Efraïm
Artikel

Efraïm

Efraïm is de jongste zoon van Jozef en zijn Egyptische vrouw Asnat. Zijn oudere broer heet Manasse. Hun grootvader Jakob vindt hen net zo belangrijk als zijn eigen zonen. Hij zegent hen daarom aan het einde van zijn leven.

De naam Efraïm

De naam Efraïm betekent: dubbel vruchtbaar. Zijn vader Jozef geeft hem deze naam omdat hij blij is dat hij in het land Egypte twee zonen heeft gekregen.
Efraïm krijgt vijf zonen (1 Kronieken 7:20-27). Zijn nakomelingen vormen samen de stam Efraïm.

Jakob kruist zijn handen

Als zijn vader Jakob bijna gaat sterven, brengt Jozef zijn twee zonen, Manasse en Efraïm, bij hem (Genesis 48:1-20). Hij zet Manasse bij Jakobs rechterhand en Efraïm bij zijn linkerhand. Hij verwacht dat Jakob zijn oudste zoon de belangrijkste zegen zal geven, en zijn jongste zoon een minder belangrijke zegen.
Maar Jakob wil het precies andersom, en kruist bij het zegenen zijn handen. Hoewel zijn oudere broer Manasse veel macht zal krijgen, zal Efraïm nog machtiger worden dan hij.

De stam Efraïm

Jozef is een zoon van Jakob, maar wordt hij meestal niet gezien als een van de stamvaders van het volk van Israël. In plaats daarvan noemt de Bijbel zijn zonen Manasse en Efraïm vaak als stamvaders van Israël, elk met een eigen grondgebied.
De naam Efraïm kan daarom verwijzen naar de stam Efraïm, waarvan Efraïm de voorvader is. Maar het is ook een aanduiding voor het gebied waar de afstammelingen van Efraïm wonen. Dat gebied lag in het midden van Israël, tussen het gebied van Manasse en dat van Benjamin.

Nakomelingen van Efraïm

Beria, een van de zonen van Efraïm, is de voorvader van Jozua (1 Kronieken 7:27). Ook de ouders van de profeet Samuel behoorden volgens 1 Samuel 1:1 tot de stam Efraïm.

Bijbelverzen

  • Genesis 48:1-20
  • 1 Kronieken 7:20-27
  • Genesis 41:50-52
  • Genesis 46:19-20