Artikel

vertelkunst

Het Oude Testament bestaat voor een groot deel uit verhalen. Om meer inzicht te krijgen in de aard van de verhalen en de Hebreeuwse vertelkunst, zijn begrippen uit de literatuurwetenschap nuttig: verteller, tijd, personages.

Verteller

De verhalen in het Oude Testament hebben een alwetende verteller. Zo’n verteller weet wat er gebeurt op aarde en in de hemel. Hij weet wat er omgaat in de hoofden van de personages, ook in dat van God. Hij vertelt nu eens sterk samenvattend, dan weer uitvoerig en levendig. De alwetende verteller heeft overzicht over alles, en vertelt met een zekere distantie.

Commentaar van de verteller

De verteller kan schuilgaan achter de gebeurtenissen, het lijkt dan alsof het verhaal zichzelf vertelt. Maar op cruciale momenten kan hij van zich laten horen, bijvoorbeeld door een ander tijdsperspectief of door commentaar te geven op de gebeurtenissen. De verteller treedt dan op de voorgrond.

Tijd

De verhalen spelen zich af in de verleden tijd: de verteller verhaalt over het (verre) verleden. Als de verteller aan het woord is, noemen we dat ‘vertellerstekst’. De vertellerstekst bestaat vooral uit berichtgeving over gebeurtenissen in de verleden tijd: de verteller vertelt achteraf over wat er gebeurd is in het (verre) verleden. Een voorbeeld is bijvoorbeeld te vinden in 1 Samuel 9:9:

Vroeger zei men in Israël wanneer men God om raad wilde vragen: ‘Kom, laten we naar de ziener gaan,’ want wat nu een profeet heet, werd vroeger een ziener genoemd.’

Personages

Wanneer een van de personages aan het woord is, noemen we dat ‘personagetekst’. Dat is bijna altijd in gesproken woorden in een dialoog tussen verhaalfiguren. De personages zijn gericht op hun eigen heden, in het verhaal. Zij hebben hun eigen visies en denkbeelden. Er is onderscheid te maken tussen de visie van de verteller en de visie van een personage.