Jona
Artikel

Jona

Jona is een profeet in het noordelijke rijk Israël in de tijd van koning Jerobeam II. Dat is rond het jaar 750 voor Christus. God zegt tegen Jona dat hij de inwoners van Nineve moet waarschuwen, maar Jona is bang dat deze mensen hierdoor hun straf zullen ontlopen.

De naam Jona

De naam Jona betekent: duif.
Hij is de zoon van Amittai en komt uit de plaats Gat-Hachefer in het noorden van Israël (Jozua 19:13; 2 Koningen 14:25). Het bijbelboek Jona, een van de twaalf ‘kleine profeten’, is naar deze Jona genoemd.

Op de vlucht voor God

Jona krijgt een opdracht van God: hij moet tegen de bewoners van Nineve zeggen dat God hun stad met de grond gelijk zal maken. Maar Jona is bang dat God van gedachten zal veranderen en de hoofdstad van de vijanden van Israël niet zal verwoesten. Daarom vlucht hij de andere kant op en neemt de boot naar Tarsis.
Het schip van Jona komt in een hevige storm terecht. Om de storm tot bedaren te brengen, gooien de zeelieden Jona overboord. God zorgt ervoor dat een grote vis Jona opslokt en na drie dagen weer uitspuugt op het strand.

Boos op God

Dan krijgt Jona opnieuw de opdracht om naar Nineve te gaan. Nu gaat hij wel en de mensen van Nineve luisteren naar zijn boodschap en gaan beter leven. Daarom verandert God van gedachten en besluit hij de stad niet te verwoesten.
Als Jona dat merkt, is hij boos en teleurgesteld. Hij vindt het niet goed dat de mensen van Nineve niet gestraft worden voor hun slechte daden. Zijn boosheid verdwijnt even als God een wonderboom laat groeien, die hem schaduw geeft. Maar als de wonderboom verdort, is Jona opnieuw boos. Dan vraagt God aan Jona of het terecht is dat hij zich drukker maakt over het leven van deze ene boom dan over de levens van al die mensen en dieren in Nineve.

Teken van Jona

In het Nieuwe Testament vergelijkt Jezus zichzelf met de profeet Jona. Zoals Jona na drie dagen en nachten uit de buik van de vis kwam, zo zal Jezus na drie dagen en nachten weer opstaan uit het graf (Matteüs 12:40).

Bijbelverzen

  • Jona 1-4
  • Matteüs 12:39-41
  • Matteüs 16:4
  • 2 Koningen 14:25
  • Lucas 11:29-32