Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
14

De grote droogte

141

14:1-6
Lev. 26:18-20
Dit zijn de woorden die de HEER richtte tot Jeremia naar aanleiding van de grote droogte:

2

14:2
Klaagl. 1:4
‘Juda treurt, de steden kwijnen weg,

in het zwart gehuld zit de bevolking op de grond,

jammerklachten klinken uit Jeruzalem.

3De rijken sturen hun knechten om water.

Ze komen bij de putten,

maar water vinden ze niet.

Met lege kruiken keren ze terug.

Verslagen en beschaamd

houden ze hun gezicht bedekt.

4

14:4
Jer. 3:3
De aarde is ontzet over haar eigen opbrengst,

want het heeft niet geregend op het land.

De boeren staan verslagen,

ze houden hun gezicht bedekt.

5Ja, zelfs de hinde in het veld

laat het jong dat ze wierp in de steek,

want er is geen groen.

6Op kale heuvels happen wilde ezels

als jakhalzen naar adem.

Hun ogen breken,

want er is geen gras.’

7

14:7
Jes. 59:12
HEER, al getuigen onze wandaden tegen ons,

grijp toch in omwille van uw naam.

Talloze malen waren wij u ontrouw,

wij hebben tegen u gezondigd.

8Bron van hoop voor Israël,

redder in tijden van nood,

waarom bent u als een vreemdeling in dit land,

als een reiziger die maar één nacht blijft?

9

14:9
Deut. 28:10
Jer. 15:16
Waarom bent u als een radeloze man,

als een soldaat die ons niet kan redden?

U bent toch in ons midden, HEER,

wij behoren u toch toe?

Laat ons niet in de steek.’

10

14:10
Hos. 8:13
‘De HEER zegt over dit volk:

Maar al te graag dwalen ze weg,

ze sparen hun voeten niet.

De HEER schept geen behagen meer in hen.

Nu brengt hij hun wandaden in rekening,

nu bestraft hij hun zonden.’

11De HEER zei tegen mij: ‘Bid niet voor het welzijn van dit volk. 12

14:12
Ezech. 5:12
14:21
Op. 6:8
Ook al vasten ze, ik zal niet naar hun smeekbeden luisteren. Ook al brengen ze brandoffers en graanoffers, die zullen mij niet behagen. Ik zal hen vernietigen met het zwaard, de honger en de pest.’ 13Ik zei: ‘Ach HEER, mijn God, hun profeten verkondigen: “Het zwaard zal jullie bespaard blijven en jullie zullen geen honger lijden; ik schenk jullie blijvende vrede in dit land.”’ 14
14:14
Jer. 5:31
27:10
29:9
De HEER antwoordde: ‘Die profeten verkondigen leugens, en dat in mijn naam. Ik heb hen niet gezonden, hun niets opgedragen, niet tot hen gesproken. De visioenen die ze profeteren zijn leugens, waarzeggerij, holle woorden en eigen verzinsels. 15Daarom – dit zegt de HEER over de profeten die ik niet gezonden heb, maar die in mijn naam profeteren dat dit land niet door het zwaard en de honger zal worden getroffen: Zij zullen zelf door het zwaard en de honger omkomen. 16En de straten van Jeruzalem zullen bezaaid liggen met de lijken van hun toehoorders, geveld door de honger en het zwaard. Er zal niemand zijn die hen en hun vrouwen, zonen en dochters begraaft. Zo stort ik hun eigen kwaad over hen uit.

17Zeg tegen hen:

Laten mijn ogen vloeien van tranen,

nacht en dag.

Ogen, kom niet tot rust,

want mijn volk is deerlijk verwond,

niet te helen is zijn letsel.

18Als ik naar de akkers ga, zie ik ze liggen,

geveld door het zwaard.

Als ik de stad in ga, zie ik ze liggen,

uitgeteerd door de honger.

Zelfs profeten, zelfs priesters

komen terecht in een onbekend land.’

19

14:19
Jer. 8:15
‘Hebt u Juda verworpen,

hebt u van de Sion een afkeer gekregen?

Waarom hebt u ons zo hard geslagen

dat er geen genezing voor ons is?

Wij hoopten op vrede, maar vrede bleef uit,

wij verwachtten genezing, maar angst overviel ons.

20HEER, wij bekennen onze schuld,

en de schuld van onze voorouders:

wij hebben tegen u gezondigd.

21Maar verstoot ons toch niet,

doe het niet, omwille van uw naam.

Ontluister uw troon toch niet,

denk aan uw verbond met ons, verbreek het niet.

22Brengen die nietige goden van andere volken soms regen,

of schenkt de hemel buien uit zichzelf?

U, de HEER, onze God, doet dat toch?

Wij vestigen onze hoop op u,

want u hebt alles gemaakt.’

15

151

15:1
Ex. 32:11-14
Num. 14:13-19
1 Sam. 7:5-9
De HEER zei tegen mij: ‘Zelfs al zouden Mozes en Samuel voor mij staan, dan nog zou ik dit volk geen gehoor geven. Stuur het weg, laat het uit mijn ogen verdwijnen. 2
15:2
Jer. 43:11
Op. 13:10
En als ze je vragen waar ze naartoe moeten, zeg dan: Dit zegt de HEER:

Wie bestemd is voor de pest – naar de pest,

wie bestemd is voor het zwaard – naar het zwaard,

wie bestemd is voor de honger – naar de honger,

wie bestemd is voor het ballingsoord – naar het ballingsoord.

3
15:3
Jer. 14:12
Ik zal vier machten op hen afsturen – spreekt de HEER: het zwaard om te doden, honden om weg te sleuren, roofvogels en wilde dieren om te verscheuren en te verslinden. 4
15:4
2 Kon. 21:1-16
2 Kron. 33:1-9
Jer. 24:9
29:18
34:17
Om wat koning Manasse van Juda, de zoon van Hizkia, in Jeruzalem heeft gedaan, maak ik hen tot een afschrikwekkend voorbeeld voor alle koninkrijken op aarde.

5

15:5
Jes. 51:19
Jeruzalem, wie is nog met je begaan,

wie zal om jou een klaaglied aanheffen,

wie zal nog naar je toe komen

en vragen hoe het met je is?

6Je hebt me verlaten – spreekt de HEER –,

je hebt me de rug toegekeerd.

Daarom hef ik mijn hand op

en sla ik je neer.

Ik ben mijn mededogen moe.

7Ik verjaag je uit de steden van het land,

ik beroof je van je kinderen.

Ik zal mijn volk ombrengen,

want het heeft zijn leven niet gebeterd.

8Er zullen meer weduwen zijn dan zandkorrels aan de zee.

Op de moeders van jonge soldaten

stuur ik geweldenaars af,

op het heetst van de dag.

Ik tref hen onverhoeds met angst en ontzetting.

9Moeders die zeven kinderen hebben gebaard

zullen bezwijken en in onmacht vallen.

Hun zon gaat onder op klaarlichte dag,

ze worden van hun hoop beroofd en staan te schande.

En wie het overleeft, lever ik uit aan het zwaard,

geef ik aan zijn vijanden prijs

– spreekt de HEER.’

Klacht van Jeremia

10‘Wee mij! Ach moeder, dat u mij moest baren!

Ik wek overal ergernis, iedereen bestrijdt mij.

Ik ben niemands schuldeiser, en heb zelf geen schulden,

toch word ik door iedereen vervloekt.

11HEER, ik heb voor hen toch tot u gebeden,15:11 HEER, ik heb voor hen toch tot u gebeden – Voorgestelde lezing ondersteund door de Septuaginta. MT: ‘De HEER zei: “Ik zal u zeker bevrijden!”’

voor hen gepleit in tijden van rampspoed en nood?

12Maar het ijzer en het brons uit het noorden

doen hun vernietigend werk.’

13

15:13-14
Jer. 17:3-4
‘Jullie rijkdommen en schatten laat ik plunderen,

dat is de prijs voor15:13 dat is de prijs voor – Volgens de Septuaginta. MT: ‘niet voor een prijs en om’. de zonden die je overal beging.

14Ik maak jullie tot slaaf van je vijanden15:14 Ik maak jullie tot slaaf van je vijanden – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften en oude vertalingen. MT: ‘Ik laat je vijanden voorbijgaan’.

in een onbekend land.

Want het vuur van mijn toorn slaat uit,

de vlammen zullen jullie verzengen.’

15

15:15
Ps. 69:8
‘O HEER, u kent mij.

Denk aan mij, bekommer u om mij,

wreek mij op mijn achtervolgers.

Heb met hen niet zo veel geduld

dat het mij het leven kost.

Weet dat ik omwille van u belasterd word.

16Telkens als ik uw woorden hoorde,

nam ik ze als voedsel tot mij.

Uw woorden gaven mij een diepe vreugde,

want ik behoor u toe, o HEER,

God van de hemelse machten.

17Nooit was ik in vrolijk gezelschap,

nooit heb ik plezier gemaakt.

Eenzaam was ik, door uw toedoen,

u had mij immers volgegoten met uw woede.

18Waarom blijft mijn lijden duren,

is mijn wond niet te genezen,

waarom wil hij maar niet helen?

U hebt mij teleurgesteld,

als een beek die drooggevallen is.’

19‘Dit zegt de HEER:

Als je bij mij terugkeert en ik je aanneem,

zul je mij weer dienen.

Als je waardige woorden spreekt, niets onwaardigs,

zul je weer mijn zegsman zijn.

Laat dit volk zich naar jou richten,

jij mag je niet richten naar hen.

20

15:20
Jer. 1:18-19
Ik maak jou voor dit volk

tot een bronzen vestingmuur.

Ze zullen je bestrijden,

maar je niet overwinnen,

want ik zal je terzijde staan

om je te beschermen en te redden

– spreekt de HEER.

21Ik zal je redden uit de handen van boosdoeners,

ik bevrijd je uit de greep van geweldenaars.’

16

Jeremia’s levenslot als voorbeeld

161De HEER richtte zich tot mij: 2‘Je mag in dit land niet trouwen en geen kinderen krijgen, 3want dit zegt de HEER over de kinderen die hier geboren zullen worden, over de moeders die hen zullen baren en de vaders die hen zullen verwekken: 4

16:4
Jer. 8:2
Ze zullen aan dodelijke ziekten sterven. Niemand zal om hen rouwen en niemand zal hen begraven; ze zullen als mest op de akkers blijven liggen. Anderen zullen sterven door het zwaard en de honger. Hun lijken vallen ten prooi aan roofvogels en wilde dieren.

5Dit zegt de HEER: Ga niet naar een huis waar een rouwmaaltijd gehouden wordt; rouw niet mee en toon geen medeleven, want ik ontneem dit volk mijn vriendschap, liefde en erbarmen – spreekt de HEER –, 6zodat groot en klein in dit land zullen sterven. Ze zullen niet worden begraven en niemand zal om hen rouwen, niemand zal zijn lichaam kerven of zich kaalscheren van verdriet. 7

16:7
Ezech. 24:17
Niemand zal voor hen die rouwen brood breken om hen te troosten, niemand zal hun als troost een beker aanreiken, zelfs al rouwen ze om hun vader of moeder. 8Ga ook niet naar een huis waar feest wordt gevierd om daar te eten en te drinken. 9
16:9
Jer. 7:34
25:10
Op. 18:23
Want dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Jullie zullen nog meemaken dat ik in dit land de vreugdezangen laat verstommen en bruid en bruidegom hun lied ontneem.

10

16:10
Jer. 5:19
Als je dit alles tegen het volk zegt en ze je vragen: “Waarom dreigt de HEER ons met dit onheil, wat hebben wij misdaan, welke zonde hebben wij tegen de HEER, onze God, begaan?” 11
16:11
Deut. 29:24
zeg dan tegen hen: Jullie voorouders hebben mij verlaten – spreekt de HEER – en zijn achter andere goden aan gelopen; ze hebben hen gediend en zich voor hen neergebogen. Maar mij hebben ze verlaten en mijn wet hebben ze niet in acht genomen. 12En jullie hebben het nog erger gemaakt, want ieder van jullie laat zich nu leiden door zijn koppig en boosaardig hart in plaats van naar mij te luisteren. 13Daarom zal ik jullie wegwerpen: ik verdrijf jullie naar een land dat jullie niet kennen en dat ook jullie voorouders niet hebben gekend. Daar zullen jullie andere goden dienen, dag en nacht, en ik zal geen medelijden met jullie hebben.

14

16:14-15
Jer. 23:7-8
16:14
Ex. 20:2
De dag zal komen – spreekt de HEER – dat er niet meer wordt gezegd: “Zo waar de HEER leeft, die het volk van Israël uit Egypte heeft bevrijd,” 15maar: “Zo waar de HEER leeft, die het volk van Israël uit het land van het Noorden heeft bevrijd en uit de andere landen waarheen hij het verdreven had.” Ik zal hen terugbrengen naar hun land, dat ik hun voorouders gegeven heb.

16Ik laat vissers komen om hen te vangen – spreekt de HEER –, en daarna laat ik jagers komen om hen op elke berg en elke heuvel, zelfs in de rotskloven op te jagen. 17Ik zie alles wat ze doen, niets is voor mij verborgen, hun wandaden ontgaan mij niet. 18Daarom zal ik hen eerst dubbel laten boeten voor hun wandaden en zonden, omdat ze mijn land hebben vol gezet met die gruwelijke en levenloze afgodsbeelden en het zo hebben ontwijd.’

Alleen de HEER is een toevlucht

19‘O HEER, mijn kracht en mijn burcht,

mijn toevlucht in tijden van nood.

Van de einden der aarde komen alle volken naar u toe.

Ze zullen zeggen: “De goden van onze voorouders

blijken niets dan bedrog,

ze zijn niets waard, ze bieden geen hulp.”’

20‘Kan een mens soms goden maken?

Wat hij maakt – goden zijn het niet!

21Daarom zal ik hun doen voelen –

ditmaal zal ik hun doen voelen mijn machtige hand,

opdat ze weten dat mijn naam HEER is.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]