Artikel

sabbat NT

De sabbat komt voor in de evangeliën, in Handelingen en in de brieven van Paulus. In de evangeliën discussieert Jezus met religieuze leiders over de sabbat. De discussies gaan over wat wel en niet is toegestaan op de sabbat. Verder blijkt dat er ook tussen joodse en niet-joodse navolgers van Jezus conflicten konden ontstaan over de geldigheid van het sabbatsgebod.

Jezus en de sabbat

Jezus houdt zich in de evangeliën aan het sabbatsgebod. Zo gaat hij volgens Lucas 4:16 op sabbat naar zijn gewoonte naar de synagoge. Maar Jezus vindt dat er meer is toegestaan op de sabbat dan veel religieuze leiders leren. Zo geneest hij bijvoorbeeld een man met een verschrompelde hand, terwijl men volgens de farizese leer alleen mensen mag genezen die in levensgevaar zijn. Volgens dezelfde leer is het niet toegestaan om aren te plukken op sabbat, wat de leerlingen van Jezus wel doen (Marcus 2:23-28).

Sabbat en de vroege kerk

Buiten de evangeliën is er in het Nieuwe Testament weinig aandacht voor de sabbat. In Handelingen 17:2 wordt vermeld dat Paulus gewend is om op sabbat naar de synagoge te gaan. In zijn brieven noemt Paulus dit nergens.
Paulus werkte als apostel van de heidenen en gedroeg zich, zo schrijft hij in 1 Korintiërs 9:21, tussen hen als iemand die ook niet leeft volgens de joodse wet. Hij vroeg van heidenen die tot geloof kwamen niet om zich aan de wet te houden. Het houden van het sabbatsgebod was volgens Paulus alleen toegestaan voor Joodse christenen. De gemeenten van heidenchristenen die Paulus stichtte, hielden zich waarschijnlijk daarom niet aan de sabbat.

Sabbat en zondag

De latere christelijke theologie past het sabbatsgebod toe op de eerste in plaats van de zevende dag. In het Nieuwe Testament is hier nog geen sprake van. Er wordt gesproken over samenkomsten op de eerste dag van de week (Handelingen 20:7-12), maar dit betekent niet dat de Joodse volgelingen van Jezus zich niet meer aan de sabbat hielden of op zondag niet werkten.

Bijbelverzen

  • Lucas 4:16
  • Handelingen 20:7-12
  • Romeinen 14:5
  • Galaten 4:10
  • Kolossenzen 2:16
  • Marcus 2:23-28
  • 1 Korintiërs 9:21