Artikel

Satan NT

In het Nieuwe Testament is Satan de grote tegenstander van God, die verantwoordelijk is voor het kwaad in de wereld.

Satan als gevallen engel

Vanaf de tweede eeuw voor Christus ontwikkelde zich een nieuw beeld van Satan. In sommige joodse teksten werd hij getypeerd als de aartsvijand van God. Hij werd gezien als de heer van het rijk van de duisternis, en de vorst van de boze geesten. Een andere aanduiding voor Satan is ‘de duivel’. Dat is afgeleid van het Griekse diabolos, ‘kwaadspreker’, wat in de Septuaginta soms de vertaling van het Hebreeuwse satan is. Hij zou van oorsprong een hooggeplaatste engel zijn, die als aanvoerder van een groep engelen in opstand kwam tegen God. De bijbelse tekst die hiervoor de basis bood, is Genesis 6:2-4.
In de christelijke traditie kwam de voorstelling op dat de duivel de mens tot zonde verleidt. Als slang verleidde hij de eerste mensen, en bracht zo dood en verderf in de wereld.

Satan in het Nieuwe Testament

In het Nieuwe Testament is Satan de vorst van het rijk van de duisternis. Zijn rijk omvat de hele wereld (vergelijk Matteüs 4:1-11; 1 Johannes 5:19) en ook de lucht en de hemelsferen (Efeziërs 6:12).
Mensen die niet in Jezus Christus geloven, vallen onder de heerschappij van Satan. Wie in hem gaat geloven, gaat over van het rijk van de duisternis naar het rijk van het licht. Maar Satan blijft de verleider, en wie zijn geloof verliest, valt in Satans handen terug (1 Johannes 2:18-19).

De overwinning over Satan

In het boek Openbaring is Satan de draak waarmee de aartsengel Michaël de strijd aangaat. Satan staat hier voor de krachten van het kwaad. Uiteindelijk zullen de duivel en zijn medestanders worden verslagen in een laatste grote strijd. De macht van Satan zal dan voor altijd gebroken worden, en hij en zijn engelen zullen in het eeuwige vuur worden geworpen (Openbaring 20:1-10).

Andere namen voor Satan

Andere namen voor Satan zijn Lucifer (naar de Latijnse vertaling van het woord ‘morgenster’ in Jesaja 14:12), Belial of Beliar, en Beëlzebul.

Bijbelverzen

  • 1 Johannes 5:19
  • Matteüs 4:1-11
  • 1 Johannes 2:18-19