noordelijke koninkrijk Israël
Artikel

noordelijke koninkrijk Israël

Het noordelijke koninkrijk Israël is de aanduiding van het gebied van de tien noordelijke stammen van Israël. Het noordelijke rijk ontstond na de regering van Salomo rond 926 voor Christus. Er waren vaak spanningen tussen het noordelijke rijk Israël en het zuidelijke rijk Juda. In 722 voor Christus veroverden de Assyriërs de hoofdstad Samaria en kwam er een einde aan het noordelijke koninkrijk.

Ontstaan van het noordelijke rijk

Het koninkrijk van Salomo was een centraal geleide eenheidsstaat, die geen rekening hield met de verschillen tussen de Israëlitische stammen. Na Salomo’s dood wilden de noordelijke stammen meer zelfstandigheid. Jerobeam slaagde erin het verzet tegen Salomo’s zoon, Rechabeam, te bundelen, zodat de tien noordelijke stammen zich afscheidden. De nieuwe staat, waar Jerobeam koning van werd, heet in de Bijbel ‘Israël’. Het gebied waarover Rechabeam bleef regeren, wordt ‘Juda’ genoemd.
De politiek van Jerobeam was erop gericht om de aanvallen van Rechabeam af te slaan en Israël een eigen identiteit te geven, los van Jeruzalem. Dit laatste probeerde hij te bereiken door gouden kalveren te plaatsen in de steden Betel en Dan.

Economisch gunstig gelegen

Vergeleken met Juda was Israël economisch sterker en speelde een belangrijker rol in de internationale politiek. Dit had ermee te maken dat de verbindingsroute tussen Egypte en Mesopotamië over het grondgebied van Israël liep.
Vooral onder koning Omri, de stichter van de stad Samaria, beleefde Israël een bloeitijd. Ook onder zijn zoon Achab en onder Jerobeam II heerste er welvaart, ondanks de aanhoudende conflicten met het buurland Aram (1 Koningen 20:1-43; 1 Koningen 22:1-40; 2 Koningen 14:23-29). Een probleem was wel dat de verschillende koningshuizen die over Israël heersten, niet allemaal even stabiel waren.

Ondergang van het noordelijke rijk

De gunstige ligging voor de handel bleek ook een strategisch nadeel. Voor de grootmachten was een onafhankelijk Israël ongewenst. De Assyriërs vormden de grootste bedreiging voor Israël. De Assyrische koning Tiglatpileser III maakte in 732 voor Christus van het noordelijke rijk een vazalstaat van Assyrië (2 Koningen 15:29).
Deze situatie duurde niet lang, want koning Hosea van Israël koos de kant van Egypte. In 722 voor Christus veroverden de Assyriërs de hoofdstad Samaria en voerden de bewoners weg. Dit betekende het einde van het noordelijke koninkrijk.

Bijbelverzen

  • 1 Koningen 12:1-33
  • 1 Koningen 13:1-34
  • 1 Koningen 14:30
  • 1 Koningen 16:21-28
  • 2 Koningen 14:23-29
  • 2 Koningen 17:1-19
  • 1 Koningen 11:26-40
  • 1 Koningen 15:6-7