Artikel

heiligheid OT: heiliging en ontheiliging

Volgens de oudtestamentische wetsteksten hoeft een toestand van heiligheid of profaniteit (niet-heilig zijn) niet voor altijd te gelden. Iets wat heilig is, kan soms ontheiligd worden (ontheiliging). En iets wat niet heilig is, kan soms juist heilig worden (heiliging).

Heiliging

Heiliging kon plaatsvinden op verschillende manieren:

  • Door middel van rituelen, bijvoorbeeld door een persoon of voorwerp te zalven met heilige olie (Exodus 29:7) of door een offer aan God aan te bieden in het heiligdom (Numeri 6:19-20).
  • Iets werd heilig door het aan God te wijden (zie met name Leviticus 27:9-33). Het moest dan letterlijk apart worden gezet. Zo kon men bijvoorbeeld offerdieren, de eerste vruchten van de oogst, een huis, een stuk land of buit aan God wijden. Een speciale vorm van deze wijding was de ‘ban’. Dit komt in de Bijbel meestal voor in de context van oorlog. Voorwerpen, land of dieren die onder de ban waren geplaatst, werden óf het bezit van het heiligdom, óf ze moesten vernietigd worden. Mensen die onder de ban waren geplaatst moesten ter dood worden gebracht (Leviticus 27:29).
  • Een plaats kon heilig worden door de aanwezigheid of verschijning van God (bijvoorbeeld de tabernakel in Exodus 40:34-35).
  • Iets of iemand kon heilig worden door het aanraken van een zeer heilig voorwerp, zoals de tabernakel, een tempelvoorwerp of een offer. Dit was een illegitieme vorm van heiligheid die vermeden moest worden. Zie hiervoor onder andere Exodus 29:37 en Exodus 30:29.

Ontheiliging

Een toestand van heiligheid was niet altijd wenselijk. Heilige personen of voorwerpen waren aan allerlei restricties gebonden. Daarom mochten zij in sommige situaties ‘ontheiligd’ (‘ontwijd’) worden. Ontheiliging kon op verschillende manieren tot stand worden gebracht:

  • door het uitvoeren van rituelen. Zo konden nazireeërs hun heilige status beëindigen door het brengen van een offer (Numeri 6:13-20).
  • Iets of iemand kon ontheiligd worden doorlossing. Zo werden eerstgeboren dieren en de eerste vruchten van de oogst – die als heilig werden gezien en in die hoedanigheid aan God toebehoorden – gelost door iets van vergelijkbare waarde te betalen aan het heiligdom (zie Leviticus 27:26-27). Voor eerstgeboren zoons bracht men waarschijnlijk een offer om hen te lossen. Door lossing werden eerstgeborenen ‘vrijgekocht’: ze hoefden niet meer aan de Heer te worden afgestaan.
  • Ontheiliging kon ook op illegitieme of onopzettelijke wijze plaatsvinden, door het overtreden van (cultische) voorschriften. De heiligheid van een plaats, voorwerp of persoon werd bijvoorbeeld ontwijd door verkeerd gebruik ervan of door contact met iets onreins. Het heiligdom werd ontwijd als er mensen binnenkwamen die daar geen toestemming voor hadden (Leviticus 21:21-23). Het volk Israël werd ontwijd door afgoderij (Jeremia 16:18). En de sabbat werd ontheiligd door op die dag te werken (zie Nehemia 13:18).