun rust gaf.

Ja, u hebt zelf uw volk geleid

om u een luisterrijke naam te verwerven.

15Zie neer vanuit de hemel,

kijk vanuit uw heilige, luisterrijke woning.

Waar zijn uw strijdlust en uw machtige daden?

U bent niet meer met mij begaan,

uw ontferming gaat aan mij voorbij.

16

63:16
Deut. 1:31
U bent toch onze vader?

Abraham heeft ons niet gekend

en Israël zou ons niet herkennen,

maar u, HEER, bent onze vader,

van oudsher heet u Onze beschermer.

17Waarom, HEER, liet u ons afdwalen van uw wegen?

Waarom hebt u ons onbuigzaam gemaakt,

zodat wij geen ontzag meer voor u hadden?

Keer toch terug, omwille van uw dienaren,

van de stammen die u toebehoren.

18Sinds kort hebben onze vijanden

uw heilig volk in hun macht gekregen

en uw heiligdom vertrapt.

19

63:19
Ps. 18:10
144:5
Het63:19b-64:11 In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 64:1-12. is alsof u nooit over ons hebt geheerst,

alsof uw naam nooit over ons is uitgeroepen.

Scheurde u maar de hemel open om af te dalen!

De bergen zouden voor u beven.

64

641Zoals vuur dorre twijgen in vlam zet,

zoals vuur water doet koken,

zo zou u uw vijanden uw naam laten kennen

en alle volken voor u laten beven,

2omdat u de geduchte daden doet

waarop wij niet durven hopen.

Als u toch zou afdalen!

De bergen zouden voor u beven.

3

64:3
1 Kor. 2:9
Nog nooit is zoiets gehoord,

niet eerder zoiets vernomen.

Geen oog zag ooit een god buiten u,

die opkomt voor wie op hem wacht.

4U komt ieder tegemoet

die van harte rechtvaardig handelt,

die uw weg gaat, met u voor ogen.

Maar nu bent u in toorn ontstoken,

omdat wij gezondigd hebben.

Hadden we maar de oude weg gevolgd,

dan zouden we worden gered.

5

64:5
Lev. 15:19-24
Wij allen zijn onrein geworden,

onze gerechtigheid is als het kleed

van een menstruerende vrouw.

Wij allen zijn als verwelkte bladeren,

verwaaid op de wind van ons wangedrag.

6Er is niemand die uw naam aanroept,

die zich ertoe zet uw hand te grijpen.

U hebt uw gelaat voor ons verborgen,

u hebt ons moedeloos gemaakt

en ons overgeleverd aan ons eigen wangedrag.

7

64:7
Deut. 32:6
Toch, HEER, bent u onze vader,

wij zijn de klei, door u gevormd,

wij zijn het werk van uw handen.

8Laat uw grote toorn toch varen, HEER,

houd onze schuld niet steeds in gedachten,

maar zie ons aan: wij zijn toch uw volk?

9Uw heilige plaatsen zijn een woestijn geworden:

Sion is een woestijn, Jeruzalem een woestenij.

10Onze heilige, luisterrijke tempel,

waar onze voorouders u hebben vereerd,

is ten prooi gevallen aan het vuur,

en alles wat ons dierbaar was, is verwoest.

11Laat dit alles u onbewogen, HEER?

Blijft u zwijgen en laat u ons zozeer lijden?

65

De HEER zal goed én kwaad vergelden

651Al vragen zij niet naar mij,

toch laat ik me raadplegen,

en al zoeken ze mij niet,

toch laat ik me vinden.

Al roept dit volk mijn naam niet aan,65:1 roept dit volk mijn naam niet aan – Volgens een Qumran-handschrift en de oudste vertalingen. MT: ‘wordt dit volk niet bij mijn naam genoemd’.

toch antwoord ik: ‘Hier ben ik, hier ben ik.’

2

65:2
Rom. 10:20-21
Heel de dag sta ik met uitgestoken handen

tegenover een opstandig volk,

dat op de verkeerde weg is

en zijn eigen ingevingen volgt.

3

65:3
Deut. 32:21
Een volk dat mij openlijk tergt, telkens opnieuw:

ze ontsteken offers in tuinen

en branden wierook op branders van aardewerk,

4ze zitten in graven

en slapen op geheime plaatsen,

ze eten vlees van zwijnen,

hun vaatwerk is gevuld met onrein vleesnat.

5Ze zeggen: ‘Blijf waar u bent, kom niet dichterbij,

want wij zijn te heilig voor u.’

Ze prikkelen mij als rook in mijn neus,

ze zijn als een vuur dat de hele dag brandt.

6Hier voor mij ligt wat er geschreven staat;

ik zal niet rusten65:6 ik zal niet rusten – Volgens andere Hebreeuwse handschriften en de oudste vertalingen. Betekenis MT onzeker. tot ik alles heb vergolden.

Ik zal jullie je wandaden terugbetalen

7en die van je voorouders erbij – zegt de HEER;

ook zij hebben wierook gebrand op de bergen

en mij gehoond op de heuvels.

Ik heb hun loon van tevoren bepaald,

ze krijgen het allemaal terug.

8Dit zegt de HEER:

Zolang er sap is in een druiventros, zegt men:

‘Vernietig hem niet, er zit nog iets goeds in.’

Voor mijn dienaren zal ik hetzelfde doen,

ik zal niet alles vernietigen.

9

65:9
Jes. 57:13
Uit Jakob zal ik nageslacht doen voortkomen,

uit Juda een erfgenaam van mijn bergland;

mijn uitverkorenen zullen het land in bezit nemen,

mijn dienaren zullen zich daar vestigen.

10De Saron zal weidegrond zijn voor schapen,

het Achordal een rustplaats voor rundvee,

bezit van het volk dat mij heeft geraadpleegd.

11Maar jullie die de HEER hebben verlaten

en mijn heilige berg veronachtzaamd,

die voor de god van het geluk de tafel dekten

en voor de god van het fortuin de kruiken vulden,

12

65:12
Jes. 50:2
66:4
Jer. 7:13
jullie zal ik voor het zwaard bestemmen,

ieder van jullie zal knielen voor de slacht.

Want ik heb geroepen, maar jullie antwoordden niet,

ik heb gesproken, maar jullie luisterden niet;

jullie deden wat slecht is in mijn ogen,

en jullie verkozen wat ik niet wil.

13Daarom – dit zegt God, de HEER:

Mijn dienaren zullen eten,

maar jullie zullen honger lijden;

mijn dienaren zullen drinken,

maar jullie zullen dorst lijden;

mijn dienaren zullen zich verheugen,

maar jullie zullen te schande staan;

14mijn dienaren zullen juichen van vreugde,

maar jullie schreeuwen het vertwijfeld uit

en weeklagen, vanwege een gebroken geest.

15

65:15
Jes. 56:5
62:2
Op. 2:17
3:12
De naam die jullie nalaten

wordt door mijn uitverkorenen gebruikt

wanneer zij iemand vervloeken:

‘Zo zal God, de HEER, je doden!’

Maar mijn dienaren geef ik een andere naam,

16die in dit land zal dienen

als zegenspreuk en eedformule:

‘Bij de waarachtige God’.

Dan zal alle ellende van vroeger vergeten zijn,

verborgen voor mijn ogen.

17

65:17
Jes. 66:22
2 Petr. 3:13
Op. 21:1
Zie, ik schep een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.

Wat er vroeger was raakt in vergetelheid,

het komt niemand ooit nog voor de geest.

18Er zal alleen maar blijdschap zijn

en groot gejuich om wat ik schep.

Ik herschep Jeruzalem in een jubelende stad

en schenk haar bevolking vreugde.

19

65:19
Jes. 62:5
Op. 21:4
Dan zal ik over Jeruzalem jubelen

en mij verblijden over mijn volk.

Geen geween of geweeklaag wordt daar nog gehoord.

20

65:20
Zach. 8:4
Geen zuigeling zal daar meer zijn

die slechts enkele dagen leeft,

geen grijsaard die zijn jaren niet voltooit;

want een kind zal pas sterven als honderdjarige,

en wie geen honderd wordt, geldt als vervloekt.

21

65:21
Deut. 28:30-33
Jes. 62:8
Jer. 31:5
Amos 9:14
Zij zullen huizen bouwen en er zelf in wonen,

wijngaarden planten en zelf van de opbrengst eten;

22in wat zij bouwen zal geen ander wonen,

van wat zij planten zal geen ander eten.

Want de jaren van mijn volk

zullen zijn als de jaren van een boom;

mijn uitverkorenen zullen zelf genieten

van het werk van hun handen.

23Zij zullen zich niet tevergeefs afmatten

en geen kinderen baren voor een verschrikkelijk lot.

Zij zullen, met heel hun nageslacht,

een volk zijn dat door de HEER is gezegend.

24Ik zal hun antwoorden nog voor ze mij roepen,

ik zal hen verhoren terwijl ze nog spreken.

25

65:25
Gen. 3:14
Jes. 11:6-9
Wolf en lam zullen samen weiden,

een leeuw en een rund eten beide stro

en een slang zal zich voeden met stof.

Niemand doet kwaad, niemand sticht onheil

op heel mijn heilige berg – zegt de HEER.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]