Hagar
Artikel

Hagar

Hagar is een Egyptische slavin in het huishouden van Abraham. Zij is de moeder van Abrahams oudste zoon Ismaël, de stamvader van de Arabische stammen (Genesis 25:12-18).
In de brief aan de Galaten belichaamt de slavin Hagar het oude verbond met Mozes, terwijl Abrahams vrouw Sara het nieuwe verbond symboliseert dat door Christus mogelijk is geworden.

De naam Hagar

De naam Hagar is afgeleid van het Hebreeuwse en het Arabische woord voor ‘vreemde’ of ‘vluchteling’. Misschien heeft Hagar deze naam pas gekregen toen ze bij Abraham en Sara in dienst kwam.
Behalve in het boek Genesis wordt Hagar in het Oude Testament ook genoemd in 1 Kronieken 27:31 en Psalm 83:7.

Moeder van Ismaël

In Genesis 15 belooft God veel nakomelingen aan Abraham. Abrahams vrouw Sara is echter te oud om kinderen te krijgen. Daarom geeft zij haar Egyptische slavin Hagar aan Abraham tot bijvrouw. Als uit deze relatie een kind geboren wordt, zou dat volgens het oudoosterse recht als kind van Abraham en Sara worden gezien.
Hagar wordt inderdaad zwanger en baart Ismaël (Genesis 16:15). Maar volgens Genesis 17:15-21 wil God zijn verbond met Abraham voortzetten met een zoon die Sara zelf zal baren. Hagars zoon Ismaël wordt de stamvader van de Arabische stammen waarmee de Israëlieten een gespannen verhouding hebben (Genesis 25:17-18; Psalm 83:6-7).

Op de vlucht

Genesis 16 en 21 vertellen over Hagars omstreden positie in het huishouden van Abraham. De zwangere Hagar vlucht omdat Sara haar slecht behandelt. Op haar vlucht komt Hagar een engel tegen. Hij stuurt haar terug naar Sara, maar belooft dat ze veel nakomelingen zal krijgen (Genesis 16:10).
Nadat Isaak is geboren, wil Sara dat Abraham Hagar en Ismaël wegstuurt. In de woestijn dreigt Ismaël te sterven van de dorst, maar God stuurt een engel om hem te redden. Ismaël heeft geen deel aan Gods verbond met Abraham, maar ook hij wordt de stamvader van een groot volk (Genesis 21:18).

Hagar als metafoor

In Galaten 4:22-29 interpreteert Paulus Hagar en Sara en hun nakomelingen op een symbolische manier. Wie niet in Jezus gelooft, is volgens Paulus net zo onvrij als het kind van een slavin. Wie wel gelooft, kan het beste vergeleken worden met het kind van een vrijgeboren vrouw.

Bijbelverzen

  • Genesis 21
  • Genesis 25:12-18
  • 1 Kronieken 27:31
  • Galaten 4:22-29
  • Genesis 16
  • Psalmen 83:7