Lot
Artikel

Lot

Lot is een neef van Abraham. Hij trekt eerst rond met Abraham, maar gaat later in de stad Sodom wonen. Als God de steden Sodom en Gomorra wil verwoesten, vlucht Lot uit Sodom. Lot is via zijn dochters de voorvader van de Ammonieten en Moabieten.

De naam Lot

De naam Lot betekent ‘sluier’ of ‘bedekt’. Deze betekenis speelt verder geen rol in de Bijbel.
Lot is de zoon van Abrahams broer Haran. Lot is getrouwd en heeft twee dochters. De namen van zijn vrouw en zijn dochters worden niet genoemd in de Bijbel. 

Abraham en Lot

Lot reist met Abraham mee naar het land Kanaän. Als Abraham en Lot ruzie krijgen omdat er te weinig land is voor al hun dieren, gaan ze uit elkaar. Lot gaat dan met zijn gezin in de stad Sodom wonen.
Vlak daarna wordt Lot gevangengenomen door koning Kedorlaomer en drie bondgenoten. Zodra Abraham hiervan hoort, bevrijdt hij zijn neef met ruim driehonderd gewapende mannen.

Lot in Sodom

Als Lot na zijn gevangenschap weer in Sodom woont, dreigt God de steden Sodom en Gomorra te verwoesten vanwege het slechte gedrag van hun inwoners. Om te kijken of er toch geen goede inwoners in Sodom zijn, gaan twee engelen naar de stad toe. Lot nodigt de engelen uit om bij hem thuis van zijn gastvrijheid te genieten.
De inwoners van de stad willen dat Lot de engelen naar buiten stuurt zodat zij ze kunnen verkrachten. Lot weigert dat met een beroep op zijn gastvrijheid. Hij biedt de inwoners wel zijn maagdelijke dochters aan. De mannen van Sodom nemen geen genoegen met de dochters, maar de engelen zorgen ervoor dat iedereen blind wordt en ze sturen Lot en zijn gezin de stad uit. Als de vrouw van Lot achterom kijkt tijdens hun vlucht, verandert ze in een zoutpilaar.

Lot en zijn dochters

Na zijn vlucht uit Sodom, gaat Lot met zijn twee dochters in een grot wonen. Omdat zijn dochters daar geen man kunnen vinden, besluiten ze hun vader dronken te voeren om zo met hem te kunnen slapen. Uit deze twee nachten komen twee zonen voort: Moab en Ben-Ammi. Zij zijn de stamvaders van de Moabieten en Ammonieten (Genesis 19:30-38).

Bijbelverzen

  • Genesis 12:1-9
  • Genesis 13
  • Genesis 14:1-36
  • Genesis 19:30-38
  • Lucas 17:28-29
  • 2 Petrus 2:7-8
  • Genesis 11:27-32
  • Genesis 19:1-24