Esau
Artikel

Esau

Esau is de zoon van Isaak en Rebekka en de tweelingbroer van Jakob. Hoewel hij de oudste is, krijgt hij niet de zegen van de eerstgeborene. Esau is de stamvader van de Edomieten, met wie de Israëlieten regelmatig conflicten hebben.

De naam Esau

Esau wordt ook wel ‘Edom’ genoemd. Edom betekent ‘rood’. Deze betekenis wordt op twee manieren uitgelegd in de verhalen over Esau. Hij heeft rood haar en is bij zijn geboorte al helemaal behaard (Genesis 25:25). Ook wordt er verband gelegd met de rode linzensoep die hij van Jakob krijgt in ruil voor zijn eerstgeboorterecht (Genesis 25:30).
Esau is de lieveling van zijn vader Isaak, omdat hij regelmatig vers geschoten wild mee naar huis neemt. Zijn moeder Rebekka houdt meer van zijn jongere tweelingbroer Jakob, die graag bij de tenten blijft. Esau trouwt met meerdere Kanaänitische vrouwen, hoewel zijn ouders daar tegen zijn.

Esau en Jakob

Esau ruilt zijn eerstgeboorterecht met zijn broer Jakob voor een kom linzensoep en wat brood (Genesis 25:29-34). Ook de zegen van de eerstgeborene raakt hij aan Jakob kwijt, doordat Jakob hun blinde vader bedriegt. Jakob doet alsof hij Esau is, zodat vader Isaak hém zegent in plaats van Esau.
Esau is hier zo kwaad over dat hij Jakob wil doden. Jakob vlucht daarom naar zijn oom Laban in Charan. Als Jakob jaren later terugkeert naar Kanaän, verzoenen de twee broers zich met elkaar (Genesis 33:4).

Edom

Esau is de stamvader van de Edomieten. Volgens Genesis 36:6-7 vestigt hij zich met zijn familie en al zijn bezit in het Seïrgebergte. Dit bergachtige gebied aan de overkant van de Jordaan is bekend om zijn rode bergen. Het wordt daarom ook wel Edom genoemd. 
De Edomieten en de Israëlieten waren regelmatig in conflict met elkaar. Hoe diep de onenigheid tussen de twee volken soms was, blijkt vooral uit de profetieën die naar Edom verwijzen. In Maleachi 1:2-3 staat bijvoorbeeld: ‘Zijn Jakob en Esau geen broers? Toch heb ik Jakob liefgehad en Esau gehaat.’

Bijbelverzen

  • Genesis 26:34-28:9
  • Genesis 27-28
  • Genesis 32:2-33:17
  • Genesis 36:1-19
  • Numeri 20:14-21
  • Jeremia 49:10
  • Obadja 1
  • Maleachi 1:2-3
  • Hebreeën 12:16
  • Genesis 25:19-34
  • Genesis 32-33