Tamar (schoondochter van Juda)
Artikel

Tamar (schoondochter van Juda)

Tamar is de schoondochter van Juda (een zoon van Jakob). Om te voorkomen dat ze alleen achterblijft zonder kinderen, verkleedt ze zich als prostituee. Ze raakt zwanger van Juda en baart een tweeling: Peres en Zerach.

De naam Tamar

De naam Tamar betekent: palmboom. De dochter van David heet ook Tamar (2 Samuel 13:1), net als een dochter van Absalom (2 Samuel 14:27).
Tamar is ook de naam van een stad in de woestijn van Juda, ten zuiden van de Dode Zee (zie 1 Koningen 9:8; Ezechiël 47:18).

Schoondochter van Juda

Tamar trouwt met Er, de oudste zoon van Juda. Maar Er sterft zonder dat ze kinderen hebben. Daarna trouwt ze met Onan, de broer van Er. Maar ook hij laat Tamar kinderloos achter als hij sterft.
Haar schoonvader Juda wil niet dat Tamar met zijn derde zoon Sela trouwt, omdat hij bang is dat Sela ook zal sterven. Daarom stuurt Juda Tamar terug naar haar familie, en hij doet alsof hij haar vergeet (Genesis 38:11).

Verkleed als prostituee

Tamar wil niet dat zij alleen achterblijft zonder kinderen, en daarom bedenkt ze een plan. Zij verkleedt zich als prostituee en gaat langs de kant van de weg zitten. Als haar schoonvader Juda langskomt op weg naar het schaapscheerdersfeest in Timna, gaat hij naar toe. Juda heeft seks met Tamar, maar hij weet niet dat zij het is.
Als onderpand voor de betaling laat Juda zijn zegel, zijn snoer en zijn staf achter. Daarna trekt Tamar haar gewone kleren weer aan, en gaat zo naar huis. Als na een paar maanden blijkt dat ze zwanger is, laat Tamar de persoonlijke bezittingen van Juda zien als bewijs dat hij de vader is (Genesis 38:25).

Moeder van Peres en Zerach

Bij de bevalling blijkt dat Tamar zwanger is van een tweeling. Zij baart twee jongens: Peres en Zerach. Haar oudste zoon Peres is een verre voorvader van koning David (Ruth 4:12).
Tamar wordt ook genoemd in het Nieuwe Testament. Zij is de eerste vrouw in de lijst met voorouders van Jezus in het evangelie volgens Matteüs (Matteüs 1:3).

 

Bijbelverzen

  • Ruth 4:12
  • 2 Samuel 14:27
  • 1 Kronieken 2:4
  • Matteüs 1:3
  • Genesis 38:6-30
  • 2 Samuel 13:1